Research Article
Print
Research Article
Circulaire economie in de praktijk: lessen voor starten en opschalen
expand article infoBrigit Verschuren, Arco van de Ven§
‡ Lan Handling Technologies, Berkel-Enschot, Netherlands
§ Universiteit van Tilburg, Tilburg, Netherlands
Open Access

Samenvatting

Bij zeven bedrijven is, op basis van een literatuuronderzoek, nagegaan wat de invloed van circulaire initiatieven is op het bedrijfsmodel, welke barrières voor het schalen van een circulair initiatief worden ervaren en op welke wijzen de organisaties met deze obstakels zijn omgegaan. De lessen van deze organisaties zijn onder andere: een combinatie van bedrijfsmodellen, bijvoorbeeld pay-per-use en direct sale, kan noodzakelijk zijn. Het opstellen van een separaat bedrijfsmodel voor het circulaire initiatief waarbij de businesscase positief moet zijn, is nodig. Een korte doorlooptijd van ontwikkeling is van belang en dit betekent starten met pilots en ‘minimum viable products’.

Trefwoorden

ESG, circulariteit, barrières circulariteit

Relevantie voor de praktijk

Dit artikel laat op basis van zeven circulaire initiatieven met verschillende organisaties zien welke problemen zij hebben ervaren bij het starten en schalen van deze initiatieven en welke lessen hieruit te trekken zijn.

1. Inleiding

Duurzaamheid speelt een steeds belangrijkere rol in de strategievorming van organisaties (Scheepens et al. 2022). Naast dat veel organisaties dit als onderdeel van hun wezen, hun “purpose”, zien (Gulati 2022), dwingt wet- en regelgeving organisaties steeds vaker om doelstellingen op het gebied van duurzaamheid te formuleren en hierover te rapporteren. Onderdeel van het duurzaamheidsvraagstuk is het kunnen voldoen aan de klimaatdoelstellingen. Een belangrijke manier om aan de E (van Environmental, Social en Governance) invulling te geven is het hergebruik van materialen, het streven naar een zogenoemde circulaire economie. Binnen de circulaire economie gaat het over het efficiënt omgaan met materialen en grondstoffen door middel van hergebruik. Inmiddels is de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) ingevoerd1 en ook verplicht gesteld voor niet beursgenoteerde ondernemingen, wat standaarden met betrekking tot circulariteit en duurzaamheid meer op de agenda van bedrijven zet (De Angelis 2021). Om ook echt een positieve impact te genereren moeten bedrijven circulariteit integreren in de bedrijfsvoering. In nadere uitwerking van CSRD in de European Sustainability Reporting Standards wordt het onderwerp circulaire economie uitgewerkt in zogenoemde datapunten over het gebruik en hergebruik en de mate van afval van resources (EFRAG 2023).

Het Planbureau voor de Leefomgeving (Hanemaaijer et al. 2023) spreekt van een toenemende urgentie van de grondstoffenproblematiek. De versnelling van de transitie naar een circulaire economie is nog niet zichtbaar en dat is zorgelijk. Mishra et al. (2022, p. 1002) geven aan dat er maar beperkt onderzoek is gedaan naar de financiële en operationele impact op organisatieniveau. Inzicht in ervaringen van knelpunten in de praktijk bij het opstarten en opschalen van circulaire initiatieven kan behulpzaam zijn bij het versnellen van deze transitie. In dit artikel wordt besproken en geanalyseerd hoe zeven bedrijven in Nederland zijn omgegaan met het starten en schalen van circulaire initiatieven en welke lessen hieruit zijn te trekken. Allereerst zal op basis van een literatuuronderzoek worden ingegaan op de invloed van circulaire initiatieven op het bedrijfsmodel en de barrières die mogelijk hierbij een rol spelen. In paragraaf drie wordt ingegaan op de methodiek van het empirisch onderzoek en in paragraaf vier worden de resultaten besproken. Het artikel sluit af met een concluderende paragraaf.

2. Literatuuronderzoek

2.1. Circulariteit

Discussies over circulariteit, het hergebruik van grondstoffen en het niet meer bestaan van afval, hebben geleid tot de term circulaire economie. Volgens Murray et al. (2017) is dit begrip gecreëerd als een tegenhanger van de bekende lineaire economie, die wordt gedefinieerd als het omzetten van natuurlijke bronnen via een productielijn naar uiteindelijk afval. Circulaire economie blijft een heel breed begrip. Murray et al. (2017) geven aan dat de circulaire economie een term is voor alles wat wordt gedaan om minder materialen te gebruiken, om materialen te hergebruiken en om materialen te recyclen. Dit geldt voor alle processen binnen de economie, dus zowel binnen de productie, de consumptie als de distributie.

2.2. Bedrijfsmodellen

Vanuit het begrip van circulariteit en de circulaire economie ontstaat de vertaling naar het toepassen van de circulaire concepten voor de bedrijfsvoering in organisaties. Bocken et al. (2018) laten zien dat ten opzichte van het conventionele bedrijfsmodel een aantal extra aspecten nodig zijn om het gehele circulaire programma te kunnen overzien. Zo moet de impact van het bedrijfsmodel op de aspecten planet en people worden toegevoegd aan de financiële waardepropositie. Hiermee wordt de waardepropositie niet meer alleen financieel gedreven. Vervolgens moeten ook de retourstromen worden toegevoegd aan de kosten- en opbrengstenstromen om inzichtelijk te krijgen hoe het bedrijfsmodel er zal uitzien als de producten weer terugkomen.

De hoge mate van onzekerheid over de ontwikkelingen in de tijd maakt het ook nodig dat er bedrijfsmodellen per levenscyclus van het product worden gemaakt (Nußholz 2018). Bedrijfsmodellen waarbij de effecten van circulariteit per levensfase worden meegenomen helpen in het inzichtelijk, begrijpelijk en betrouwbaar maken van de effecten van de circulaire initiatieven voor bedrijven en voor hun geldverstrekkers.

2.3. Barrières bij het starten en schalen van circulaire initiatieven

Het inzichtelijk maken van de bedrijfsmodellen zegt nog niks over problemen die zich kunnen voordoen bij het starten en schalen van circulaire initiatieven. In de literatuur worden knelpunten die de transitie binnen organisaties kunnen belemmeren barrières genoemd. Drie verschillende barrières worden in de literatuur onderkend in het kader van het starten of schalen van een circulair initiatief: knelpunten met betrekking tot de financiering, obstakels met betrekking tot noodzakelijk te veranderen beheersingsmechanismen (management control), en tot slot barrières die van buiten de grenzen van de organisatie komen zoals institutionele barrières, maatschappelijke barrières en infrastructurele en technologische barrières.

2.3.1. Barrières in relatie tot financiering

Vermunt et al. (2019) geven aan dat de financiële barrières gelinkt zijn aan gebrek aan financiële middelen, hoge initiële investeringskosten en hogere kosten van het nieuwe bedrijfsmodel. Deze hogere kosten zijn gerelateerd aan het complexere bedrijfsmodel en de onzekerheid over het verdere verloop van het initiatief tijdens de levenscyclus. Ook Masi et al. (2018) geven aan dat er dergelijke financiële barrières zijn. Zo zijn er grote investeringen nodig voor het ontwikkelen van de producten en zijn niet alle negatieve maatschappelijke effecten, zoals CO2-kosten, onderdeel van de kostprijs van de bestaande producten waartegen het initiatief moet concurreren. Dit betekent dat de kostprijs van producten met gerecyclede materialen vaak hoger is dan van producten met “virgin” materialen.

Om de barrières te overkomen die gerelateerd zijn aan de financiering, geven Bocken et al. (2018) aan dat er bij circulaire bedrijfsmodellen vaak een verschuiving is te zien in de wijze van betaling voor de producten of diensten. In plaats van het verkopen van het circulaire product wordt het gebruik van het product in rekening gebracht. In concepten zoals “pay per use (PPU)” of “product as a service (PAAS)” hoeft een gebruiker geen eigenaar te worden, maar betaalt de gebruiker alleen voor het gebruik. Voor de organisatie die de circulaire initia­tieven ontplooit, leidt dit echter wel tot langere terugverdientijden en een hogere mate van onzekerheid over de mate van gebruik van de diensten en daarmee van de toekomstige opbrengsten. Hierdoor ontstaat een hogere en minder voorspelbare financieringsbehoefte.

Met betrekking tot de kosten concluderen Sandberg and Hultberg (2021) dat circulaire bedrijfsmodellen vaak gekarakteriseerd worden door complexere routes, producten en onzekerheden in de logistieke keten bij het opschalen van de activiteiten. Dat zorgt ervoor dat de traditionele aannames in de economie van schaalvoordelen uitdagender zijn voor dit soort type bedrijven. Dit kan eveneens leiden tot een langere terugverdientijd.

Aboulamer et al. (2020) geven aan dat ondanks het gegeven dat private investeerders vaker kijken naar drie duurzaamheidspijlers (ecologisch, sociaal en economisch), de financiële implicaties nog steeds doorslaggevend zijn. Investeerders zien barrières om te financieren doordat:

  • de complexiteit van het bedrijfsmodel is vergroot (meer partners, meer cycli, meer samenwerking in de keten);
  • er een gebrek aan data is voor investeerders; zij kunnen geen vergelijking maken met andere initiatieven, omdat die er nog veel te weinig zijn;
  • het lastig is om de betrouwbaarheid van het model in te schatten. De waarde, timing en zekerheid van de retourstroom zijn niet gemakkelijk te bepalen;
  • de belangrijkste assets van een circulair bedrijf de immateriële vaste activa zijn (Aboulamer et al. 2020). Dit terwijl investeerders juist waarde hechten aan materiële activa;
  • een circulair bedrijfsmodel vaak meer tijd nodig heeft om relevant en winstgevend te worden, terwijl investeerders veelal een tijdshorizon hebben van vijf tot zeven jaar.

Door deze barrières is het voor investeerders lastig om de waarde te bepalen van circulaire bedrijfsmodellen, wat leidt tot het niet verstrekken van financiering of tot het vragen van een hogere risico-opslag.

Svensson and Funck (2019) benoemen daarnaast de beoordelingsbias (betrouwbaarheid) als een probleem bij het honoreren van investeringsaanvragen. Het probleem komt naar voren in cost accounting en in het beoordelen van investeringsaanvragen. De methodes voor cost accounting van vandaag zijn gebaseerd op een lineair gedachtegoed, wat het lastig maakt om te bepalen hoe de kosten en de waarde moeten worden bepaald van de materialen die worden gerecycled. En daarbij moet ook worden meegenomen dat er geen duidelijkheid is over hoe vaak je de cirkel van hergebruik mee kunt tellen.

2.3.2. Barrières in relatie tot management control

Svensson and Funck (2019) onderzochten in hoeverre de management control verandert wanneer er circulaire bedrijfsmodellen ingezet worden. Ze tonen aan dat cultural controls erg belangrijk zijn en dat het van groot belang is om de normen en waarden rondom circulariteit uit te dragen en te communiceren. Op deze manier kunnen ze ervoor zorgen dat de medewerkers ook intrinsiek de cultuur van de circulaire economie gaan doorleven. Ze geven ook aan dat langetermijnplanning en de vertaling naar werkplannen veranderen omdat de strategische doelen veranderen. Daarnaast verandert ook de manier van het maken van budgetten, komen er nieuwe KPI’s en in sommige gevallen worden beloningen veranderd. Svensson and Funck (2019) concluderen dat wanneer er organisatiebreed circulaire bedrijfsmodellen worden geïntroduceerd, dit impact zou moeten hebben op het gehele systeem van management control; zowel op cultural controls als op formal controls.

2.3.3. Barrières buiten directe invloed van de organisatie

Met betrekking tot de classificatie van barrières wordt aangesloten bij de taxonomie van Masi et al. (2018). Zij onderscheiden institutionele, infrastructurele, maatschappelijke en technologische barrières die bedrijven bij circulaire initiatieven kunnen ervaren. Ook in de studie van Vermunt et al. (2019) worden dezelfde barrières benoemd, maar in een iets andere classificatie.

Institutionele barrières

In de institutionele theorievorming worden instituties omschreven als de ‘rules of the game’. Deze breed geaccepteerde gedragsregels zijn bepalend in de omgang tussen individuen en organisaties (Nabielek et al. 2022:13). Bij veranderd beleid zijn deze instituties, gedragsregels, vaak lastig te veranderen. De institutionele barrières worden door Masi et al. (2018) ingedeeld in de volgende specifieke knelpunten:

  • Ongelijk speelveld dat in stand wordt gehouden door huidige marktpartijen.
  • Subsidieregelgeving die de lineaire economie ondersteunt.
  • Mededingingswetgeving die noodzakelijke samenwerking in het ecosysteem verhindert.
  • Circulariteit is niet effectief opgenomen in innovatiebeleid van de overheid.
  • Beleid rondom recycling is ineffectief om hoogwaardige kwaliteit van hergebruikte producten te garanderen.
  • Governanceproblemen rondom eigenaarschap, verantwoordelijkheden en mogelijke verplichtingen.

Infrastructurele barrières

Ook kunnen er knelpunten in de aanwezige infrastructuur optreden. De huidige infrastructuur is ingericht op de lineaire economie, waarbij de volgende knelpunten worden onderkend (Masi et al. 2018):

  • weinig tot geen werkende voorbeelden van circulaire bedrijfsmodellen;
  • platformen om informatie te delen tussen verschillende stakeholders zijn schaars;
  • het vertrouwen in het verband met delen van gegevens is laag;
  • het uitwisselen van materialen is beperkt door een beperkte capaciteit waar het gaat om retourlogistiek;
  • beperkte heldere gestandaardiseerde kwantitatieve informatie en doelstellingen.

Maatschappelijke barrières

Het onderkennen van de urgentie van circulaire economie is afhankelijk van de maatschappelijke context. De volgende barrières worden hierbij onderkend:

  • De urgentie ontbreekt (soms door het ontbreken van maatschappelijke kennis).
  • Het Bruto Nationaal Product laat niet zien wat de voor- of achteruitgang is van de maatschappij.
  • Tegenwerking van grote partijen die grote belangen hebben om vast te blijven houden aan de status quo.

Technologische barrières

Het hergebruik van materialen is afhankelijk van technische (on)mogelijkheden. Enkele technologische barrières:

  • Er is een beperkte aandacht voor het ontwikkelen van een oplossing voor het eind van de levensduur binnen het huidige ontwerp van de producten.
  • Er is een beperkte beschikbaarheid en capaciteit van recyclebaar materiaal.
  • Het is lastig om een verschil te maken tussen de biologische en technologische cirkel. De biologische cirkel gaat om producten creëren die biologisch afbreekbaar zijn en vaak vanuit biologische aard zijn ontwikkeld. De technologische cirkel gaat over producten die zijn gemaakt met producten die gerecyclede content hebben of recyclebaar zijn. De lineaire technologie gaat al heel lang mee en wordt daardoor door veel mensen het meest vertrouwd en dus gebruikt. Gebrek aan data en kennis leidt dan tot een barrière.

Uit de literatuur is op basis van de bovenstaande onderzoeken een raamwerk afgeleid dat in het onderzoek is gehanteerd.

3. Onderzoeksmethode

Het doel van dit exploratieve onderzoek was nagaan tegen welke barrières organisaties zijn aangelopen die een circulair concept in de markt hebben gelanceerd en hoe zij hiermee om zijn gegaan. Een Worldcat Virtual Library Search heeft in augustus en september 2022 plaatsgevonden naar peer-reviewed artikelen over ‘problems circular business models’ over de periode 2017–2022. Van de 441 artikelen is op basis van de samenvatting een analyse gemaakt van artikelen die zich naast het bedrijfsmodel ook toespitsten op de beperkingen/barrières. Dit heeft geleid tot zes artikelen die in het artikel zijn gebruikt en inzicht geven in welke belangrijke aspecten vanuit empirisch onderzoek het bedrijfsmodel kunnen beïnvloeden en welke mogelijke barrières het succesvol starten en schalen kunnen beïnvloeden (Figuur 1).

Figuur 1.

Conceptueel raamwerk met betrekking tot de invloed en barrières van circulaire initiatieven.

Voor het empirisch onderzoek is gezocht naar organisaties waarvan het bekend was dat er circulaire initiatieven aanwezig waren die werden opgeschaald. Allereerst is met collega’s van de eerste auteur nagegaan of er dergelijke organisaties in het klantenbestand (Berkvens, Niaga en Solarge) aanwezig waren. Vervolgens is gevraagd naar bekendheid van initiatieven in relatienetwerk van het adviesbureau van de eerste auteur (Bugaboo, Auping). Tot slot is ook via het persoonlijke netwerk van de eerste auteur gezocht naar suggesties voor andere initiatieven (Bikeflip en Gulpener) die voor het onderzoek relevant konden zijn. Op basis van deze uitkomsten is via een websearch naar publicaties van de initiatieven bij de organisaties gezocht, om zo beter zicht te krijgen op de details van deze initiatieven. Ook zijn de duurzaamheidsverslagen bestudeerd, om na te gaan of deze bijvoorbeeld niet in begin van het initiatief zaten, maar dat er recent pogingen tot het opschalen hadden plaatsgevonden. Uiteindelijk heeft dit geleid tot de bovengenoemde zeven initiatieven die zijn benaderd voor het onderzoek. Naast het bestuderen van de duurzaamheidsverslagen zijn interviews afgenomen met leden van het managementteam die direct betrokken waren bij de ontwikkeling en implementatie van het circulaire initiatief (1 CEO, 2 CFO’s, 1 Co-founder, 1 Productmanager duurzaamheid, 1 Business development directeur en 1 Directeur sustainability & innovation).

De initiatieven van de zeven organisaties verschillen in de wijzen waarop circulariteit wordt nagestreefd, door:

  1. Het aanbieden van nieuwe circulaire producten.

    • Bugaboo is een bedrijf dat kinderwagens verkoopt en heeft een grote ambitie om net-zero te zijn in 2035. Ze proberen verschillende bedrijfsmodellen uit om kinderwagens langer mee te laten gaan, zoals refurbishment, lease van kinderwagens en een nieuwe service met het terugkopen van kinderwagens.
    • Bikeflip is opgericht in 2020 en heeft een concept van kinderfietsen opkopen en opknappen en via een kinderfietsabonnement aanbieden.
  2. Het circulair(der) maken van de bestaande producten.

    • Solarge maakt recyclebare zonnepanelen die 50% lichter zijn en 80% minder CO 2-uitstoot hebben dan conventionele panelen en 100% PFAS-vrij zijn.
    • Berkvens ambieert een toekomstige deurencollectie waarin deuren geen afval meer worden, geen uitstoot meer hebben en waarbij alle grondstoffen bestaan uit materialen zonder toegevoegde zeer zorgwekkende stoffen.
    • Auping streeft een duurzame wereld na, waarin niks wordt verspild en alles wordt hergebruikt. Zij zijn gestart met de introductie van circulaire matrassen in 2018.
    • Niaga levert technologie om circulaire oplossingen te maken in de applicaties panelen, matrassen en tapijten. Met materiaalkennis, applicatiekennis en een specifieke lijm (adhesive) hebben ze de technologie ontwikkeld waarmee klanten circulaire producten kunnen maken.
  3. Het meer circulair maken van het productieproces van een bestaand product:

    • Gulpener Bierbouwerij heeft de ambitie een duurzame vrije brouwer te zijn. Circulariteit is geen losstaande activiteit, maar een integraal onderdeel van de bierbrouwerij.

Ook op andere aspecten zijn er verschillen tussen de organisaties te onderkennen. Auping, Berkvens en Gulpener zijn familiebedrijven met een rijke historie van respectievelijk 90 jaar (Berkvens) en meer dan tweehonderd jaar (1888 Auping en 1825 Gulpener). Daarnaast zijn er ook relatief jonge organisaties: Solarge (2018), Bikeflip (2019) en Bugaboo (1999). Niaga is ook een jong bedrijf, dat nu een onderdeel is van het Duitse chemieconcern Covestro en in 2014 in samenwerking met DSM startte met de genoemde technologie van circulaire oplossingen.

In de semigestructureerde gesprekken, die begin 2023 zijn gehouden, zijn deze aspecten in het kader van het circulaire initiatief van de organisatie ter sprake gebracht. De interviews zijn gestart met vragen over de uitleg van het circulaire initiatief en vervolgens zijn de verschillende thema’s uit het conceptuele raamwerk ter sprake gebracht; aanpassing van het bedrijfsmodel, verandering in de beheersing en de ondervonden barrières. Alle gesprekken zijn getranscribeerd en gecodeerd op basis van de codes die zijn afgeleid uit het literatuuronderzoek. Het overzicht van deze codes en de referenties naar de literatuur is opgenomen in Bijlage 1.

4. Resultaten

4.1. Bedrijfsmodellen

Uit de gesprekken komt naar voren dat de introductie van een circulair initiatief (veel) meer is dan het bedenken en lanceren van een nieuw product of dienst. Bij alle organisaties blijkt het ecosysteem een centrale rol te spelen en nodig te zijn om op de lange termijn succesvol te zijn. Het ontwikkelen van dit ecosysteem vergt veel tijd en aandacht, en betekent voor de organisaties vaak een toenemende complexiteit en onvoorspelbaarheid. Bij Gulpener valt dit mee, omdat de verbeteringen zijn gericht op circulariteit in het bestaande proces waarbij het huidige ecosysteem verder benut en uitgebreid wordt. Bij het aanbieden van nieuwe circulaire producten, zoals bij Bugaboo en Bikeflip, is de onzekerheid het grootst. De markt vraagt om bewijs dat de keten ook echt gesloten kan worden, en dat moet worden aangetoond met – en aan – nieuwe partners in de keten. Zonder dit bewijs geven de organisaties aan dat klanten niet willen overstappen naar nieuwe circulaire technologie. Dit zorgt voor een dilemma bij de organisaties, want er is ook urgentie om met een minimum viable product (MVP) zo snel mogelijk op de markt te komen. Een MVP is een versie van het product dat het mogelijk maakt om een bouw-meten-leren loop te creëren met een minimale doorlooptijd voor het ontwikkelen van het product (Ries 2011, Part Two).

Om de toenemende complexiteit behandelbaar te maken, knippen de bedrijven het bedrijfsmodel op tussen de eerste productie en verkopen van het circulaire product en de retourstromen.

Bij alle bedrijven zijn nieuwe bedrijfsmodellen in de maak of getoetst, maar bij allemaal zijn daarnaast ook direct inkomsten nodig om het initiatief levensvatbaar te houden. Vaak gebeurt dit door een combinatie te zoeken met direct sales. Bij vijf van de zeven bedrijven wordt geprobeerd om de retourstromen van de toekomst vandaag al direct winstgevend te maken. Hier worden separate modellen voor gemaakt en men realiseert zich dat de retourstroom een bedrijfsmodel op zichzelf moet gaan worden. De organisaties geven aan dat dit gepaard gaat met onzekerheid over de potentiële waarde van de retourstromen. De kosten van recycling op schaal en de onduidelijkheid over timing van de retourstroom spelen hierbij een belangrijke rol. Bij de andere twee organisaties, Gulpener en Bikeflip, is er geen sprake van een direct retourproduct, maar betreft het circulariteit van het proces en het hergebruik van fietsen van andere leveranciers.

De circulaire initiatieven die gericht zijn op het verbeteren van bestaande producten of het proces houden vast aan de directe verkoop van het product. Bij Berkvens, het initiatief van circulaire deuren, zijn er wel andere bedrijfsmodellen onderzocht. Maar in de Business to Business (B2B)-markt is de gebruiker een andere partij dan de koper van de deuren, hetgeen een ‘pay per use’ lastig maakt. De klant van Berkvens, de aannemer, werkt met een direct salesmodel voor hun klanten, hetgeen een ander salesmodel zeer lastig maakt.

Bugaboo en Bikeflip, die inzetten op refurbish producten, beproeven wel concepten waarbij voor het gebruik betaald moet worden. Zo is Bugaboo naast de running business die ze hebben, gestart met een leaseconcept via een pilot. Bij Bikeflip is de basis van het bedrijfsmodel “product as a service” (fietsabonnement voor kinderen). Auping heeft een succesvol leaseconcept in de markt gezet, maar de financieringsbehoefte en het kredietrisico bleken achteraf te hoog.

Het onderzoek laat zien dat in de case-organisaties meerdere bedrijfsmodellen worden gebruikt en dat de bedrijven ook per onderdeel van de levenscyclus verschillende modellen maken. Er komt duidelijk naar voren dat de ini­tiële productintroductie van een circulair concept op zichzelf winstgevend moet zijn om de introductie te laten slagen. Het direct meerekenen van een eventuele opbrengst van de retourstroom wordt niet gedaan bij de initiële productintroductie maar wordt wel gemodelleerd. De retourstroom wordt in veel van de gevallen gezien als een apart bedrijfsmodel. De complexiteit voor de organisaties is vergroot in het aantal verschillende bedrijfsmodellen dat toegepast wordt, maar door het knippen van de bedrijfsmodellen per onderdeel van de levenscyclus van het product wordt deze complexiteit behapbaar. Ook geven de organisaties aan dat – om de onzekerheid te beperken – het noodzakelijk is om zo spoedig mogelijk het initiatief in de markt te testen. De wijze waarop dit gebeurt verschilt onderling sterk. Bij Bugaboo gebeurt dit via een minimum viable product. Auping heeft sneller een product op de markt kunnen brengen door het circulaire initiatief onder een andere naam te lanceren en zo een reputatierisico te beperken.

4.2. Barrières

4.2.1. Financiering

Wat werd bij de verschillende initiatieven onderkend met betrekking tot de in de literatuur genoemde barrières bij het financieren? Het belang van de aantoonbaarheid van winstgevendheid van de circulaire initiatieven blijkt uit de gehouden interviews.

Met betrekking tot de onzekerheden in het bespreken van de businesscase met financiers kwamen de volgende aspecten naar voren:

  • De complexiteit van het bedrijfsmodel is vergoot. De hogere complexiteit van het bedrijfsmodel blijkt uit de noodzakelijkheid van het opzetten van een ecosysteem met diverse partners, wat een langere en minder voorspelbare doorlooptijd impliceert.
  • Gebrek aan vergelijkbare bedrijven met financiering. Als barrière wordt vergelijkbaarheid alleen door Solarge benoemd. Solarge loopt, zo geven zij zelf aan, ‘op de troepen vooruit’ en dat geeft onzekerheid voor financiers. Doordat Solarge al eerder vreemd vermogen heeft kunnen aantrekken, is de betrouwbaarheid van Solarge als partij vergroot voor volgende financieringsrondes.
  • Onzekerheden met betrekking tot retourstromen. Er zijn onzekerheden als het gaat om de retourstroom, zowel bij Bugaboo, Solarge, Berkvens als Niaga. Bij allemaal is de vraag: wanneer komt het product terug en wat is de waarde van de materialen wanneer het product terugkomt? De onzekerheid hierover maakt het lastig om een businesscase of bedrijfsmodel op te bouwen voor de recyclingpropositie. Er wordt waarde gezien in het terugkrijgen van de materialen, maar het kwantificeren daarvan is lastig. Bij zonnepanelen zit hier nog een extra complicerende factor bij, aangezien de technologie elk jaar 8% goedkoper en 2% efficiënter wordt, wat kan leiden tot een andere incentive qua timing om panelen toch te vervangen. Algemene conclusie is dat er geloof is dat er een business te maken is op het gebied van de retourstromen, maar door de relatief lange levensduur van de producten is de inschatting hoe dat er precies uit gaat zien vandaag heel moeilijk te maken. Het sneller op de markt brengen levert de nodige ervaringen op die gebruikt worden in de onderbouwing van de businesscase.
  • Bestaand systeem van risicomanagement van financiers past niet bij dit nieuwe type business. De bestaande risicomanagementsystematiek van financiers komt als een barrière naar voren bij Bikeflip, waar ze zien dat de financieringsbronnen, zoals een ontwikkelingsmaatschappij, een heel lange looptijd hebben van aanvraag tot toekenning. Terwijl deze bronnen nodig zijn om de startup-fase door te komen en te kunnen gaan schalen. Naast barrières die betrekking hebben op de onzekerheid van de businesscase worden in de literatuur ook bedrijfseconomische obstakels genoemd.
  • Materialen van gerecycled materiaal zijn duurder dan virgin materialen. Het probleem – van een hogere kostprijs van materialen die nodig zijn voor circulariteit ten opzichte van niet duurzame materialen – geldt specifiek bij Niaga. Daar speelt het probleem dat materialen die gemakkelijker zijn om te recyclen vaak ook duurder zijn. Als je materialen mixt, is het mogelijk om goedkopere materialen toe te voegen en zo kosten te besparen en prestaties op hetzelfde niveau te houden. Daarnaast neemt de vraag naar gerecyclede materialen toe, wat de prijs van gerecycled materiaal weer verhoogt. Dit maakt de businesscase voor financiering lastig. Bij de productiekosten van virgin materialen zijn de externaliteiten (zoals vervuiling en uitstoot) van de productie niet meegenomen, terwijl de kosten voor de virgin materialen zelf wel worden doorberekend. Bij Auping is juist recycling bedrijfseconomisch aantrekkelijk. Het produceren met gerecyclede matrassen is aanzienlijk voordeliger dan het produceren van matrassen met nieuwe grondstoffen.
  • Langere terugverdientijd door het switchen naar PAAS. Drie organisaties (Bugaboo, Bikeflip, Auping) hebben initiatieven ontplooid om naar een pay-as-a-servicse (PAAS) model over te stappen en ervaren de problematiek van een langere terugverdientijd. Een langere terugverdientijd door het switchen naar PAAS komt voor bij Bugaboo en Bikeflip. Het geld moet verdiend worden over de gehele looptijd van de service, in tegenstelling tot direct sales waar de opbrengst gerealiseerd wordt bij de verkoop. Bugaboo heeft daarom naast het leaseconcept direct sales en Bikeflip heeft sociale fietsprojecten vanuit gemeenten die leiden tot een directe verkoop. Bij Berkvens is de toegevoegde waarde in verhouding tot de totale investering voor de klant gering en heeft de klant geen prikkel om te leasen in plaats van te kopen. Daarnaast is de gebruiker weer een andere partij dan de klant van Berkvens. Daarom is een PAAS-oplossing moeilijk implementeerbaar. Bij Auping was er sprake van een te succesvol leaseconcept. Het leaseconcept is gestopt, omdat de uitstaande consumentenfinanciering problematisch werd. Naast de langere terugverdientijd en extra financieringsbehoefte was er ook sprake van een toegenomen kredietrisico dat een rol speelde bij het stoppen van het aanbieden van het leaseconcept.
  • Te grote investering voor productontwikkeling. Te grote investeringen als barrière tot het schalen komen slechts bij enkele initiatieven naar voren, waarbij het initiatief betrekking had op het ciriculairder maken van een bestaand product. Bij Auping wordt een omvangrijke investering genoemd in relatie tot aanpassen van de productielijn. Ook bij Niaga wordt genoemd dat het omschakelen naar een circulair product betekent dat schonere, maar ook duurdere materialen moeten worden gebruikt, wat de variabele productkosten hoger maakt. Het overschakelen op een nieuwe technologie vergt naast de investering in apparatuur en materialen ook het leren werken met de techniek. Dit kost in eerste instantie tijd en dus geld. Bugaboo geeft juist aan dat voor hun initiatief grote investeringen vooraf niet per se nodig zijn en er gewerkt kan worden met MVP’s, waarbij snel kan worden geleerd en worden aangepast. Dan kan er een businesscase en bedrijfsmodel worden opgebouwd wat winstgevend wordt. De grote investering wordt pas gedaan wanneer er genoeg bewijs is uit de markt dat het concept werkt.

4.2.3. Barrières in relatie tot management control

Het geloof dat circulariteit noodzakelijk is, speelt een belangrijke rol bij alle organisaties. Het belang van cultuur als managementcontrolmechanisme wordt in alle cases herkend. Het zoeken naar winstgevendheid, gegeven het toepassen van circulaire initiatieven, blijkt uit de gesprekken. Het belang van ‘tone at the top’ wordt door de geïnterviewde medewerkers, die tot de top van de organisatie kunnen worden gerekend, erkend. Aandeelhouders, eigenaren/ families, RVC, CEO worden allemaal benoemd als belangrijke pleitbezorgers van het circulaire gedachtegoed. In een aantal interviews worden de cultural controls zelfs benoemd als kritieke succesfactor voor het schalen van het circulaire initiatief. Dit hangt ook samen met het gegeven dat de oorsprong van de circulaire initiatieven soms uit frustratie is ontstaan. Bij Bikeflip bijvoorbeeld ontstond er frustratie over het feit dat de 3.8 miljoen gebruikte fietsen die over zijn (nog goed zijn), wel worden weggegooid. Duurzaamheid en de wens tot circulariteit zit in het DNA van veel van de cases. Aanpassingen op – en belemmeringen van – aanwezige formal controls, worden weinig benoemd. Bugaboo geeft ook aan dat de normale processen, gericht op de running business, niet “fit for purpose” zijn voor de circulaire initiatieven. Processen zullen dus moeten worden aangepast naar de complexere organisatie van een circulair initiatief.

4.2.4. Barrières buiten directe invloed van de organisatie

4.2.4.1. Institutionele barrières

In de cases zijn de institutionele barrières hoog. Alhoewel circulariteit maatschappelijk steeds relevanter wordt gevonden en de legitimiteit hoog is, wordt er ervaren dat het financieel nog steeds aantrekkelijk is om geen “groene” keuzes te maken. De consument kiest, volgens alle bedrijven, nog steeds op prijs en als het groene alternatief duurder is, dan wordt het niet gekozen. Stimulering van circulaire initiatieven met behulp van subsidies blijft achter.

Uit de initiatieven blijkt dat de praktijk en de regelgeving achterlopen en niet in lijn zijn met het overheidsbeleid om circulariteit te bevorderen of af te dwingen. Ook is er tegenwerking van grote partijen gevoeld die een belang hebben bij het handhaven van de status quo. Zo is er in de tapijtmarkt een lobby geweest voor de status quo. Ook Auping geeft aan dat er angst en weerstand is vanuit de gevestigde orde.

Bij Solarge komt naar voren dat de huidige financiers van zonnepanelendaken vaak eisen rondom de financiële stabiliteit stellen. Dit wordt vertaald naar een verplichte rating die leveranciers moeten hebben. Solarge voldoet hier niet aan, wat het heel moeilijk maakt voor de eindklant om een dak te financieren met circulaire zonnepanelen van Solarge. Daardoor kiezen de gebouweigenaren voor andere producenten die geen circulair of een low-carbon alternatief hebben, maar wel een triple A-status. Dit kan worden gezien als een vorm van ‘coercive isomorphism’; dwang om gelijkvormige standaarden te hanteren om de legitimiteit te verhogen (DiMaggio and Powell 1983).

Alhoewel de overheid circulariteit beleidsmatig wil bevorderen, wordt circulariteit in (overheids)aanbestedingen nog niet standaard als verplichting meegenomen. Er komt wel wetgeving aan (eco-design, extended producer responsibility), maar dit is een lang proces en de organisaties merkten hiervan nog weinig tot geen effect.

Ook blijkt bestaande regelgeving en naleving daarvan nog vaak een probleem. Bij zonnepanelen geldt bijvoorbeeld dat een zonnepaneel wordt gezien als elektrisch apparaat, waarvoor een standaard verwijderingsbijdrage geldt. De verwijderingsbijdrage is echter zo laag dat het lang niet genoeg is om de recycling er ook mee uit te voeren. Vervolgens moet iedereen die een zonnepaneel levert lid zijn van de stichting die het retourproces faciliteert en organiseert. Echter, hierop wordt niet gehandhaafd, wat een ‘level playing field’ niet bevordert.

Bij Berkvens komt naar voren dat het ontbreken van standaardisatie problematisch is. Er zijn geen standaardmaten voor deuren, hetgeen de herbruikbaarheid lastiger maakt.

Ook worden er de verslaggevingsproblemen en onzekerheden onderkend. Bij Solarge komt naar voren dat volgens hen de boekhoudkundige regels niet helder zijn voor producten die je vandaag in de markt zet maar straks gaat terugkrijgen. Is hierbij sprake van een verplichting en moet dit leiden tot het opnemen van activa- en passivaposities op de balans? Dit vereist het inhuren van specifieke expertise om met deze onzekerheid om te gaan.

Bij Solarge worden ook positieve ontwikkelingen in regelgeving genoemd, waar zij baat bij hebben. De zonnepanelen van Solarge zijn opgenomen als de meest low-carbon van Nederland in de nationale milieudatabase. Inmiddels is er een Wet milieuprestatie gebouwen (MPG), en daarin is een CO2-budget opgenomen. Het gebruik van panelen die een lage CO2 hebben, helpt om te bouwen binnen het gestelde CO2-budget. Op deze manier heeft de wetgever wel CO2 ingeprijsd, maar via een CO2-budget. De vraag is wel: hoe wordt CO2 geprijsd en wat gaat het emissiehandelssysteem (ETS) doen? Ten tijde van het onderzoek was dit nog onzeker.

4.2.4.2. Infrastructurele barrières

Uit de gesprekken blijkt dat het uitwisselen en hergebruik van materialen wordt beperkt door onduidelijkheid rondom retourstromen. Maar aangegeven wordt dat de retourstromen wel georganiseerd kunnen worden of zelfs al goed georganiseerd zijn (Gulpener). Uiteindelijk vormt dit niet de grootste barrière.

Bij Bugaboo wordt gemeld dat er nog helemaal geen platform voor tweedehands kinderwagens is, zoals bij auto’s of fietsen. Het ontbreken van deze infrastructuur draagt eraan bij dat het product tweedehands als kwalitatief minderwaardig wordt gezien. Deze kwaliteitsperceptie of het bewustzijn van de circulaire mogelijkheden bij de eindgebruiker wordt als een barrière genoemd. Het ontbreken van de infrastructuur bij Niaga geeft aan dat er ook nog veel onduidelijkheid is bij de eindgebruikers over wat de standaardkwaliteit van het product moet zijn. Zij weten vaak niet wat de betere keuze is en er is veel “greenwashing” in de markt.

Gulpener merkt dat de aansluiting op het energienetwerk lastig is. De noodzakelijke omschakeling naar een warmtepomp was niet mogelijk doordat de aansluiting door de netbeheerder niet wordt vrijgegeven.

4.2.4.3. Maatschappelijke barrières

Het geen rekening houden met het einde van de levensduur van het product is volgens de taxonomie van Masi et al. (2018) een maatschappelijke barrière. Bij de bedrijven in dit onderzoek wordt juist rekening gehouden met het einde van de levensduur door specifieke aanpassingen te maken ten behoeve van hergebruik (Bugaboo), het aantal onderdelen te verminderen (Berkvens), of een circulair product te ontwikkelen, of zo te ontwerpen dat het meerdere cycli herbruikbaar is (Auping en Solarge).

Bikeflip heeft als enige aangegeven dat het gebrek aan beschikbaar technisch geschoold personeel een barrière is. De circulaire economie zou steeds meer moeten hergebruiken en vaak is daar technisch personeel voor nodig en daar is een tekort aan. Bikeflip lost dit op door de combinatie te maken met een leer-werkbedrijf.

De beperkte beschikbaarheid en constante kwaliteit van gerecyclede materialen komen ook naar voren als een barrière. Bij de zonnepanelen is er gewoonweg te weinig materiaal beschikbaar.2 Bij Niaga wordt gerecycled polyester duurder door de hoge vraag.

4.2.4.4. Technologische barrières

De in het conceptuele raamwerk genoemde soorten technologische barrières komen niet naar voren in de casestudies. Wel zijn er nog enkele andere barrières benoemd die gelinkt zijn aan technologie.

Zo wilde Gulpener overschakelen op een warmtepomp om van het gas af te kunnen en een zo duurzaam mogelijk brouwhuis operationeel krijgen, maar er was nog geen techniek beschikbaar bij de warmtepompproducenten die het brouwproces kon ondersteunen. Er was dus technologieontwikkeling nodig om te kunnen verduurzamen.

Bij Bikeflip ontbreekt de specifieke software. De tweedehandsfietsen die Bikeflip weer beschikbaar stelt zijn allemaal uniek, wat administreren lastig maakt. Daarbij geldt voor alle fietsen dat de voorraad 1 is. Dus als een fiets gekozen wordt op de website, moet die er gelijk af. Er is geen software beschikbaar om hier goed mee om te gaan.

Bij Solarge wordt aangegeven dat er verschillende technologische oplossingen zijn en dat het niet duidelijk is wat de winnende technologie voor recycling van kunststoffen zal gaan worden. Dit is voor Solarge de belangrijkste ontbrekende component.

In Figuur 2 zijn de belangrijkste resultaten opgenomen en de beïnvloedingsmogelijkheden van organisaties.

Figuur 2.

Belangrijkste conclusies over thema’s en barrières.

5. Lessen en conclusie

5.1. Lessen

Welke lessen kunnen er worden getrokken vanuit deze zeven cases met betrekking tot het starten en schalen van circulaire initiatieven?

Keuzes voor het juiste bedrijfsmodel (1)

De keuzes voor het bedrijfsmodel zijn van groot belang voor het wel of niet kunnen schalen van het initiatief. Een bedrijfsmodel met alleen lease of PAAS is moeilijk, omdat er een liquiditeitsprobleem kan optreden door de langere periode waarover de inkomsten worden uitgesmeerd. Het combineren van verschillende bedrijfsmodellen kan zorgen voor een constantere inkomstenstroom. Vervolgens kan het splitsen van de bedrijfsmodellen per deel van de levenscyclus ervoor zorgen dat de complexiteit te begrijpen is en dat er per levenscyclus een businesscase wordt opgebouwd die op zichzelf positief is.

Welk bedrijfsmodel ook gekozen wordt, de waarde propositie moet breder zijn dan alleen circulariteit. Zonder een extra waarde propositie of een concurrerende prijs en performance, is het circulaire initiatief niet levensvatbaar in de huidige markt. De oplossing van Nußholz (2018), om bedrijfsmodellen per fase te maken, blijkt ook in de onderzochte organisaties te worden toegepast en dit helpt hen om de bedrijfsmodellen gefaseerd te toetsen en te implementeren.

Zorgen voor een goede businesscase (2)

Per bedrijfsmodel moet een businesscase worden opgebouwd die goed genoeg is op zichzelf. Dit betekent dat er per levenscyclus van het product een businesscase moet zijn. Het is verstandig om bij de eerste fase van de levenscyclus (de eerste productintroductie), niet direct de waarde mee te nemen van de retourstromen. Dit maakt het bedrijfsmodel complex en de businesscase onzeker. In principe moet er voor de eerste verkoop van het product een positieve businesscase zijn. Daar hoort bij dat dit waarschijnlijk niet mogelijk is met dezelfde marges en winsten als de bestaande (running) business, die al volledig is geoptimaliseerd. Doordat de eerste circulaire producten vaak duurder zijn en investeringen nodig hebben, moet het een bewuste keuze zijn om vooraf te willen investeren. Initieel vraagt de implementatie en ontwikkeling van een circulair initiatief om een investering, maar het bedrijfsmodel moet uiteindelijk leiden tot een positieve businesscase.

Separaat bedrijfsmodel en businesscase voor de retour­stroom (3)

De complexiteit door de retourstromen is hoog, omdat het lastig is in te schatten wanneer producten terugkomen, wat de kosten zijn van het recyclen of hergebruiken en wat de waarde is van de toekomstige materiaalstromen. Hiervoor moeten flexibele modellen worden ontwikkeld waar de aannames op deze componenten makkelijk kunnen worden aangepast, naarmate het bedrijf meer leert over de retourstroom en de verwerking hiervan. Om een positieve businesscase op de retourstroom te kunnen realiseren, kan het nodig zijn om het productdesign van de eerste introductie aan te passen. De verwachting is dat wanneer producten zijn ontworpen met het einde van de levensduur in gedachte, met bewijzen voor het kunnen recyclen op schaal, er vanzelf een oplossing gaat komen voor de retourstroom.

Als het gaat om de retourstroom kunnen bedrijven ook juist kiezen om het bedrijfsmodel te bouwen op upcycling van een beschikbare reststroom en dan zo lang mogelijk een product in de loop houden, zoals bij Bikeflip. Dan is er voorlopig genoeg materiaal beschikbaar, zijn de inkoopkosten laag en kan het initiële bedrijfsmodel worden opgebouwd rondom de reststroom. Bikeflip laat dus zien dat er een businesscase en bedrijfsmodel zitten in het verwerken van een reststroom.

Werken met MVP’s, snel leren en aanpassen (4)

Wat minder uit het literatuuronderzoek voor de barrières naar voren komt is het belang van MVP’s. Als het gaat om productontwikkeling, komen innovatieve oplossingen vaak van bedrijven met eigen R&D-afdelingen. Een probleem wat zich hierbij kan voordoen is dat de R&D-afdeling een product wil opleveren wat 100% perfect is. Door snel marktvalidatie te doen, door te testen met een MVP en aanpassingen snel te maken, is de kans op succes groter. Daarnaast helpen MVP’s om de kosten voor het creëren van bewijs in de markt lager te houden. Daarbij komt dat als de eerste circulaire initiatieven in de markt worden gezet, het ecosysteem ook gaat bewegen en er markttractie ontstaat. Het is dus belangrijk dat bedrijven innovaties ook durven implementeren, anders gaan dit soort innovaties niet schalen.

Zoeken naar win-win in de keten (5)

De complexiteit van het bedrijfsmodel is vergroot, maar dit is inzichtelijk te maken. Bedrijven moeten bewust een win-win zoeken met partners in de keten, en kunnen niet alles alleen doen. Dit kunnen bedrijven organiseren via het opzetten van een winstdelingsmodel in de keten. Competenties die een bedrijf niet in huis heeft, moeten via partners georganiseerd worden.

Focus op cultural controls (6)

De cultural controls zijn essentieel in het ontwikkelen, starten en schalen van circulaire initiatieven. Oprecht de verantwoordelijkheid willen nemen voor de impact die je maakt als bedrijf op ESG is essentieel, om circulaire initiatieven te laten slagen. Hier hoort vaak bij dat er een aanloopinvestering moet worden gedaan en dat er op de korte termijn dus lagere resultaten zullen zijn.

Overige aanbevelingen

Overige aanbevelingen vanuit het onderzoek: om het ecosysteem te creëren voor circulaire initiatieven is het belangrijk om ervoor te zorgen dat het bedrijf in de keten een bekende naam in de markt heeft om te kunnen schalen. Een bekende naam leidt namelijk tot legitimiteit, en dat is een belangrijk onderdeel om de markt in beweging te krijgen (DiMaggio and Powell 1983).3

5.2. Conclusie, beperkingen en mogelijk vervolg­onderzoek

Dit onderzoek heeft op basis van verschillende wetenschappelijke papers in beeld gebracht wat de grootste barrières zijn als het gaat om het starten en schalen van circulaire bedrijfsmodellen. Vervolgens is voor zeven bedrijven met zeer verschillende initiatieven en in verschillende ecosystemen nagegaan óf en hoe deze barrières een rol hebben gespeeld bij het starten en schalen van hun circulaire initiatieven.

Er is geen onderzoek gedaan naar niet gestarte initiatieven, waarbij bijvoorbeeld geen financiering gevonden kon worden. De verschillende toepassingen van circulaire initiatieven, nieuwe producten, aanpassing van bestaande producten of het meer circulair maken van het productieproces laten geen specifieke patronen zien van barrières die de organisaties zijn tegengekomen.

Het onderzoek is exploratief en gelimiteerd tot zeven bedrijven in een eigen ecosysteem met bedrijfstakspecifieke kenmerken en in verschillende stadia in de levenscyclus van het circulaire initiatief. Het empirische onderzoek laat zien welke barrières deze organisaties zijn tegengekomen en hoe zij hiermee zijn omgegaan, maar het heeft gegeven het exploratieve karakter een zeer beperkte mate van externe validiteit in de voorspelbaarheid van barrières voor individuele organisaties.

Ook al is de sample klein en de externe validiteit laag, de gedeelde ervaringen van deze zeven organisaties hebben wel praktische waarde voor organisaties die circulaire initiatieven willen opstarten. Met name doordat in dit onderzoek is gekeken hoe de huidige concepten die in de bedrijfseconomische praktijk worden gebruikt, kunnen helpen om de barrières voor het starten of opschalen van circulaire initiatieven kunnen verlagen of wegnemen. De belangrijkste conclusie is om het gehele circulaire model in stukken te knippen en per onderdeel van de levenscyclus een goed werkend bedrijfsmodel en businesscase te ontwikkelen. Dan wordt het complexe geheel behapbaar en kan er gefaseerd worden toegewerkt naar circulaire concepten. Circulaire concepten die beter zijn voor mens en milieu, maar ook goed zijn voor de economie en de portemonnee van de bedrijfseigenaar. Hierbij geven de geïnterviewden aan dat het financiële resultaat van het circulaire initiatief en ook de retourstromen positief moeten zijn.

Met betrekking tot de financiering kan het switchen naar Product As A Service (PAAS) problematisch zijn voor de financiering van het initiatief door de langere terugverdientijd in combinatie met een hoge mate van onzekerheid over de toekomstige opbrengstenstromen. Deze barrière wordt verlaagd in de case-organisaties door het bedrijfsmodel van PAAS te combineren met een direct sales-oplossing.

De invloed van de institutionele barrières bij de organisaties blijkt groot. Het overheidsbeleid blijkt op veel aspecten nog geen barrières weg te nemen en de keuze om niet circulair te werken is daardoor vaak goedkoper en eenvoudiger. Het geloof en de inzet van de organisaties om het circulaire initiatief succesvol te maken ondanks deze institutionele beperkingen was voelbaar in de interviews.

Veel concepten in dit onderzoek hebben een lange levensduur, zoals matrassen (7–10 jaar), een deur (15–30 jaar), een tapijt (7–10 jaar) en een zonnepaneel minimaal 15 jaar. Alleen een kinderwagen (2–5 jaar) en een kinderfiets (1–3 jaar) kennen een kortere levensduur. Door de langere levensduur en dus retourstromen die pas in de verdere toekomst op gang komen, is de noodzaak voor het ontwikkelen van een bedrijfsmodel voor de retourstromen minder urgent. De bedrijven willen wel aantonen dat het mogelijk is, maar vandaag al rekenen met wat er over tien jaar terugkomt blijkt heel moeilijk. Vervolgonderzoek naar initiatieven met producten van een kortere levensduur, zoals “fast moving consumer goods”, is waardevol omdat hier op kortere termijn een rendabel bedrijfsmodel voor de retourstromen noodzakelijk is.

B. Verschuren MSc RC – Brigit is CFO Lanhandling Technologies.4

Prof. dr. A van de Ven RA – Arco is hoogleraar Internal Control & Accounting Information Systems bij TIAS School for Business and Society, Tilburg University en partner ACN Management Consultants BV.

Noten

1

Sinds februari 2025 zijn er door de Europese Commissie (2025) voorstellen gedaan om de regelgeving te vereenvoudigen. De impact van deze voorstellen op de verantwoording met betrekking tot circulariteit is op het moment van schrijven nog niet uitgekristalliseerd.

2

De vraag naar zonnepanelen is na de uitvoer van het empirisch onderzoek door de afbouw van de salderingsregeling sterk afgenomen door onzekerheid bij consumenten over de terugverdientijd.

3

Het valt buiten de scope van dit onderzoek om in te gaan op de verschillende wijzen waarop legitimiteit kan worden bevorderd, zoals de door DiMaggio en Powell onderkende mechanismen van dwang, imitatie en normatieve druk.

4

Het artikel is gebaseerd op de afstudeerscriptie van Brigit voor de RC-opleiding bij TIAS School for Business and Society.

Literatuur

  • Aboulamer A, Soufani K, Esposito M (2020) Financing the circular economic model. Thunderbird International Busisness Review 62(6): 641–646. https://doi.org/10.1002/tie.22123
  • Bocken NMP, Schuit CSC, Kraaijenhagen C (2018) Experimenting with a circular business model: Lessons from eight cases. Environmental Innovation and Societal Transitions 28: 79–95. https://doi.org/10.1016/j.eist.2018.02.001
  • DiMaggio PJ, Powell WW (1983) The Iron Cage Revisited: Institutional isomorphism and collective rationality in organizational fields. American Sociological Review 48(2): 147–160. https://doi.org/10.4324/9781315247533-34
  • EFRAG (2023) ESRS E5 Resouce Use And Circular Economy. ed. EFRAG.
  • Hanemaaijer A, Kishna M, Koch J, Lucas P, Rood T, Schotten K, Van Sluisveld M (2023) Integrale Circulaire Economie Rapportage 2023. Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).
  • KPMG (2022) KPMG Whitepaper Circular economy as a new lens to business. Aangevraagd via Circular economy as a new lens to business – KPMG Nederland en ontvangen via e-mail 26 augustus 2022.
  • Masi D, Kumar V, Garza-Reyes JA, Godsell J (2018) Towards a more circular economy: exploring the awareness, practices, and barriers from a focal firm perspective. Production Planning & Control 29(6): 539–550. https://doi.org/10.1080/09537287.2018.1449246
  • Mishra A, Dutta P, Jayasankar S, Jain P, Mathiyazhagan K (2022) A review of reverse logistics and closed-loop supply chains in the perspective of circular economy. Benchmarking: An International Journal 30: 975–1020. https://doi.org/10.1108/BIJ-11-2021-0669
  • Murray A, Skene K, Haynes K (2017) The Circular Economy: An interdisciplinary exploration of the concept and application in a global context. Journal of Business Ethics 140(3): 369–380. https://doi.org/10.1007/s10551-015-2693-2
  • Nabielek P, De Vries R, Huitzing H (2022) Instituties in transformatief beleid: een analysemethode, Achtergrondrapport bij de Lerende Evaluatie Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland. Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).
  • Nußholz JLK (2018) A circular business model mapping tool for creating value from prolonged product lifetime and closed material loops. Journal of Cleaner Production 197: 185–194. https://doi.org/10.1016/j.jclepro.2018.06.112
  • Owen R, Brennan G, Lyon F, Harrer T (2021) Financing Cleantech SME Innovation: Setting an Agenda. IEEE transactions on engineering management 68(4): 1168–1172. https://doi.org/10.1109/TEM.2020.3005702
  • Ries E (2011) The Lean Startup: How Today’s Entrepreneurs Use Continuous Innovation to Create Radically Successful Businesses. Crown Business.
  • ​Scheepens W, Van Olffen W, Schumacher M, Van Hout E, Minderman M [Red.] (2022) Tijd voor transitie: 25 inzichten voor business & society. TIAS, School for Business and Society.
  • Svensson N, Funck EK (2019) Management control in circular economy. Exploring and theorizing the adaptation of management control to circular business models. Journal of Cleaner Production 223: 390–398. https://doi.org/10.1016/j.jclepro.2019.06.089
  • Vermunt DA, Negro SO, Verweij PA, Kuppens DV, Hekkert MP (2019) Exploring barriers to implementing different circular businessmodels. Journal of Cleaner Production 222: 891–902. https://doi.org/10.1016/j.jclepro.2019.03.052

Bijlage 1

Tabel A1.

Thema’s voor interviews, afgeleid uit het literatuuronderzoek.

Algemeen
Type initiatief Bepalen bij bedrijf
Reden om circulair initiatief te starten Bepalen bij bedrijf
Bedrijfsmodellen
Welke bedrijfsmodellen toegepast? Bepalen bij bedrijf
BMC gebruikt en volgende toegevoegd? Bocken et al. (2018)
• Waardepropositie uitgebreid met planet & people?
• Kosten uitgebreid met retourstromen
• Opbrengsten uitgebreid met retouropbrengsten
Meerder BMC’s gebruikt per levenscyclus/ per moment van de fase van het product? Nußholz (2018)
Financiering
Langere terugverdientijd door switch van direct sales naar pay per use Bocken et al. (2018)
Complexiteit bedrijfsmodel is vergroot Sandberg and Hultberg (2021) Vermunt et al. (2019)
• Meer stakeholders
• Verschillende waarde proposities
• Verschillende levenscycli
Eigenaarschap voor retourstroom
Bestaand risicomanagement van financiers past niet bij dit nieuwe type business Aboulamer et al. (2020)
Betrouwbaarheid van het financiële model is niet goed genoeg Aboulamer et al. (2020) Masi et al. (2018) Vermunt et al. (2019)
Gebrek aan vergelijkbare bedrijven die al wel financiering hebben gehad voor een circulair initiatief
Onzekerheden met betrekking tot retourstromen in relatie tot:
• Waardering/waarde
• Timing/wanneer komt het terug
• Hoe vaak tel je de cirkel mee
Betreft vaak netwerkorganisaties met weinig eigen assets, wat financiering lastig maakt
Tijdshorizon van financiers is 5–7 jaar max maar initiatieven hebben vaak langere aanlooptijd
Te grote investeringen nodig voor productontwikkeling
Er worden geen doorrekeningen toegepast op CO2-impact, dus het doet niet genoeg pijn Svensson and Funck (2019) Masi et al. (2018)
Materialen van gerecycled materiaal zijn duurder dan virgin materialen
Cultural controls
In de cultuur is de circulariteitgedachte ingebed door meer communicatie en het creëren van intrinsieke motivatie. Svensson and Funck (2019) Masi et al. (2018)
Er is niet genoeg tone at the top over circulariteit
Formal controls
Aanpassingen van strategische doelen t.b.v. circulariteit Svensson and Funck (2019) Masi et al. (2018)
Implementeren van KPI’s voor circulariteit
Aanpassingen in maken van budgetten
Beloningssysteem aangepast
Planningsprocessen aangepast naar complexere organisatie
Institutionele barrières
Oneerlijke marktwerking Masi et al. (2018) Vermunt et al. (2019)
Overheden subsidiëren nog steeds lineaire business
Circulariteit is niet goed geïntegreerd in innovatiesubsidies
Wetgeving m.b.t. concurrentie maakt samenwerking lastig
Recyclingbeleid helpt niet
Weinig tot geen toepassing in de praktijk van duurzame bedrijfsmodellen
Infrastructurele barrières
Geen platform om informatie te delen van de verschillende stakeholders Masi et al. (2018) Vermunt et al. (2019)
Vertrouwen en vertrouwelijkheid als barrière om informatie te delen
Uitwisselen van materialen gelimiteerd, want er is nog niet nagedacht over de return flows/is niet georganiseerd
Niet genoeg kennis over wat nodig is/urgentie wordt niet ervaren om voor circulair alternatief te kiezen
Tegenwerking van grote partijen – belang bij status quo
Maatschappelijke barrières
Te weinig aandacht in ontwikkeling voor het einde van de levensduur van een product Masi et al. (2018) Vermunt et al. (2019)
Beperkte beschikbaarheid en kwaliteit van gerecycled materiaal
Technologische barrières
Lastig om verschil te maken tussen bio en tech cirkel – onduidelijkheid voor de klant/ gebruiker Masi et al. (2018) Vermunt et al. (2019)
Lineaire technologie is meest vertrouwd en gebruikt – circulair is spannend
login to comment