Research Article |
|
Corresponding author: Diane Zandee ( diane@zandee.nu ) Academic editor: René Orij
© 2024 Diane Zandee.
This is an open access article distributed under the terms of the Creative Commons Attribution License (CC BY-NC-ND 4.0), which permits to copy and distribute the article for non-commercial purposes, provided that the article is not altered or modified and the original author and source are credited.
Citation:
Zandee D (2024) Transparantie in de circulaire economie onder de CSRD: de kloof tussen richtlijnen en realiteit. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 98(7): 451-458. https://doi.org/10.5117/mab.98.130871
|
In 2024 moeten beursgenoteerde bedrijven volgens de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) rapporteren over hun duurzame prestaties, waaronder over de circulaire economie (CE). Kwalitatief onderzoek bij koplopers in CE binnen de bouwsector toont dat interne factoren (strategische impact, organisatie-integratie, gedragsverandering) en externe factoren (positionering, beïnvloeding van condities, complexiteitsreductie) cruciaal zijn voor succes. Deze factoren zijn getoetst aan de CSRD-standaard ESRS E5, die onderwerpen voor CE-rapportage voorschrijft. Het onderzoek wijst uit dat de brede formulering van de richtlijn veel ruimte laat voor interpretatie, wat de vergelijkbaarheid van prestaties tussen bedrijven op het gebied van circulaire economie bemoeilijkt.
CSRD, Circulaire Economie, duurzame prestaties
De nieuwe CSRD bevat een grote hoeveelheid datapunten om duurzame prestaties beter vergelijkbaar te maken. Voor bedrijven en stakeholders is het essentieel te bepalen welke elementen aantonen of de circulaire economie op succesvolle wijze wordt nagestreefd.
In 2030 wil Nederland voor 55% circulair zijn en in 2050 100% (
In de afgelopen decennia is een sterke stijging in het gebruik van grondstoffen waargenomen, wat naar verwachting zal leiden tot toenemende schaarste van ruwe materialen in de toekomst (
De complexiteit van de transitie naar een CE wordt veroorzaakt door diepgewortelde patronen in de huidige lineaire economie (
In de afgelopen decennia hebben organisaties steeds meer informatie over hun duurzame prestaties opgenomen in hun jaarverslagen (
De overgang naar een circulaire economie is complex en beïnvloedt veel aspecten van de samenwerking binnen complexe waardeketens. Dit roept de vraag op of deze complexiteit voldoende wordt geadresseerd in ESRS E5. Daarom richt dit onderzoek zich op de vraag:
“Hoe ondersteunen de ESRS E5-indicatoren het inzicht in de stappen die een organisatie kan nemen om van een lineaire naar een circulaire economie te evolueren?”
Dit onderzoek is gebaseerd op casestudies van zeven organisaties in de bouwsector die al enkele jaren zichtbaar bezig zijn met de circulaire economie, wat blijkt uit hun jaarverslagen en mediaberichten. De initiatieven die deze organisaties hebben genomen en de patronen die daarbij zichtbaar worden, zijn getoetst aan de ESRS E5-indicatoren om te bepalen of deze voldoende inzicht bieden in de complexiteit van de transitie naar een circulaire economie.
In dit artikel worden eerst de principes van de circulaire economie en de ESRS-vereisten voor rapportage over de CE volgens richtlijn ESRS E5 toegelicht. Vervolgens wordt in paragraaf 3 de methodologie van het onderzoek beschreven, waarna de resultaten worden gepresenteerd in paragraaf 4. Paragraaf 5 staat in het teken van discussie; hierin worden de inzichten uit de literatuur en het onderzoek besproken. Paragraaf 6 besluit met het antwoord op de onderzoeksvraag en de conclusies.
Ondanks de inspanningen van de afgelopen jaren om grondstoffen te recyclen en producten te hergebruiken, blijkt uit het jaarlijks uitgevoerde Circularity Gap-onderzoek dat wereldwijd slechts 7,2% van de grondstoffen hergebruikt wordt. Dit percentage daalt helaas al enkele jaren op rij (
De overgang van een lineaire naar een circulaire economie vereist een complexere verandering dan enkel het implementeren van een innovatief product, wat voor de energietransitie een belangrijke aanjager is geweest (
Om dit nieuwe businessmodel optimaal te implementeren, moeten er extra stappen worden genomen binnen de oorspronkelijke waardeketens, zoals een ander productontwerp, aangepaste logistiek en verbeterde recyclingprocessen. Deze extra stappen brengen kosten met zich mee en vereisen een zorgvuldige organisatie (
Om de circulaire economie (CE) te realiseren, is de Nederlandse overheid een belangrijke aanjager geworden van pilotprojecten op het gebied van CE. Nederland wordt als een koploper gezien vanwege de diversiteit aan projecten (
De overgang van een lineaire naar een circulaire economie (CE) wordt gekenmerkt door verschillende barrières, zoals onvoldoende kennis en kapitaal, de lage grondstofbeprijzing, een gebrek aan prikkels om te veranderen, machtsverschillen in de keten, beperkte marktacceptatie en beperkte informatiebeschikbaarheid (
Investeren in een circulaire economie (CE) biedt het bedrijfsleven aantrekkelijke voordelen. Enerzijds zijn er ecologische voordelen, zoals vermindering van CO2-uitstoot, grondstofgebruik, energieverbruik en waterverbruik. Anderzijds zijn er economische voordelen, waaronder lagere kosten voor nieuwe grondstoffen en afvalverwerking, en verhoogde omzet door positieve reputatie-effecten. Daarnaast biedt CE ook sociale voordelen, zoals het creëren van banen en verbeterde arbeidsomstandigheden (
Schattingen van het potentieel van een CE suggereren naast de grondstofreductie een mogelijke CO2-reductie van 9,3 miljard ton in 2050 door de CE te implementeren in slechts vijf grondstofintensieve sectoren (staal, aluminium, cement, plastic en voeding), wat gelijkstaat aan de reductie van alle transportemissies wereldwijd. Het financiële potentieel van slechts drie sectoren (bouw, transport en voeding) wordt geschat op € 1,8 biljoen in 2030 (
De complexiteit van het meten van CE blijkt uit de literatuur en de diversiteit aan indicatoren. CE kan op verschillende niveaus worden gemeten – micro, meso of macro – en langs verschillende assen, zoals prestaties, impact of perspectief (
De Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) verplicht organisaties vanaf 2024 om te rapporteren over hun Environmental, Social en Governance (ESG)-activiteiten in hun jaarverslag. Vanaf 2024 moeten NFRD-plichtige ondernemingen hieraan voldoen (veelal grote organisaties van openbaar belang (OOB’s)), met ingang van verslagjaar 2025 de overige grote ondernemingen en met ingang van 2026 de beursgenoteerde midden- en kleinbedrijven. Deze introductie zal zorgen voor meer transparantie over de duurzame prestaties van bedrijven. Vanaf het boekjaar 2024 zullen grote organisaties als eerste verplicht zijn om te rapporteren over een breed scala aan ESG-onderwerpen in hun externe jaarverslag (
De Europese Commissie verkende al in 2011 de noodzaak om de transparantie van sociale- en milieu-informatie te bevorderen (
De ESRS bieden een gedetailleerde beschrijving van de te rapporteren onderwerpen. Onder de CSRD-uitwerking ESRS E5 “Resource Use and Circular Economy” wordt per onderwerp uitgebreid beschreven wat verantwoord moet worden (
Daarnaast zal ook kwantitatieve informatie worden gevraagd, die de effecten van de inspanningen ten aanzien van grondstofgebruik weergeeft, inclusief productinflow en productoutflow. Deze informatie moet worden aangevuld met cijfers over afvalvermindering, levensduurverlenging, hergebruik van materialen, en het gebruik van hergebruikte materialen en verpakkingen. Er wordt een kwantitatieve onderbouwing gevraagd van afvalstromen (ESRS E5.37-40), gevolgd door een kwantitatieve onderbouwing van de financiële effecten (ESRS E5.41-43). In de bijlage van de richtlijn staat een opsomming van de te verantwoorden onderwerpen.
Voor organisaties die de komende jaren te maken krijgen met de ESRS-rapportageverplichting en weinig niet-financiële informatie rapporteerden in de afgelopen jaren, zal veel van de gevraagde informatie nieuw zijn. Dit vraagt om begeleiding bij de implementatie. Daarom worden regelmatig nieuwe implementatierichtlijnen of checklists verschaft om organisaties te ondersteunen bij deze rapportagedruk.
Om inzicht te krijgen in de wijze waarop de transitie naar een circulaire economie verloopt vanuit het perspectief van een organisatie en hoe dit in rapportages kan worden weergegeven, is een casestudy uitgevoerd onder bedrijven die al enkele jaren actief zijn op het gebied van de circulaire economie (CE). De bedrijven voor de casestudy werden geselecteerd op basis van hun openbare communicatie over CE-ambities via websites en jaarverslagen. De selectie was breed binnen de bouwsector, aangezien de realisatie van een CE-ecosysteem diverse partnerschappen vereist. Daarom werden bedrijven van verschillende omvang gekozen, met uiteenlopende rollen en posities in de waardeketen. Twee van de bedrijven opereerden internationaal, terwijl de overige vijf voornamelijk in Nederland actief waren.
Alle geïnterviewde bedrijven zijn opgericht in de lineaire economie en staan voor de uitdaging om de transitie naar de CE te maken. Ondanks de verschillende achtergronden en rollen van de organisaties, kwamen er gemeenschappelijke patronen naar voren in het transitiepad naar de CE, wat wijst op theoretische verzadiging. In totaal werden 21 semigestructureerde interviews afgenomen met 29 personen bij zeven organisaties.
Tijdens de interviews werden brede benaderingen van CE-ontwikkeling geïdentificeerd en vastgelegd. De deelnemers varieerden van algemeen managers en duurzaamheidsmanagers tot operationeel managers, projectmanagers en andere functionarissen. Vier interviews hadden meerdere deelnemers en duurden één tot twee uur. Deze gecombineerde bijeenkomsten met diverse achtergronden gaven een breder inzicht in het ontwikkelproces.
De overige interviews werden individueel gehouden en duurden 45 tot 60 minuten. Afhankelijk van de voorkeur van de deelnemers werden de interviews in het Nederlands of Engels gehouden. Met toestemming van de geïnterviewden werden de gesprekken opgenomen en werden aantekeningen gemaakt. De interviewgegevens werden aangevuld met informatie uit secundaire bronnen zoals interne rapporten, jaarverslagen en websites. Openbaar gerapporteerde CE-benaderingen vormden de basis voor een tijdlijn waarin de ontwikkelpaden gestructureerd werden.
Aan de geïnterviewden werd gevraagd om de organisatorische initiatieven en resultaten van de casus te illustreren, evenals de strategische en tactische besluitvormingsprocessen, de rol van partnerschappen, bedrijfsmodellen en de metingen van CE-voortgang. De laatste vraag van elk interview was om de volgende stappen van de organisatie voor de komende jaren te delen, om een inschatting van het vervolgpad te kunnen maken.
Op basis van de patronen in deze ontwikkelpaden zijn thema’s benoemd om de stappen binnen de ontwikkelpaden te kenmerken. Deze thema’s volgden uit een intensieve template-analyse van de data in de eerste fase van het onderzoek. Enerzijds werden er interne ontwikkelpaden gevolgd (ontwikkeling binnen de organisatie), anderzijds externe ontwikkelpaden (ontwikkeling van de organisatie samen met de omgeving). De thema’s die werden onderscheiden zijn:
Deze thema’s zijn getoetst aan de disclosure requirements van ESRS E5, die door EFRAG in een implementatieleidraad zijn samengevat in een Excel-overzicht (
Uit het onderzoek blijkt dat een circulair product aanzienlijk verschilt van een lineair product; niet alleen qua ontwerp, maar vooral in de aansturing vanuit de organisatie. De transitie naar een circulaire economie vraagt zowel om interne als om externe ontwikkeling van de organisatie.
Binnen de interne ontwikkelpaden kwamen de volgende thema’s naar voren:
De externe ontwikkelpaden omvatten de volgende stappen:
Deze inzichten zullen hieronder verder worden toegelicht. Daarna zal worden aangegeven hoe rapportage en data van invloed zijn geweest op de ontwikkeling, gevolgd door confrontatie met ESRS E5.
De transitie van een lineaire naar een circulaire economie (CE) begint intern met strategische borging (intern-1). Vaak ontstaat deze beweging door externe druk, zoals van investeerders die geïnteresseerd zijn in niet-financiële prestaties. Niet altijd komt de strategische ambitie direct van de directie; vaak zijn het individuen binnen de organisatie die de eerste stappen zetten vanuit hun eigen werkveld en visie. Een geïnterviewde beschrijft dit als: “Er is een voedingsbodem voor kennis, vaak gedreven door individuen met persoonlijke interesse.”
Deze kernpersonen starten met laagdrempelige projecten (intern-2), zoals het voorbeeld van “light-as-a-service” bij Project X. Deze initiatieven maken het CE-concept zichtbaar en helpen om abstracte ideeën concreet te maken, wat bijdraagt aan de strategische verankering in plannen en beleid. Het trainen van medewerkers in deze nieuwe manier van denken (intern-3) vormt de basis voor duurzamer gedrag binnen de organisatie.
Alle cases geven aan dat de transitie naar een circulaire economie (CE) als spannend wordt ervaren vanwege de vele veranderingen. Deze spanning komt vooral voort uit de samenwerking in de keten en de open discussie die dit vereist. Klantorganisaties moesten leren om de markt anders te benaderen en hun vragen concreter te maken. Bijvoorbeeld: “We willen in 2025 ons gebruik van grondstof X met 25% verminderen.” Hiervoor werd een materialenpaspoort ontwikkeld, samen met andere bedrijven in de sector, om consistente data-uitwisseling mogelijk te maken (extern-4).
Om de samenwerking met de markt te veranderen, is ook interne samenwerking essentieel (intern-3). Een geïnterviewde zei: “We werkten gestructureerd en kregen steun van asset management en inkoop. Circulariteit is makkelijker te begrijpen voor asset managers dan CO2-reductie.” Er is constante aandacht nodig voor de nieuwe werkwijze, zowel binnen als buiten de organisatie. Een voorbeeld hiervan is het mislukte hergebruik van circulair tapijt, doordat niemand wist dat het circulair was en het bij het afval belandde.
Gezien de complexiteit en belemmeringen beginnen bijna alle initiatieven kleinschalig (extern-5). Pilots worden buiten de interne regels gehouden en mogen falen, wat ruimte geeft voor innovatie. Een geïnterviewde beschreef: “We noemden het een pilot. Het was niet budgetneutraal, maar we deden het toch. Je moet investeren in tijd en geld, zelfs als je niet zeker weet wat eruit komt.”
De financiële consequenties van de transitie kwamen uitgebreid aan bod (extern-6). Financiële prikkels zijn cruciaal voor verandering, maar vormen ook een belemmering voor productiegerichte organisaties. Een geïnterviewde merkte op: “Het geld heeft een zekere behoefte aan liquiditeit. Het is niet zo dat je er 5 jaar niet aan kan zitten.” Investeringen in nieuwe productiemethoden vragen aanpassingen aan machines, die vaak niet door de klant worden bekostigd. Zelfs als geld geen probleem is, kan wetgeving de verandering belemmeren: “Met geld kun je veel, maar wetgeving loopt ook in de weg. Als je een product kan maken met minder energie, krijg je uiteindelijk lagere operationele kosten.”
Op de vraag hoe data ondersteunend is geweest in het proces in de ontwikkeling van de circulaire economie valt de afwezigheid van beschikbare data op. In een van de organisaties is in de samenwerking met andere bedrijven heel gericht ingezet op het opbouwen van informatie. Dit gebeurde door langetermijnreductiedoelstellingen van nieuwe materialen te stellen, samen met sectorpartners, en om gezamenlijk met eigen leveranciers de mogelijkheden te verkennen om deze te behalen. Deze organisatie stuurt zelf intern ook geïntegreerd op zowel financiële als niet-financiële KPI’s: “Wat we hebben is een dashboard. Daarop staan financiële en niet-financiële gegevens. Het is dus één dashboard. En daar integreren we de CSR/Planet KPI’s in één KPI, dat is een gezamenlijke inspanning van de CSR-rapportagespecialist en de afdeling business control, die verantwoordelijk is voor het rapport.” De reductiedoelen zijn gedeeld in het geïntegreerde jaarverslag van de organisatie, evenals de inspanningen die al wel of niet niet tot positief resultaat hebben geleid. Voor dit jaarverslag, wat het meest uitgebreid rapporteerde over de onderzochte casestudies, is geen methodiek gehanteerd om de niet-financiële en duurzame resultaten te beschrijven, zoals bijvoorbeeld van het Global Reporting Initiative (GRI).
De transitie naar een circulaire economie (CE) is complex, zoals de literatuur bevestigt, door de vele dimensies en diverse belemmeringen die hiermee gepaard gaan. Dit komt tot uiting in het uitgebreide scala aan richtlijnen binnen ESRS E5, waarin 50 van de 84 indicatoren beschrijvende (narratieve) toelichtingen vereisen.
Veel van deze indicatoren vragen een beschrijving van hoe beleid gericht is op het behalen van circulaire resultaten, zoals het verlengen van de levensduur van producten of het verminderen van afval. Het accent ligt echter vooral op het beleid en de inhoudelijke uitkomsten, en minder op de menselijke gedragscomponent.
Tijdens de analyse van de indicatoren door twee onderzoekers werden opvallend veel verschillen ontdekt. Onderzoeker 1 hanteerde een smallere definitie van de indicatoren dan onderzoeker 2. In een daaropvolgend gesprek bespraken de onderzoekers hoe zij de indicatoren hadden gedefinieerd en kwamen zij tot de gezamenlijke conclusie dat de beschrijvende vorm veel ruimte voor interpretatie laat. Hierdoor zijn de vooronderstellingen van de onderzoekers sturend voor de interpretatie van de indicatoren.
Bij vrijwel alle indicatoren (83 van de totaal 84 indicatoren) is een link te leggen naar de strategische impact van CE binnen de organisatie (zie Tabel
| Thema | Onderzoeker 1 | Onderzoeker 2 | Totaal-set |
|---|---|---|---|
| Vergroten van strategische impact | 75 | 82 | 83 |
| Inbedden in de organisatie | 3 | 71 | 71 |
| Aanpassen van gedrag | 5 | 68 | 69 |
| Positioneren in het CE-speelveld | 8 | 15 | 18 |
| Beïnvloeden voor gunstige condities | 1 | 7 | 8 |
| Optimaliseren van winstgevendheid en reduceren van complexiteit | 4 | 12 | 12 |
Het thema financiële effecten (extern-6) wordt twaalf keer genoemd, met nadruk op grondstofgebruik, materiaaleffecten en de tijdshorizonten die als basis dienen voor de gerapporteerde inzichten.
De indicatoren zijn breed gekozen en bieden daarmee ruimte voor diverse interpretaties, concludeerden beide onderzoekers na afstemming van hun bevindingen. Hoewel sectorspecifieke standaarden houvast zouden kunnen bieden, waren deze op het moment van schrijven nog niet beschikbaar.
In de eerste fase van het onderzoek is de geïnterviewden gevraagd naar de CE-ontwikkelpaden en de acties die zijn ondernomen. Kenmerkend voor organisaties die verder zijn in het ontwikkelproces, is de mate van kwantitatieve indicatoren en duidelijke en extern gecommuniceerde doelstellingen. Deze ervaringen worden gedeeld, evenals of zij wel of niet succesvol waren. De concreetheid van acties en kwantitatieve doelstellingen was tekenend voor de grip die deze organisaties op het proces hebben en hoe doelgericht zij met de ontwikkeling naar een CE bezig zijn. Concreet extern communiceren over de ambities van de organisatie is van belang om ketenpartners in de beoogde ontwikkeling mee te nemen en hierin mede te investeren en innoveren. De breedte van de vanuit ESRS E5 voorgescheven rapportagevereisten geeft veel ruimte voor toelichting. Dit zal het lastig maken om de ontwikkelingen binnen organisaties op gebied van de CE te kunnen vergelijken of echt inzicht te krijgen in de ontwikkeling naar een CE voor relevante stakeholders van een organisatie.
Uit de casestudies zijn ontwikkelpaden geanalyseerd en thema’s geïdentificeerd die de overgang van een lineaire organisatie naar een circulaire economie (CE) kunnen ondersteunen. Dit vereist zowel een interne herstructurering als een externe ontwikkeling met ketenpartners om aangepaste samenwerkingsmodellen te implementeren. Binnen deze interne en externe trajecten hebben de onderzochte organisaties succes geboekt met acties, gericht op verschillende thema’s. Organisaties kunnen deze thema’s gebruiken als leidraad om hun acties te structureren, of te beoordelen of deze thema’s van toepassing zijn op hun eigen ontwikkelpaden. Echter, deze stapsgewijze aanpak wordt niet expliciet ondersteund door de richtlijnen.
Opvallend is dat de ESRS E5-indicatoren vooral gericht zijn op ecologische resultaten van de CE. De effecten van een CE zijn echter veel diverser en omvatten ook financiële voordelen, zoals beschreven in het literatuuronderzoek van
De complexiteit van de overgang van een lineaire naar een circulaire economie zorgt voor beperkte vooruitgang, zoals blijkt uit de jaarlijkse circularity gap (
Belangrijke barrières voor de vorming van CE zijn kennisgebrek, het ontbreken van juiste prikkels voor verandering en andere menselijke factoren (
De ESRS E5-standaard biedt een generieke set richtlijnen die voor iedere organisatie toepasbaar is. De diversiteit aan CE-indicatoren toont echter aan dat de complexiteit van de circulaire economie moeilijk volledig kan worden vastgelegd. Indicatoren kunnen vaak slechts één aspect van de CE weergeven (
Vertrouwen tussen ketenpartners is essentieel voor nieuwe samenwerkingsmodellen. Een gedetailleerde beschrijving van circulaire activiteiten in jaarverslagen kan helpen bij het aantrekken van gelijkgestemde klanten en leveranciers. De informatie die binnenkort in jaarverslagen wordt opgenomen, biedt echter nog veel ruimte voor het handhaven van de lineaire economie. Dit komt doordat de gerapporteerde informatie onderwerpen betreft als reductie van grondstoffen binnen de bestaande ketenstructuren, productontwerpen en grondstofgebruik, zonder de noodzakelijke rigoureuze veranderingen inzichtelijk te maken.
Een beperking van dit onderzoek is dat het slechts één sector binnen de Nederlandse context omvat. Ontwikkelpaden in internationale ketens kunnen andere patronen vertonen dan die van de onderzochte organisaties. Nederland heeft veel aandacht besteed aan de CE, met landelijke beleidskaders die circulariteit in aanbestedingen van bouwprojecten stimuleren. In andere regio’s met andere focusgebieden zijn mogelijk andere activiteiten nodig om een CE te realiseren.
In dit onderzoek zijn de CE-ontwikkelpaden van zeven casestudies geanalyseerd. Deze organisaties lijken vergelijkbare stappen te hebben genomen om van lineaire naar circulaire activiteiten te gaan. Voor meer inzicht, en om te bepalen of de thema’s generaliseerbaar zijn, is vervolgonderzoek nodig in andere sectoren en bij meer organisaties.
De ontwikkelpaden van de onderzochte organisaties begonnen ongeveer een decennium geleden, vaak geïnitieerd door een individuele pionier binnen de organisatie. Met de huidige aandacht voor de CE en de druk om te rapporteren over CE-prestaties conform de CSRD, kan er een versnelling plaatsvinden in deze ontwikkelpaden en kunnen er nieuwe activiteiten worden ontplooid. Daarom is vervolgonderzoek in de huidige en toekomstige context nodig om de inzichten continu te actualiseren.
Het vormgeven van een circulaire economie (CE) vereist een complexe transitie, die wordt bemoeilijkt door hoge investeringskosten en gepercipieerde risico’s (
De centrale vraag van dit onderzoek was:
“Hoe ondersteunen de ESRS E5-indicatoren het inzicht in de stappen die een organisatie kan nemen om van een lineaire naar een circulaire economie te evolueren?”
Uit de ontwikkelpaden van zeven bouwgerelateerde organisaties blijkt dat de beschrijvende indicatoren van de CSRD ESRS E5 ruimte bieden om hun activiteiten te rapporteren. Echter, deze ruimte voor eigen invulling biedt weinig houvast om een daadwerkelijke omslag naar een CE te kunnen identificeren.
De voornamelijk ecologisch georiënteerde kwantitatieve indicatoren ondersteunen de aspecten van grondstof- en afvalreductie in de transitie, maar de sociale aspecten, zoals ketensamenwerking en het ontwikkelen van nieuwe businessmodellen die zich richten op de verlenging van de productlevensduur, worden onvoldoende belicht. Veel van de geïdentificeerde barrières hebben menselijke kenmerken, zoals gebrek aan kennis, de noodzaak tot veranderde samenwerking en de juiste prikkels voor verandering (
Dr. D.C. Zandee RC – Diane is assistant professor aan Nyenrode Business Universiteit en is actief binnen het Nyenrode Faculty Expertisecenter Accounting, Auditing & Control. In onderzoek en onderwijs ligt haar focus op de financiële kant van verduurzaming, met in het bijzonder de circulaire economie. Hierbij kijkt zij specifiek naar de rol van de financiële sector, de controller of accountant en instrumenten die daarbij ondersteunen.