Research Article |
|
Corresponding author: Gérard Brockhoff ( gbrockhoff@adstrat.com ) Academic editor: Peter Roosenboom
© 2025 Gérard Brockhoff.
This is an open access article distributed under the terms of the Creative Commons Attribution License (CC BY-NC-ND 4.0), which permits to copy and distribute the article for non-commercial purposes, provided that the article is not altered or modified and the original author and source are credited.
Citation:
Brockhoff G (2025) De kredietcrisis had financieel een langdurige, beperkte impact op grote ondernemingen. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 99(2): 97-108. https://doi.org/10.5117/mab.99.139281
|
Er zijn relatief weinig analyses gedaan naar de wijze waarop de financiële gezondheid van de groep grote ondernemingen zich na de kredietcrisis in 2007 heeft ontwikkeld over een langere periode. Een beschrijvend onderzoek aan de hand van negen alternatieve, gestandaardiseerde financiële ratio’s suggereert dat de ondernemingen aan het begin van de crisis financieel het meest gezond waren. Daarna ontwikkelden de rentabiliteit, de solvabiliteit en de liquiditeit zich na een scherpe daling naar het laagste niveau in 2016, hoewel de ratio’s gemiddeld bleven voldoen aan de algemene normen voor de financiële gezondheid. De resultaten wijzen op een langduriger, maar gematigder effect van de crisis op de financiële gezondheid van de ondernemingen dan uit de literatuur blijkt.
Kredietcrisis, financiële gezondheid, financiering, kapitaalstructuur, rentabiliteit, solvabiliteit, liquiditeit, alternatieve financiële prestatiemaatstaven
Door alternatieve, gestandaardiseerde financiële ratio’s over een langere periode te gebruiken, ontstaat een aanvullend, completer beeld van hoe de groep grote ondernemingen zich na de kredietcrisis financieel heeft ontwikkeld. Ook biedt het artikel aanknopingspunten om voor investerings- en financieringsanalyses de financiële ontwikkeling van ondernemingen inzichtelijk te maken vanuit een breder, geaggregeerd perspectief.
De kredietcrisis die in 2007 begon en in 2008 een hoogtepunt bereikte met de val van de Lehman Brothers, werd veroorzaakt door een samenspel tussen vele factoren en had een wereldwijde impact (
Het beeld is beperkt naar in hoeverre de grote Nederlandse ondernemingen zich na de kredietcrisis financieel langs eenzelfde lijn hebben ontwikkeld. De nadruk lijkt vooral te hebben gelegen op analyses van het midden- en kleinbedrijf, dat knelpunten ervoer in de kredietverlening (
De afbakening van de groep van grote Nederlandse ondernemingen is relevant, omdat er aanwijzingen zijn dat de grootte van ondernemingen invloed kan hebben op de financiële ratio’s (
De onderzoeksdoelstelling is om vanuit een investerings- en financieringsperspectief nader te beschrijven hoe de financiële gezondheid van de populatie van grote Nederlandse ondernemingen zich vanaf de kredietcrisis over een langere periode heeft ontwikkeld. Specifiek zijn de vragen:
Hierna wordt eerst het theoretisch kader aangegeven, waarna de onderzoeksopzet aan de orde komt. Vervolgens worden de resultaten en conclusies besproken.
Tijdens de kredietcrisis richtten overheden zich op het bevorderen van de kredietverlening door banken aan ondernemingen (
Daarbij signaleren
De veranderende leenmogelijkheden tijdens de kredietcrisis raakten de financiering van zowel investeringen in vaste activa als herstructureringen en leken ondernemingen ertoe te bewegen om meer gebruik te maken van kortlopende leenfaciliteiten (
Ofschoon meestal wordt verondersteld dat de daling van de leningen na de kredietcrisis leidde tot een lager investeringsniveau, leken ondernemingen met hoge schulden niet minder te investeren dan andere ondernemingen (
Analyses van de financiële prestaties van de groep van Nederlandse ondernemingen in 2007–2014 wijzen na de kredietcrisis op een afnemende schuldquote en een hogere liquiditeit, hoewel er verschillen bestonden tussen grote en kleinere ondernemingen (
De verbeterde liquiditeit lijkt samen te zijn gegaan met dalende investeringen (
De onderzoeksopzet kenmerkt zich door over een langere periode populatiedata van de grote ondernemingen te gebruiken in combinatie met negen alternatieve, gestandaardiseerde financiële ratio’s.
De onderzoeksopzet gaat uit van de open, geaggregeerde data van het CBS van alle – zowel beursgenoteerde als private – niet-financiële grote Nederlandse ondernemingen (SFGO). Deze data zijn gebaseerd op de totalen van de balans en de winst-en-verliesrekening. Het CBS stelt de dataset samen aan de hand van een jaarlijkse enquêtering, waarbij voor de (beperkte) non-respons wordt gecorrigeerd door de totalen voor alle ondernemingen te schatten. De ondernemingen hadden minimaal een balanstotaal van 23 miljoen euro en vanaf 2011 was dat 40 miljoen euro. Deze grens komt in veel gevallen overeen met ongeveer 250 werknemers. De data omvatten de geconsolideerde opgave van de moedermaatschappijen inclusief de dochterondernemingen die in Nederland zijn gevestigd. Buitenlandse dochterondernemingen vallen buiten de consolidatie en worden in de data als deelneming verantwoord. De periode beslaat 2001–2018 (achttien jaar) met een periode van tien jaar na de kredietcrisis, wat aansluit bij het doel van het onderzoek om de financiële impact over een langere duur in kaart te brengen. Het toevoegen van de periode ervoor geeft een beter beeld van de structurele financiële ontwikkeling. De periode omvat naast de kredietcrisis ook de internetcrisis (2002–2003) en de eurocrisis (2012–2013), maar eindigde voor de coronacrisis (2020).
Ofschoon minder gangbaar, kunnen geaggregeerde data bij onderzoek naar ondernemingen in informatiewaarde als een relevante aanvulling op firm-level data worden gezien om een completer, reëel beeld van de populatie als geheel te krijgen voor partijen als investeerders en analisten (
De dataset is gekozen omwille van de beschikbare data over een langere periode in combinatie met (door de volledigheid) de representativiteit en (door de standaardisatie) de consistentie van de dataset. In vergelijking met de databases van Amadeus (Orbis) en Bach kan in volledigheid en uniformiteit de gebruikte dataset als het meest representatief worden gezien (
In Tabel
| Jaar | Aantal | Fte’s (1.000) | Balanstotaal (mln. euro) | Omzet (mln. euro) | Gemiddeld per onderneming | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Fte’s | Balans (mln. euro) | Omzet (mln. euro) | |||||
| 2001 | 1.259 | 1.526 | 643.182 | 503.222 | 1.212 | 511 | 400 |
| 2002 | 1.274 | 1.480 | 633.359 | 493.998 | 1.162 | 497 | 388 |
| 2003 | 1.271 | 1.419 | 613.320 | 496.374 | 1.117 | 483 | 391 |
| 2004 | 1.232 | 1.377 | 627.925 | 500.799 | 1.118 | 510 | 406 |
| 2005 | 1.272 | 1.359 | 684.723 | 550.028 | 1.069 | 538 | 432 |
| 2006 | 1.264 | 1.385 | 744.302 | 583.679 | 1.096 | 589 | 462 |
| 2007 | 1.272 | 1.391 | 800.719 | 615.930 | 1.093 | 629 | 484 |
| 2008 | 1.315 | 1.380 | 889.847 | 664.659 | 1.049 | 677 | 505 |
| 2009 | 1.403 | 1.379 | 932.666 | 602.990 | 983 | 665 | 430 |
| 2010 | 1.604 | 1.381 | 1.004.893 | 669.853 | 861 | 626 | 418 |
| 2011 | 1.890 | 1.465 | 1.159.580 | 789.848 | 775 | 614 | 418 |
| 2012 | 1.891 | 1.450 | 1.196.113 | 804.448 | 767 | 633 | 425 |
| 2013 | 1.868 | 1.413 | 1.292.799 | 784.028 | 757 | 692 | 420 |
| 2014 | 2.002 | 1.428 | 1.377.323 | 816.630 | 713 | 688 | 408 |
| 2015 | 2.057 | 1.459 | 1.536.492 | 808.098 | 709 | 747 | 393 |
| 2016 | 2.020 | 1.456 | 1.653.882 | 795.970 | 721 | 819 | 394 |
| 2017 | 2.376 | 1.569 | 1.844.836 | 905.083 | 660 | 776 | 381 |
| 2018 | 2.523 | 1.682 | 2.062.684 | 982.186 | 667 | 818 | 389 |
De data bevatten in Nederland gevestigde juridische eenheden (waaronder de nv, bv en coöperatie) volgens de standaard bedrijfsindeling, die actief zijn in de sectoren landbouw en nijverheid, handel en horeca, vervoer, informatie en communicatie en zakelijke en persoonlijke diensten.
Op basis van de dataset zijn voor de grote ondernemingen financiële ratio’s berekend. Ratio’s kunnen als indicator behulpzaam zijn voor een groter inzicht in de financiële prestaties, maar het gebruik kent beperkingen en het is belangrijk om deze te begrijpen (
In de dataset is de beperking van verschillende grondslagen van de jaarrekening deels ondervangen door het gebruik van de gestandaardiseerde data van (sec) niet-financiële grote ondernemingen. Niettemin zijn verschillen voorstelbaar, waaronder de verschillen door de toepassing van IFRS door beursondernemingen en Dutch GAAP en US GAAP door veel andere (internationale) private ondernemingen, ofschoon bij een vergelijking tussen jaren op populatieniveau het effect naar verwachting beperkt is. De periode omvat voor beursgenoteerde ondernemingen de invoering van IFRS in 2005, waardoor de balans en de winst-en-verliesrekening en daarmee de financiële ratio’s konden veranderen (
Vanuit de investerings- en financieringsliteratuur hebben ratioanalyses door de tijd heen een vergelijkbare benadering. De onderzoeksopzet onderscheidt voor de ratio’s aan de hand van onder andere
Voor schuldfinanciering overlappen de ratio’s deels met die uit bancaire convenanten (
In een afweging tussen de diversiteit, de evenwichtigheid en de efficiëntie van het aantal verschillende prestatiemaatstaven zijn op basis van de literatuur voor de rentabiliteit, de solvabiliteit en de liquiditeit elk drie gebruikelijke financiële ratio’s geselecteerd in combinatie met algemeen geldende normen of grenswaarden. Het gaat om in totaal negen ratio’s met drie balansratio’s en zes gemengde ratio’s, gebaseerd op zowel de balans als de winst-en-verliesrekening. De gebruikte ratio’s zijn weergegeven in Tabel
| Categorie | Ratio | Voluit | Berekening | Laag | Gem. | Mediaan | Hoog | Norm |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Rentabiliteit | ROIC | Return on invested capital | (Bedrijfsresultaat × (1 – effectieve winstbelasting) + resultaat buitenlandse deelnemingen) / ((im)materiële vaste activa + waarde buitenlandse deelnemingen + kortlopende vorderingen – kortlopende niet-rentedragende passiva) t-1 | 2,9% | 9,6% | 7,8% | 17,8% | ≥8,5% |
| RONA | Return on net assets | (Netto resultaat + rentelasten) / (balanstotaal – kortlopende niet-rentedragende passiva) t-1 | 4,4% | 9,0% | 7,6% | 16,2% | ≥8,5% | |
| ROE | Return on equity | Netto resultaat / eigen vermogen t-1 | 4,4% | 14,0% | 12,1% | 27,6% | ≥9,5% | |
| Solvabiliteit | DCR | Debt coverage ratio | (Totale rentedragende schuld – liquide middelen) / (bedrijfsresultaat + afschrijvingen + resultaat buitenlandse deelnemingen) | 1,4 | 2,8 | 2,8 | 4,3 | ≤3,0 |
| LTV | Loan-to-value | Totale rentedragende schuld / ((im)materiële vaste activa + financiële activa) | 40% | 43% | 42% | 50% | ≤70% | |
| D/E | Debt-to-equity ratio | Totale rentedragende schuld / eigen vermogen | 0,6 | 0,7 | 0,7 | 0,8 | ≤1,0 | |
| Liquiditeit | ICR | Interest coverage ratio | (Bedrijfsresultaat + resultaat buitenlandse deelnemingen) / rentelasten | 1,1 | 4,2 | 4,1 | 7,0 | ≥3,0 |
| CR | Current ratio | Vlottende activa / kortlopende passiva | 1,1 | 1,2 | 1,2 | 1,3 | ≥1,2 | |
| DSCR | Debt service coverage ratio | (Bedrijfsresultaat × (1 – effectieve winstbelasting) + resultaat buitenlandse deelnemingen) / (rentelasten + aflossingen) | 0,3 | 1,9 | 1,8 | 3,2 | ≥1,2 |
Bij de ROIC en de DSCR is de winstbelasting afgeleid van de jaarlijkse, effectieve belastingdruk in de dataset. De rentabiliteitsratio’s baseren de noemer op de waarden van het voorgaande jaar (t-1). De normen voor de ROIC en de RONA gaan uit van de algemene gewogen, gemiddelde kapitaalkosten (weighted average cost of capital) met aan de hand van Kroll-data voor de hele periode gemiddeld een risicovrije rente (risk-free rate) van 4 procent en een aandelenrisicopremie (equity risk premium) van 5,5 procent, vanuit de dataset een solvabiliteit (E / (E + D)) tegen marktwaarden van 82 procent op basis van een veronderstelde markt/boekwaarde (price-to-book value) van het eigen vermogen van 3, een kredietopslag van 1,5 procent en een marginaal tarief voor winstbelasting van 25 procent. De norm voor de ROE is gebaseerd op de risicovrije rente van 4 procent en de aandelenrisicopremie van 5,5 procent.
Vervolgens zijn aan de hand van de normen in Tabel
De standaardscores zijn berekend door elk jaar voor de financiële ratio’s de waarde te delen door de norm. Hierbij is de score 1,0 in geval de ratio gelijk is aan de gehanteerde norm en daarmee aan de grenswaarde voldoet. De score is lager dan 1,0 wanneer de ratio achterblijft bij de norm en hoger indien de score positiever is dan de grenswaarde. Hiervoor zijn de genormeerde scores voor de DCR, de LTV en de D/E omgekeerd (inversed), omdat deze ratio’s voor de solvabiliteit aan de norm voldoen wanneer zij onder de grenswaarde liggen. Voor elke ratio wijst een score van 1,0 of hoger dus op een positieve financiële gezondheid. Dat betekent dat de ondernemingen in het algemeen als financieel gezond kunnen worden getypeerd in geval zij op de ratio’s voor de rentabiliteit, de solvabiliteit en de liquiditeit een score van 1,0 of hoger hebben.
Het is voor de financiële ratio’s van belang om bewust te zijn van het feit dat in de dataset de buitenlandse dochterondernemingen als deelneming zijn verantwoord. Hierdoor vallen onder meer de liquide middelen en de financiering van de dochterondernemingen in de consolidatiewijze als off-balance-items buiten de data, wat het beeld kan vertekenen. Door de beperking tot de buitenlandse dochterondernemingen, in de praktijk veelal door de moedermaatschappij de centrale activiteit op groepsniveau van treasury, overnames en financiering en in de analyse de nadruk op de ontwikkeling van de ratio’s over de jaren heen, wordt het effect hiervan op de financiële maatstaven in het algemeen als aanvaardbaar gezien.
Ook leidt de verantwoordingswijze van de buitenlandse dochterondernemingen mogelijk tot een minder accuraat beeld van de populatie. In de dataset wordt het resultaat van de dochterondernemingen als deelneming niet in het operationele resultaat van de moedermaatschappij meegenomen, en ontbreekt een splitsing van de schuldfinanciering in de operationele en financiële activiteiten. Om de consistentie tussen de teller en de noemer van de financiële ratio’s te vergroten, zijn in de analyse bij vier van de negen ratio’s de buitenlandse deelnemingen gezien als operationele activiteiten en aan de berekening toegevoegd. Als voorbeeld is voor de buitenlandse dochterondernemingen in de ROIC het resultaat bij het geconsolideerde operationele resultaat opgeteld en de balanswaarde bij het geïnvesteerde vermogen. Deze aanpassing is strikt genomen niet geheel correct, maar vergroot naar verwachting de consistentie van de maatstaven.
De berekende financiële ratio’s weerspiegelen overwegend deels geen normale verdeling. De meeste tenderen naar een dunne staartvorm met weinig uitschieters en een (licht positieve) verdeling die langer is aan de rechterkant. Bij alle ratio’s ligt de mediaan rond of onder het gemiddelde, waarbij de mediaan het meest afwijkt bij de rentabiliteitsratio’s. Daarbij kan de periode van achttien jaar als onvoldoende lang worden gezien om bivariate normaliteit aan te nemen. Daarom is in de analyse de Spearmans rangcorrelatiecoëfficiënt gebruikt.
Tabel
| ROIC | RONA | ROE | DCR | LTV | D/E | ICR | CR | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Rentabiliteit | ROIC | ||||||||
| RONA | 0,96 | ||||||||
| ROE | 0,96 | 0,98 | |||||||
| Solvabiliteit | DCR | 0,90 | 0,90 | 0,87 | |||||
| LTV | 0,47 | 0,45 | 0,37 | 0,33 | |||||
| D/E | 0,77 | 0,75 | 0,66 | 0,62 | 0,83 | ||||
| Liquiditeit | ICR | 0,91 | 0,86 | 0,87 | 0,77 | 0,49 | 0,74 | ||
| CR | 0,31 | 0,40 | 0,36 | 0,44 | ‒0,29 | 0,16 | 0,19 | ||
| DSCR | 0,86 | 0,83 | 0,83 | 0,66 | 0,56 | 0,79 | 0,94 | 0,20 |
De alternatieve, gestandaardiseerde ratio’s voor de rentabiliteit, de solvabiliteit en de liquiditeit volgden na de kredietcrisis in het algemeen deels een vergelijkbaar patroon, maar zij verschilden nader beschouwd in verschillende opzichten van elkaar.
De scores voor de rentabiliteitratio’s zijn weergegeven in Tabel
Scores voor de rentabiliteit, solvabiliteit en liquiditeit (2001–2018). De samengestelde score per jaar voor de rentabiliteit, de solvabiliteit en de liquiditeit van de grote ondernemingen is gebaseerd op het (ongewogen) gemiddelde van de onderliggende drie scores van de financiële ratio’s in Tabel
| Rentabiliteit | Solvabiliteit | Liquiditeit | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| ROIC | RONA | ROE | DCR | LTV | D/E | ICR | CR | DSCR | |
| 2001 | 0,34 | 0,64 | 0,51 | 0,76 | 1,40 | 1,24 | 0,35 | 1,08 | 0,28 |
| 2002 | 0,55 | 0,52 | 0,46 | 0,98 | 1,39 | 1,23 | 0,67 | 1,05 | 0,43 |
| 2003 | 0,90 | 0,89 | 1,36 | 1,29 | 1,58 | 1,40 | 1,09 | 1,03 | 1,14 |
| 2004 | 1,21 | 1,06 | 1,61 | 1,64 | 1,67 | 1,49 | 1,47 | 1,01 | 1,48 |
| 2005 | 2,09 | 1,72 | 2,90 | 1,93 | 1,59 | 1,55 | 2,33 | 1,10 | 2,29 |
| 2006 | 1,86 | 1,67 | 2,58 | 1,94 | 1,70 | 1,70 | 2,12 | 1,11 | 2,44 |
| 2007 | 2,02 | 1,90 | 2,88 | 2,10 | 1,69 | 1,70 | 2,04 | 1,12 | 2,64 |
| 2008 | 1,56 | 1,43 | 1,91 | 1,49 | 1,64 | 1,53 | 1,42 | 1,06 | 1,97 |
| 2009 | 0,86 | 0,89 | 1,12 | 1,03 | 1,71 | 1,59 | 1,00 | 1,04 | 1,31 |
| 2010 | 1,23 | 1,10 | 1,53 | 1,32 | 1,70 | 1,66 | 1,60 | 1,05 | 1,97 |
| 2011 | 1,24 | 1,20 | 1,67 | 1,17 | 1,74 | 1,61 | 1,58 | 0,96 | 1,98 |
| 2012 | 0,93 | 0,85 | 1,11 | 1,05 | 1,76 | 1,63 | 1,34 | 0,95 | 1,36 |
| 2013 | 0,88 | 0,84 | 1,10 | 0,90 | 1,65 | 1,49 | 1,22 | 0,99 | 1,51 |
| 2014 | 0,81 | 0,76 | 0,99 | 0,81 | 1,60 | 1,42 | 1,14 | 0,99 | 1,35 |
| 2015 | 0,85 | 0,85 | 1,12 | 0,77 | 1,61 | 1,43 | 1,07 | 1,01 | 1,42 |
| 2016 | 0,69 | 0,66 | 0,85 | 0,69 | 1,63 | 1,48 | 1,02 | 1,02 | 1,24 |
| 2017 | 0,91 | 0,86 | 1,18 | 0,85 | 1,66 | 1,54 | 1,38 | 1,03 | 1,65 |
| 2018 | 1,21 | 1,06 | 1,59 | 1,07 | 1,71 | 1,60 | 2,28 | 1,01 | 2,70 |
| Gem. | 1,12 | 1,05 | 1,47 | 1,21 | 1,63 | 1,52 | 1,40 | 1,03 | 1,62 |
| Δ 2001 | 0,87 | 0,43 | 1,08 | 0,31 | 0,32 | 0,37 | 1,92 | ‒0,07 | 2,42 |
| Δ 2007 | ‒0,81 | -0,83 | ‒1,29 | ‒1,03 | 0,02 | ‒0,10 | 0,24 | ‒0,11 | 0,06 |
Het beeld van de RONA was redelijk vergelijkbaar. In 2001–2018 lag het rendement op de netto activa met gemiddeld 9,0 procent weliswaar boven de norm (≥ 8,5 procent), maar deze bleef net als de ROIC in de periode totaal tien jaar onder de grenswaarde, waarvan zeven jaar na de kredietcrisis. De ROE als indicator voor het rendement op het eigen vermogen lag als ratio vanaf 2007 grotendeels boven de norm (≥ 9,5 procent) met een score van 2,88 (27,4 procent) in 2007 en 1,59 (15,1 procent) in 2018. In 2014 en 2016 lag de ROE onder de grenswaarde. Dat impliceert dat de ondernemingen zich na de crisis in het algemeen in 2018 in hun rentabiliteit geheel hadden hersteld, hoewel niet op hetzelfde niveau als aan het begin van de crisisperiode. De ROE gaf een positiever beeld dan de ROIC en de RONA.
In de literatuur is de rentabiliteit van de grote ondernemingen vanaf de kredietcrisis weinig in beeld gebracht. De resultaten zijn niet consistent met de gesignaleerde hoge, stabiele ROE van de grote ondernemingen in de periode 2008–2014 na de kredietcrisis op basis van de Bach-database (
Wat betreft de rentabiliteitsratio’s geeft een nadere analyse aan dat in de jaren na de kredietcrisis de investeringsquote (investment rate) fluctueerde, wanneer er wordt gekeken naar de investeringen ten opzichte van de afschrijvingen, de (aangepaste) operationele marge en de materiële vaste activa. Het beeld ontstaat dat de investeringsquote na 2008 relatief scherp afnam, om in 2011 op het oude niveau terug te keren, vervolgens tijdens de eurocrisis twee jaar lager te liggen en in 2014–2018 min of meer weer hetzelfde niveau van 2008 te evenaren. Dat duidt erop dat de investeringsintensiteit vanaf de kredietcrisis weliswaar varieerde, maar gemiddeld genomen na vijf jaar weer structureel op een vergelijkbaar niveau als voor de crisis lag. Daarmee onderschrijven de resultaten de gesignaleerde gedaalde investeringen in de literatuur (
Ook voor de kapitaalstructuur ontwikkelden de maatstaven voor de rentedragende schuld zich deels verschillend. De balansratio’s LTV en D/E kenden in 2001–2018 voor de grote ondernemingen een vergelijkbaar patroon, terwijl de gemengde ratio DCR na de kredietcrisis tot 2017 verslechterde. De scores voor de LTV en de D/E lagen met gemiddeld 1,63 en 1,52 in de hele periode ruim boven de norm en vertoonden beide een redelijk constant schuldniveau. De DCR bleef in de hele periode niettemin zeven jaar onder de norm (≤ 3,0) waarvan vijf jaar na de crisis in 2013–2017. In 2018 lag de score met 1,07 weer boven de grenswaarde, hoewel onder het niveau van 2007 en boven dat van 2001. Dit beeld laat zien dat de schuldpositie op basis van de balansverhoudingen over de jaren in het algemeen redelijk stabiel was en boven de norm bleef en dat de DCR op basis van de winst-en-verliesrekening een wisselend, minder positieve voorstelling gaf.
De ratio’s suggereren dat de ondernemingen vanuit de invalshoek van asset-based financing gedurende de hele periode een aanvullende, ongebruikte leencapaciteit hadden. In 2013–2017 was de algemene financieringsruimte (headroom) op basis van de LTV en de D/E het laagst, maar nog steeds tussen 43 tot 135 procent van de bestaande leningen. Vanuit het perspectief van cash-based financing, gebaseerd op de gemende ratio DCR, overschreden de ondernemingen in 2013–2017 echter de leencapaciteit, wat inhoudt dat de schuld hoger was dan op basis van de grenswaarden zou worden verwacht. Het is denkbaar dat banken zich na de crisis meer baseerden op de balansratio’s of dat ze wellicht (tijdelijk) hogere grenswaarden voor de DCR hanteerden. Mogelijk gebruikten de ondernemingen ook andere externe financieringsbronnen dan bancaire financiering.
Het deels hoge schuldniveau lijkt deels consistent met
Het overwegend stabiele tot licht stijgende, in zekere zin hoge schuldniveau impliceert deels de literatuur te onderschrijven dat ondernemingen zonder financiële beperkingen proactief hun schuld contra-cyclisch aanpassen naar het doelniveau (
Een nadere analyse laat verder in 2008 een korte renteverhoging zien van gemiddeld 6,7 naar 7,8 procent, waarna de rente in tien jaar geleidelijk daalde naar 3,5 procent in 2018. Daarmee wordt in lijn met
Een nadere analyse doet vermoeden dat voor de kapitaalstructuur de inconsistentie met de literatuur deels kan worden herleid tot de verschillende populatie en ratio’s.
Voor de bepalende factoren voor de kapitaalstructuur wijzen bijvoorbeeld
| Relatie | Factoren | DCR | LTV | D/E | |
|---|---|---|---|---|---|
|
|
Naarmate de investeringen toenemen, ligt de schuld lager | Verandering materieel vaste activa (%) | ‒0,03 | ‒0,25 | ‒0,29 |
| Naarmate de investeringen toenemen, is de schuld lager | Verandering balanstotaal (%) | ‒0,02 | ‒0,30 | ‒0,37 | |
| Naarmate de winst hoger is, ligt de schuld lager | Winst voor rente en belastingen / omzet (%) | ‒0,68 | ‒0,00 | ‒0,37 | |
|
|
Naarmate de schuld lager is, neemt de schuld meer toe | Verandering schuld (%) | 0,10 | 0,02 | -0,09 |
| Naarmate afschrijvingen hoger zijn, is de schuld hoger | Afschrijvingen / totale activa (%) | ‒0,47 | 0,41 | 0,24 | |
| Naarmate de winst hoger is, ligt de schuld lager | Winst voor rente en belastingen / totale activa (%) | ‒0,76 | 0,18 | ‒0,18 |
Daarnaast opperen
Tenslotte is het beeld van de liquiditeit van de grote ondernemingen wisselend. Over de jaren waren het patroon van de ICR en het patroon van de DSCR het meest vergelijkbaar. De standaardscores daalden na de kredietcrisis ook het meest, ofschoon beide gemengde ratio’s vanaf 2009 positief werden beïnvloed door de dalende rente op de leningen. De ICR verslechterde reeds eerder met een daling van de score van 2,33 in 2005 naar 1,0 in 2009 op de grenswaarde, om vervolgens na een opleving daar vlak boven te blijven en in 2018 weer te verbeteren naar 2,28. De balansratio CR bleef in de hele periode gemiddeld genomen grotendeels ongewijzigd tegen de norm, hoewel de ondernemingen in 2011–2014 net niet voldeden aan de grenswaarde. De DSCR was volatieler en verbeterde naar een score van 2,64 in 2007 om vervolgens langs wisselende niveaus te dalen naar 1,24 in 2016 en weer toe te nemen naar 2,70 in 2018. Dat kan vanuit een investerings- en financieringsperspectief worden beschouwd als een bovengemiddeld positief niveau. Vanaf 2003 lag de DSCR alle jaren boven de norm (≥1,2). Welgeteld daalden de liquiditeitsratio’s scherp na de financiële crisis, alhoewel deze gemiddeld genomen na 2007 alle jaren boven de grenswaarde bleven.
In een verdere analyse wordt geen bevestiging gevonden dat de grote ondernemingen in de kredietcrisis meer liquide middelen aanhielden (
Net als bij de solvabiliteitsratio’s lijken voor het verschil met de literatuur deels de andere populatie en maatstaven mee te spelen. Als voorbeeld berekent het
Het onderzoek beschrijft aan de hand van negen alternatieve, gestandaardiseerde ratio’s de financiële impact van de kredietcrisis op de groep van grote Nederlandse ondernemingen over een langere periode. De resultaten suggereren dat vanaf de crisis in 2007–2018 de financiële gezondheid van de ondernemingen in het algemeen in beperkte mate verslechterde en als overwegend positief kan worden gekarakteriseerd, hoewel minder dan aan het begin van de kredietcrisis. Na een scherpe terugval na de crisis namen de solvabiliteit, de liquiditeit en vooral de rentabiliteit langs een redelijk vergelijkbaar patroon geleidelijk af tot het laagste peil in 2016, om nadien te herstellen. Dit beeld suggereert dat het financiële herstel van de ondernemingen gemiddeld genomen tien jaar duurde wanneer de kredietcrisis het referentiepunt is, maar dat de impact van de crisis op de financiële gezondheid als beperkt kan worden beschouwd indien voor de ratio’s de grenswaarden het uitgangspunt zijn. Al met al wijzen de resultaten in het algemeen op een langdurigere, maar geringere impact van de crisis op de financiële gezondheid van de grote ondernemingen dan het beeld dat uit de literatuur naar voren komt.
De langdurende, beperkte impact sluit aan bij
De analyse suggereert dat de verschillen met de literatuur grotendeels kunnen worden verklaard door de onderzoeksopzet. Het lijkt aannemelijk dat de groep van grote ondernemingen in het algemeen crisisbestendiger was dan het midden- en kleinbedrijf. Daarbij is het in lijn met
De resultaten lijken in informatiewaarde de relevantie te onderstrepen van het gericht inzichtelijk maken van financiële ratio’s van specifieke groepen van ondernemingen; bijvoorbeeld naar land en grootte. Daardoor wordt meer rekening gehouden met mogelijke verschillen tussen populaties die financiële analyses kunnen beïnvloeden. Ook laat de analyse zien dat vanuit een breder investerings- en financieringsperspectief alternatieve, gestandaardiseerde financiële ratio’s kunnen zorgen voor een aanvullend, completer beeld van de ontwikkeling van de financiële prestaties zoals die van de grote ondernemingen na de kredietcrisis. Dat is in de praktijk natuurlijk van belang voor investeerders, banken en analisten, maar evenzeer voor controllers en accountants om onder alle omstandigheden investerings- en financieringsbeslissingen effectief te kunnen ondersteunen en de structurele financiële gezondheid van ondernemingen inzichtelijker te maken.
Drs. G.C. Brockhoff – Gérard is strategieadviseur en partner bij Adstrat en gastdocent bij Governance Academy.