Research Article
Print
Research Article
De kredietcrisis had financieel een langdurige, beperkte impact op grote ondernemingen
expand article infoGérard Brockhoff
‡ Adstrat, Huizen, Netherlands
Open Access

Samenvatting

Er zijn relatief weinig analyses gedaan naar de wijze waarop de financiële gezondheid van de groep grote ondernemingen zich na de kredietcrisis in 2007 heeft ontwikkeld over een langere periode. Een beschrijvend onderzoek aan de hand van negen alternatieve, gestandaardiseerde financiële ratio’s suggereert dat de ondernemingen aan het begin van de crisis financieel het meest gezond waren. Daarna ontwikkelden de rentabiliteit, de solvabiliteit en de liquiditeit zich na een scherpe daling naar het laagste niveau in 2016, hoewel de ratio’s gemiddeld bleven voldoen aan de algemene normen voor de financiële gezondheid. De resultaten wijzen op een langduriger, maar gematigder effect van de crisis op de financiële gezondheid van de ondernemingen dan uit de literatuur blijkt.

Trefwoorden

Kredietcrisis, financiële gezondheid, financiering, kapitaalstructuur, rentabiliteit, solvabiliteit, liquiditeit, alternatieve financiële prestatiemaatstaven

Relevantie voor de praktijk

Door alternatieve, gestandaardiseerde financiële ratio’s over een langere periode te gebruiken, ontstaat een aanvullend, completer beeld van hoe de groep grote ondernemingen zich na de kredietcrisis financieel heeft ontwikkeld. Ook biedt het artikel aanknopingspunten om voor investerings- en financieringsanalyses de financiële ontwikkeling van ondernemingen inzichtelijk te maken vanuit een breder, geaggregeerd perspectief.

1. Inleiding

De kredietcrisis die in 2007 begon en in 2008 een hoogtepunt bereikte met de val van de Lehman Brothers, werd veroorzaakt door een samenspel tussen vele factoren en had een wereldwijde impact (Kahle and Stulz 2013; Thakor 2015; Duffhues 2018). De crisis ontstond nadat Amerikaanse banken verliezen leden op hun hypotheken waarbij ook Europese banken in de problemen raakten (Blom 2010). De Nederlandse overheid trachtte de financiële markt te stabiliseren door onder meer een kapitaalverstrekking aan Aegon en ING en de nationalisatie van ABN Amro, Fortis en SNS Reaal. Na de kredietcrisis volgde de eurocrisis, maar nadien veranderde het beeld. Vanaf 2014 groeide de Nederlandse economie vijf jaar op rij en in 2018 bedroeg de economische groei 2,7 procent en realiseerden de niet-financiële Nederlandse ondernemingen samen een recordwinst van 255 miljard euro (Mares 2019).

Het beeld is beperkt naar in hoeverre de grote Nederlandse ondernemingen zich na de kredietcrisis financieel langs eenzelfde lijn hebben ontwikkeld. De nadruk lijkt vooral te hebben gelegen op analyses van het midden- en kleinbedrijf, dat knelpunten ervoer in de kredietverlening (CPB 2014; OESO 2014; SER 2014; Bijlsma et al. 2016; CBS 2018). Daarnaast stond vooral de schuldpositie centraal op basis van veelal een beperkt aantal balansratio’s en zonder deze te vergelijken met normen of grenswaarden voor de financiële prestaties (zie bijvoorbeeld Litjens and Vergoossen (2010); CPB (2017); Lammers et al. (2024)). Beperkt is de aandacht geweest voor meer normatieve ratioanalyses wat betreft de ontwikkeling van de rentabiliteit, de solvabiliteit en de liquiditeit over een langere periode gebaseerd op zowel de balans als de winst-en-verliesrekening vanuit een breder investerings- en financieringsperspectief (zie bijvoorbeeld Nissim and Penman (2001); Damodaran (2012); Rietveld (2022)).

De afbakening van de groep van grote Nederlandse ondernemingen is relevant, omdat er aanwijzingen zijn dat de grootte van ondernemingen invloed kan hebben op de financiële ratio’s (Cinca et al. 2005; CPB 2017). Ook kunnen ratio’s verschillen tussen landen door andere financiële kenmerken (Meric et al. 2012; Meric et al. 2016). De normen of grenswaarden reflecteren vanuit een investerings- en financieringsperspectief algemene richtlijnen of standaarden (thresholds) voor de financiële ratio’s als referentie of benchmark voor de financiële gezondheid van ondernemingen, zoals deze worden gebruikt door investeerders, banken en analisten (zie bijvoorbeeld Li et al. 2015; Rietveld 2022). Ondernemingen kunnen als financieel gezond worden getypeerd wanneer de financiële ratio’s voldoen aan de gehanteerde normen. De duur van de analyseperiode is van belang, omdat er signalen bestaan die aangeven dat de impact van financiële crises meestal langdurig is (Reinhart and Rogoff 2009; Romer and Romer 2017).

De onderzoeksdoelstelling is om vanuit een investerings- en financieringsperspectief nader te beschrijven hoe de financiële gezondheid van de populatie van grote Nederlandse ondernemingen zich vanaf de kredietcrisis over een langere periode heeft ontwikkeld. Specifiek zijn de vragen:

  1. Hoe hebben de rentabiliteit, de solvabiliteit en de liquiditeit zich na de kredietcrisis ontwikkeld aan de hand van een breder aantal alternatieve financiële ratio’s?
  2. Hoe kunnen deze financiële prestaties worden geduid, vergeleken met die aan het begin van de crisis en aan de hand van algemene normen of grenswaarden voor de financiële gezondheid van ondernemingen?
  3. Hoe verhouden de uitkomsten zich tot eerdere, vergelijkbare analyses in de literatuur?

Hierna wordt eerst het theoretisch kader aangegeven, waarna de onderzoeksopzet aan de orde komt. Vervolgens worden de resultaten en conclusies besproken.

2. Theoretisch kader

Tijdens de kredietcrisis richtten overheden zich op het bevorderen van de kredietverlening door banken aan ondernemingen (Thakor 2015). Dit varieerde per land en omvatte het vergroten van de liquiditeit aan banken, het stimuleren van lagere rentes, het opkopen van illiquide activa van banken en het verbeteren van de balans van banken. Niettemin is het beeld dat in de meeste landen de omvang en de looptijd van de schuldfinanciering aanzienlijk daalden en de rentekosten stegen (Ivashina and Scharfstein 2010; Demirguc-Kunt et al. 2015; Thakor 2015). De deleveraging speelde minder voor beursgenoteerde ondernemingen die meestal groter waren en een betere toegang hadden tot de kapitaalmarkt. Ook bestaan aanwijzingen dat de impact op de financiering voor landen met een goed functionerende financiële markt minder groot was dan voor andere landen.

Daarbij signaleren Chodorow-Reich and Falato (2022) dat tijdens de crisis ongeveer een derde van de ondernemingen hun financieringsconvenant schond. Ook waren banken die financieel meer onder druk stonden minder bereid om leningen te continueren aan ondernemingen die niet langer aan de kredietvoorwaarden voldeden.

Korajczyk and Levy (2003) suggereren dat de keuzes in de kapitaalstructuur worden beïnvloed door macro-economische omstandigheden. Ondernemingen zonder financiële beperkingen passen veeleer proactief hun schuld contra-cyclisch aan naar het doelniveau. Daarbij tenderen ondernemingen met relatief lage schulden eerder naar het aanpassen van hun schuldniveau dan wanneer de schulden hoog zijn (Cook and Tang 2009). De kapitaalstructuur lijkt voornamelijk te worden beïnvloed door de groei, de winstgevendheid, de marktwaarde, de volatiliteit en de belastingaftrek (Chang et al. 2008). In de praktijk lijken ondernemingen te kijken naar de doelstructuur, de belastingeffecten en mogelijke kosten van herstructurering, waarbij beursgenoteerde ondernemingen ook hun marktwaarde en een aandelenuitgifte overwegen (Brounen et al. 2005).

De veranderende leenmogelijkheden tijdens de kredietcrisis raakten de financiering van zowel investeringen in vaste activa als herstructureringen en leken ondernemingen ertoe te bewegen om meer gebruik te maken van kortlopende leenfaciliteiten (Ivashina and Scharfstein 2010; González 2015). Sufi (2007) wijst erop dat banken kortlopende kredietfaciliteiten vooral lijken te verstrekken aan bovengemiddeld winstgevende ondernemingen. De kortlopende faciliteiten, en vooral het ongebruikte deel ervan, worden door banken meer dan andere leningen gevolgd met convenanten. Ondernemingen verliezen in veel gevallen de ongebruikte financieringsruimte wanneer hun winst onder druk komt te staan. Tegelijkertijd zijn er aanwijzingen dat grote ondernemingen tijdens de crisis alleen kortstondig financiële beperkingen kenden en dat deze voor kleinere ondernemingen veel meer als structureel konden worden gezien (Driver and Muñoz-Bugarin 2018).

Ofschoon meestal wordt verondersteld dat de daling van de leningen na de kredietcrisis leidde tot een lager investeringsniveau, leken ondernemingen met hoge schulden niet minder te investeren dan andere ondernemingen (Kahle and Stulz 2013). Hierbij namen de investeringen van ondernemingen met relatief weinig schulden evenveel af als die met veel schulden. Ook signaleren Bliss et al. (2013) dat ondernemingen hun liquide middelen en eigen vermogen versterkten en dat zij bleven investeren door het reduceren van dividend en aandeleninkopen (share repurchases). De toename van de financiële reserves is consistent met het beeld dat externe verstoringen in de kredietverlening leidden tot het vergroten van de liquide middelen en het eigen vermogen en deels tot minder bancaire financiering.

Analyses van de financiële prestaties van de groep van Nederlandse ondernemingen in 2007–2014 wijzen na de kredietcrisis op een afnemende schuldquote en een hogere liquiditeit, hoewel er verschillen bestonden tussen grote en kleinere ondernemingen (Jansen and Ligthart 2014; CPB 2017). Daarnaast wijst voor dezelfde periode een vergelijking met Europese landen op een redelijk stabiele, goede financiële positie van de ondernemingen met onder meer een lage schuld en een surplus in liquide middelen. Weliswaar nam de schuld toe, maar de omvang van het balanstotaal steeg meer (Lammers et al. 2024).

De verbeterde liquiditeit lijkt samen te zijn gegaan met dalende investeringen (Jansen and Ligthart 2014). Hoewel de investeringen ook in andere Europese landen achterbleven, is in Nederland de investeringsquote al eerder vanaf de eeuwwisseling harder gedaald om in 2004–2011 min of meer te stabiliseren. De dalende investeringsquote werd gedreven door zowel afnemende prijzen als volumes. In de periode 2001–2007 leek de liquiditeitspositie het meest bepalend voor het investeringsniveau, maar na de crisis nam het effect van de schuldfinanciering toe door mogelijk meer aandacht van banken voor de gezondheid van de balans waardoor vooral kortlopende schulden daalden (De Winter et al. 2018).

Litjens and Vergoossen (2010) constateren dat de kredietcrisis een vergelijkbare financiële impact had op de Nederlandse grote, beursgenoteerde ondernemingen. In 2008 steeg het aantal ondernemingen dat niet meer voldeed aan de kredietvoorwaarden van de banken in belangrijke mate en leken de ondernemingen te worden beperkt in hun mogelijkheden om bestaand krediet te behouden of om nieuw krediet te verkrijgen.

3. Onderzoeksopzet

De onderzoeksopzet kenmerkt zich door over een langere periode populatiedata van de grote ondernemingen te gebruiken in combinatie met negen alternatieve, gestandaardiseerde financiële ratio’s.

3.1. Dataset ondernemingen

De onderzoeksopzet gaat uit van de open, geaggregeerde data van het CBS van alle – zowel beursgenoteerde als private – niet-financiële grote Nederlandse ondernemingen (SFGO). Deze data zijn gebaseerd op de totalen van de balans en de winst-en-verliesrekening. Het CBS stelt de dataset samen aan de hand van een jaarlijkse enquêtering, waarbij voor de (beperkte) non-respons wordt gecorrigeerd door de totalen voor alle ondernemingen te schatten. De ondernemingen hadden minimaal een balanstotaal van 23 miljoen euro en vanaf 2011 was dat 40 miljoen euro. Deze grens komt in veel gevallen overeen met ongeveer 250 werknemers. De data omvatten de geconsolideerde opgave van de moedermaatschappijen inclusief de dochterondernemingen die in Nederland zijn gevestigd. Buitenlandse dochterondernemingen vallen buiten de consolidatie en worden in de data als deelneming verantwoord. De periode beslaat 2001–2018 (achttien jaar) met een periode van tien jaar na de kredietcrisis, wat aansluit bij het doel van het onderzoek om de financiële impact over een langere duur in kaart te brengen. Het toevoegen van de periode ervoor geeft een beter beeld van de structurele financiële ontwikkeling. De periode omvat naast de kredietcrisis ook de internetcrisis (2002–2003) en de eurocrisis (2012–2013), maar eindigde voor de coronacrisis (2020).

Ofschoon minder gangbaar, kunnen geaggregeerde data bij onderzoek naar ondernemingen in informatiewaarde als een relevante aanvulling op firm-level data worden gezien om een completer, reëel beeld van de populatie als geheel te krijgen voor partijen als investeerders en analisten (Kothari et al. 2006; Ball and Sadka 2015; Ball et al. 2019). Voorbeelden zijn de analyses van Jansen and Ligthart (2014), CPB (2017) en De Winter et al. (2018) die deels dezelfde data gebruiken. Investeerders en analisten gaan bijvoorbeeld voor rendement/risicoanalyses immers in veel gevallen uit van gediversifieerde portfolio’s, waarbij ondernemingsspecifieke verschillen minder relevant zijn of mogelijk het populatiebeeld deels kunnen vertekenen (Ball and Sadka 2015).

De dataset is gekozen omwille van de beschikbare data over een langere periode in combinatie met (door de volledigheid) de representativiteit en (door de standaardisatie) de consistentie van de dataset. In vergelijking met de databases van Amadeus (Orbis) en Bach kan in volledigheid en uniformiteit de gebruikte dataset als het meest representatief worden gezien (CPB 2017; Bajgar et al. 2020; Liu 2020). Ook van belang is dat met de dataset, in lijn met de focus van de analyse op de grote ondernemingen en de alternatieve financiële maatstaven, de resultaten kunnen worden vergeleken met de literatuur waarin dezelfde data zijn gebruikt. Daarnaast is het voordeel van een langere periode de vermindering van mogelijke selectiebias (attrition bias) waaronder door groei, overnames en faillissementen van ondernemingen, zoals bij longitudinaal onderzoek met cohorten kan spelen. Beperkingen van de dataset zijn over de jaren een mogelijke veranderende samenstelling van de populatie die de analyse kan beïnvloeden en het verlies van informatie over de spreiding tussen afzonderlijke sectoren en ondernemingen. Door de onbekende variatie kunnen de resultaten ook niet worden geprojecteerd op sector- of ondernemingsniveau.

In Tabel 1 zijn de kenmerken van de ondernemingen samengevat. In 2001–2018 nam het aantal ondernemingen toe van 1.259 naar 2.523. De omzet ontwikkelde zich van gemiddeld 400 naar 389 miljoen euro, die daarmee in de periode nauwelijks veranderde, waarbij het aantal voltijdse werknemers gemiddeld afnam van 1.212 naar 667. Het balanstotaal groeide niettemin met 60 procent (2,8 procent per jaar) naar gemiddeld 818 miljoen euro in 2018. De ontwikkeling van de balansomvang, en daarbinnen de toename van het aandeel van de buitenlandse deelnemingen, impliceert dat de verandering in de gemiddelden per onderneming grotendeels het gevolg is geweest van de groei van de dochterondernemingen in het buitenland. Door de consolidatiewijze in de dataset komt die niet tot uiting in de gemiddelde omvang van het aantal werknemers en de omzet.

Tabel 1.

Kenmerken van de grote ondernemingen (2001–2018). Bron: CBS.

Jaar Aantal Fte’s (1.000) Balanstotaal (mln. euro) Omzet (mln. euro) Gemiddeld per onderneming
Fte’s Balans (mln. euro) Omzet (mln. euro)
2001 1.259 1.526 643.182 503.222 1.212 511 400
2002 1.274 1.480 633.359 493.998 1.162 497 388
2003 1.271 1.419 613.320 496.374 1.117 483 391
2004 1.232 1.377 627.925 500.799 1.118 510 406
2005 1.272 1.359 684.723 550.028 1.069 538 432
2006 1.264 1.385 744.302 583.679 1.096 589 462
2007 1.272 1.391 800.719 615.930 1.093 629 484
2008 1.315 1.380 889.847 664.659 1.049 677 505
2009 1.403 1.379 932.666 602.990 983 665 430
2010 1.604 1.381 1.004.893 669.853 861 626 418
2011 1.890 1.465 1.159.580 789.848 775 614 418
2012 1.891 1.450 1.196.113 804.448 767 633 425
2013 1.868 1.413 1.292.799 784.028 757 692 420
2014 2.002 1.428 1.377.323 816.630 713 688 408
2015 2.057 1.459 1.536.492 808.098 709 747 393
2016 2.020 1.456 1.653.882 795.970 721 819 394
2017 2.376 1.569 1.844.836 905.083 660 776 381
2018 2.523 1.682 2.062.684 982.186 667 818 389

De data bevatten in Nederland gevestigde juridische eenheden (waaronder de nv, bv en coöperatie) volgens de standaard bedrijfsindeling, die actief zijn in de sectoren landbouw en nijverheid, handel en horeca, vervoer, informatie en communicatie en zakelijke en persoonlijke diensten.

3.2. Financiële ratio’s

Op basis van de dataset zijn voor de grote ondernemingen financiële ratio’s berekend. Ratio’s kunnen als indicator behulpzaam zijn voor een groter inzicht in de financiële prestaties, maar het gebruik kent beperkingen en het is belangrijk om deze te begrijpen (Faello 2015). Financiële ratio’s worden afgeleid van de jaarrekening die in de regelgeving en de toepassing kunnen verschillen tussen ondernemingen en die over de tijd kunnen veranderen, wat de vergelijkbaarheid tussen ondernemingen kan verminderen. Daarbij geldt dat financiële ratio’s niet altijd een normale verdeling hebben en gevoelig zijn voor uitschieters.

In de dataset is de beperking van verschillende grondslagen van de jaarrekening deels ondervangen door het gebruik van de gestandaardiseerde data van (sec) niet-financiële grote ondernemingen. Niettemin zijn verschillen voorstelbaar, waaronder de verschillen door de toepassing van IFRS door beursondernemingen en Dutch GAAP en US GAAP door veel andere (internationale) private ondernemingen, ofschoon bij een vergelijking tussen jaren op populatieniveau het effect naar verwachting beperkt is. De periode omvat voor beursgenoteerde ondernemingen de invoering van IFRS in 2005, waardoor de balans en de winst-en-verliesrekening en daarmee de financiële ratio’s konden veranderen (Bos and Stienstra 2007). Buiten de periode valt de invoering van IFRS 16 in 2019 met nieuwe richtlijnen voor leaseverplichtingen, wat naar verwachting bij veel ondernemingen een grote impact heeft gehad op financiële maatstaven (Arnold et al. 2020).

Vanuit de investerings- en financieringsliteratuur hebben ratioanalyses door de tijd heen een vergelijkbare benadering. De onderzoeksopzet onderscheidt voor de ratio’s aan de hand van onder andere Barnes (1987), Duffhues (1994), Nissim and Penman (2001), Damodaran (2012), Koller et al. (2020) en Rietveld (2022) de terugkerende dimensies rentabiliteit, solvabiliteit (kapitaalstructuur) en liquiditeit (solventie). Voor elk dimensie kunnen specifieke, alternatieve ratio’s worden gehanteerd, gebaseerd op de balans en de winst-en-verliesrekening, waarvoor algemeen geldende normen of grenswaarden kunnen worden gedefinieerd (zie bijvoorbeeld Lee et al. 2014; Li et al. 2015; Rietveld 2022). Alternatieve ‘non-IFRS’- en ‘non-GAAP’-prestatiemaatstaven geven aanvullende informatie teneinde een beter inzicht te geven in de relatieve financiële prestaties (Leung and Veenman 2018; Veenman 2019; Breijer et al. 2020; Arena et al. 2021).

Voor schuldfinanciering overlappen de ratio’s deels met die uit bancaire convenanten (Bos and Stienstra 2007; Demerjian 2007; Litjens and Vergoossen 2010; Backhuijs and Mertens 2013; Lee et al. 2014; Li et al. 2015; Demerjian and Owens 2016; Paik et al. 2019; Breijer et al. 2020). Daarbij lijken financiële ratio’s steeds meer te worden gebaseerd op de winst-en-verliesrekening (Griffin et al. 2018) – vooral wanneer de financiering is bedoeld voor overnames en langlopende investeringen en veeleer op de balans in geval van regulier krediet, zoals voor aflossingen, herfinanciering en aandeleninkopen (Paik et al. 2019). Ook bestaan er aanwijzingen dat naarmate financiële prestaties achterblijven bij kredietvoorwaarden, de nadruk meer komt te liggen op de winst-en-verliesrekening (Demerjian 2011; Christensen and Nikolaev 2012) en de normen in convenanten strikter worden (Li et al. 2015).

3.3. Toegepaste ratio’s

In een afweging tussen de diversiteit, de evenwichtigheid en de efficiëntie van het aantal verschillende prestatiemaatstaven zijn op basis van de literatuur voor de rentabiliteit, de solvabiliteit en de liquiditeit elk drie gebruikelijke financiële ratio’s geselecteerd in combinatie met algemeen geldende normen of grenswaarden. Het gaat om in totaal negen ratio’s met drie balansratio’s en zes gemengde ratio’s, gebaseerd op zowel de balans als de winst-en-verliesrekening. De gebruikte ratio’s zijn weergegeven in Tabel 2. Als voorbeeld was in 2001–2018 voor de ROIC van de grote ondernemingen het gemiddelde 9,6 procent en de mediaan 7,8 procent met een gehanteerde norm van minimaal 8,5 procent.

Tabel 2.

Gebruikte financiële ratio’s (2001–2018).

Categorie Ratio Voluit Berekening Laag Gem. Mediaan Hoog Norm
Rentabiliteit ROIC Return on invested capital (Bedrijfsresultaat × (1 – effectieve winstbelasting) + resultaat buitenlandse deelnemingen) / ((im)materiële vaste activa + waarde buitenlandse deelnemingen + kortlopende vorderingen – kortlopende niet-rentedragende passiva) t-1 2,9% 9,6% 7,8% 17,8% ≥8,5%
RONA Return on net assets (Netto resultaat + rentelasten) / (balanstotaal – kortlopende niet-rentedragende passiva) t-1 4,4% 9,0% 7,6% 16,2% ≥8,5%
ROE Return on equity Netto resultaat / eigen vermogen t-1 4,4% 14,0% 12,1% 27,6% ≥9,5%
Solvabiliteit DCR Debt coverage ratio (Totale rentedragende schuld – liquide middelen) / (bedrijfsresultaat + afschrijvingen + resultaat buitenlandse deelnemingen) 1,4 2,8 2,8 4,3 ≤3,0
LTV Loan-to-value Totale rentedragende schuld / ((im)materiële vaste activa + financiële activa) 40% 43% 42% 50% ≤70%
D/E Debt-to-equity ratio Totale rentedragende schuld / eigen vermogen 0,6 0,7 0,7 0,8 ≤1,0
Liquiditeit ICR Interest coverage ratio (Bedrijfsresultaat + resultaat buitenlandse deelnemingen) / rentelasten 1,1 4,2 4,1 7,0 ≥3,0
CR Current ratio Vlottende activa / kortlopende passiva 1,1 1,2 1,2 1,3 ≥1,2
DSCR Debt service coverage ratio (Bedrijfsresultaat × (1 – effectieve winstbelasting) + resultaat buitenlandse deelnemingen) / (rentelasten + aflossingen) 0,3 1,9 1,8 3,2 ≥1,2

Bij de ROIC en de DSCR is de winstbelasting afgeleid van de jaarlijkse, effectieve belastingdruk in de dataset. De rentabiliteitsratio’s baseren de noemer op de waarden van het voorgaande jaar (t-1). De normen voor de ROIC en de RONA gaan uit van de algemene gewogen, gemiddelde kapitaalkosten (weighted average cost of capital) met aan de hand van Kroll-data voor de hele periode gemiddeld een risicovrije rente (risk-free rate) van 4 procent en een aandelenrisicopremie (equity risk premium) van 5,5 procent, vanuit de dataset een solvabiliteit (E / (E + D)) tegen marktwaarden van 82 procent op basis van een veronderstelde markt/boekwaarde (price-to-book value) van het eigen vermogen van 3, een kredietopslag van 1,5 procent en een marginaal tarief voor winstbelasting van 25 procent. De norm voor de ROE is gebaseerd op de risicovrije rente van 4 procent en de aandelenrisicopremie van 5,5 procent.

Vervolgens zijn aan de hand van de normen in Tabel 2 elk jaar de financiële ratio’s herberekend in een standaardscore. Dat maakt het mogelijk om de prestatiemaatstaven onderling en door de tijd heen consistent en normatief te vergelijken. De normen worden gezien als algemeen geldende grenswaarden voor de financiële gezondheid, ofschoon deze in zekere mate een arbitrair karakter hebben en vanuit een investerings- en financieringsperspectief tussen ondernemingen kunnen variëren. Als voorbeeld wordt in de analyse als veel gebruikte indicator voor de schulddekking (Backhuijs and Mertens 2013; Paik et al. 2019) voor de DCR (debt-to-earnings) de norm ≤3,0 gebruikt, terwijl voor bijvoorbeeld een kapitaalintensieve, stabiele grote onderneming in de praktijk mogelijke een hogere norm kan worden gehanteerd.

De standaardscores zijn berekend door elk jaar voor de financiële ratio’s de waarde te delen door de norm. Hierbij is de score 1,0 in geval de ratio gelijk is aan de gehanteerde norm en daarmee aan de grenswaarde voldoet. De score is lager dan 1,0 wanneer de ratio achterblijft bij de norm en hoger indien de score positiever is dan de grenswaarde. Hiervoor zijn de genormeerde scores voor de DCR, de LTV en de D/E omgekeerd (inversed), omdat deze ratio’s voor de solvabiliteit aan de norm voldoen wanneer zij onder de grenswaarde liggen. Voor elke ratio wijst een score van 1,0 of hoger dus op een positieve financiële gezondheid. Dat betekent dat de ondernemingen in het algemeen als financieel gezond kunnen worden getypeerd in geval zij op de ratio’s voor de rentabiliteit, de solvabiliteit en de liquiditeit een score van 1,0 of hoger hebben.

Het is voor de financiële ratio’s van belang om bewust te zijn van het feit dat in de dataset de buitenlandse dochterondernemingen als deelneming zijn verantwoord. Hierdoor vallen onder meer de liquide middelen en de financiering van de dochterondernemingen in de consolidatiewijze als off-balance-items buiten de data, wat het beeld kan vertekenen. Door de beperking tot de buitenlandse dochterondernemingen, in de praktijk veelal door de moedermaatschappij de centrale activiteit op groepsniveau van treasury, overnames en financiering en in de analyse de nadruk op de ontwikkeling van de ratio’s over de jaren heen, wordt het effect hiervan op de financiële maatstaven in het algemeen als aanvaardbaar gezien.

Ook leidt de verantwoordingswijze van de buitenlandse dochterondernemingen mogelijk tot een minder accuraat beeld van de populatie. In de dataset wordt het resultaat van de dochterondernemingen als deelneming niet in het operationele resultaat van de moedermaatschappij meegenomen, en ontbreekt een splitsing van de schuldfinanciering in de operationele en financiële activiteiten. Om de consistentie tussen de teller en de noemer van de financiële ratio’s te vergroten, zijn in de analyse bij vier van de negen ratio’s de buitenlandse deelnemingen gezien als operationele activiteiten en aan de berekening toegevoegd. Als voorbeeld is voor de buitenlandse dochterondernemingen in de ROIC het resultaat bij het geconsolideerde operationele resultaat opgeteld en de balanswaarde bij het geïnvesteerde vermogen. Deze aanpassing is strikt genomen niet geheel correct, maar vergroot naar verwachting de consistentie van de maatstaven.

De berekende financiële ratio’s weerspiegelen overwegend deels geen normale verdeling. De meeste tenderen naar een dunne staartvorm met weinig uitschieters en een (licht positieve) verdeling die langer is aan de rechterkant. Bij alle ratio’s ligt de mediaan rond of onder het gemiddelde, waarbij de mediaan het meest afwijkt bij de rentabiliteitsratio’s. Daarbij kan de periode van achttien jaar als onvoldoende lang worden gezien om bivariate normaliteit aan te nemen. Daarom is in de analyse de Spearmans rangcorrelatiecoëfficiënt gebruikt.

3.4. Samenhang scores

Tabel 3 geeft de correlatiematrix weer, met in 2001–2018 voor de grote ondernemingen de samenhang tussen de scores van de financiële ratio’s. Met voor de scores als geheel een (inter-item) correlatie van 0,63 kunnen deze als onderling behoorlijk consistent worden gezien tot wellicht in enige mate redundant. De ratio’s voor de rentabiliteit correleerden onderling zeer sterk (gemiddeld ρ = 0,97), terwijl die voor de solvabiliteit middelmatig (ρ = 0,59) en die voor de liquiditeit (ρ = 0,44) zwak samenhingen. In het algemeen correspondeerden de ROIC, de RONA, de ROE, de ICR en de DSCR het meest met de andere ratio’s, met een onderlinge correlatiecoëfficiënt van elk die groter was dan 0,70. Dit zijn alle gemengde ratio’s die uitgaan van zowel de balans als de winst-en-verliesrekening. Daarna volgden met een middelmatig tot sterk verband de DCR en de D/E. De balansratio’s LTV en CR hadden elk gemiddeld een zwakke onderlinge relatie van kleiner dan 0,50.

Tabel 3.

Samenhang tussen de scores (2001–2018).

ROIC RONA ROE DCR LTV D/E ICR CR
Rentabiliteit ROIC
RONA 0,96
ROE 0,96 0,98
Solvabiliteit DCR 0,90 0,90 0,87
LTV 0,47 0,45 0,37 0,33
D/E 0,77 0,75 0,66 0,62 0,83
Liquiditeit ICR 0,91 0,86 0,87 0,77 0,49 0,74
CR 0,31 0,40 0,36 0,44 ‒0,29 0,16 0,19
DSCR 0,86 0,83 0,83 0,66 0,56 0,79 0,94 0,20

4. Onderzoeksresultaten

De alternatieve, gestandaardiseerde ratio’s voor de rentabiliteit, de solvabiliteit en de liquiditeit volgden na de kredietcrisis in het algemeen deels een vergelijkbaar patroon, maar zij verschilden nader beschouwd in verschillende opzichten van elkaar.

4.1. Rentabiliteitsratio’s

De scores voor de rentabiliteitratio’s zijn weergegeven in Tabel 4, met de samengestelde indicator voor onder meer de rentabiliteit in Figuur 1. Deze laten zien dat voor de groep van grote ondernemingen de prestatiemaatstaven voor de rentabiliteit over de jaren in het algemeen een vergelijkbaar patroon volgden met een sterke terugval na de kredietcrisis. De standaardscore voor de ROIC als maatstaf voor het rendement op het geïnvesteerde vermogen ontwikkelde zich van 2,02 in 2007 naar 1,21 in 2018, gelijk aan 17,2 en 10,3 procent (norm ≥ 8,5 procent). Dat betekent vanuit een investeringsperspectief dat in beide jaren de economische winst (economic value added) gemiddeld genomen overeenkwam met 8,7 procent en 1,8 procent wanneer rekening wordt gehouden met de norm gebaseerd op de kapitaalkosten. In 2001 gedurende de internetcrisis lag de ROIC met 2,9 procent nog ver onder de grenswaarde en ook in 2012–2017 lag deze onder de norm.

Figuur 1.

Scores voor de rentabiliteit, solvabiliteit en liquiditeit (2001–2018). De samengestelde score per jaar voor de rentabiliteit, de solvabiliteit en de liquiditeit van de grote ondernemingen is gebaseerd op het (ongewogen) gemiddelde van de onderliggende drie scores van de financiële ratio’s in Tabel 4.

Tabel 4.

Standaardscores voor elke financiële ratio (2001–2018).

Rentabiliteit Solvabiliteit Liquiditeit
ROIC RONA ROE DCR LTV D/E ICR CR DSCR
2001 0,34 0,64 0,51 0,76 1,40 1,24 0,35 1,08 0,28
2002 0,55 0,52 0,46 0,98 1,39 1,23 0,67 1,05 0,43
2003 0,90 0,89 1,36 1,29 1,58 1,40 1,09 1,03 1,14
2004 1,21 1,06 1,61 1,64 1,67 1,49 1,47 1,01 1,48
2005 2,09 1,72 2,90 1,93 1,59 1,55 2,33 1,10 2,29
2006 1,86 1,67 2,58 1,94 1,70 1,70 2,12 1,11 2,44
2007 2,02 1,90 2,88 2,10 1,69 1,70 2,04 1,12 2,64
2008 1,56 1,43 1,91 1,49 1,64 1,53 1,42 1,06 1,97
2009 0,86 0,89 1,12 1,03 1,71 1,59 1,00 1,04 1,31
2010 1,23 1,10 1,53 1,32 1,70 1,66 1,60 1,05 1,97
2011 1,24 1,20 1,67 1,17 1,74 1,61 1,58 0,96 1,98
2012 0,93 0,85 1,11 1,05 1,76 1,63 1,34 0,95 1,36
2013 0,88 0,84 1,10 0,90 1,65 1,49 1,22 0,99 1,51
2014 0,81 0,76 0,99 0,81 1,60 1,42 1,14 0,99 1,35
2015 0,85 0,85 1,12 0,77 1,61 1,43 1,07 1,01 1,42
2016 0,69 0,66 0,85 0,69 1,63 1,48 1,02 1,02 1,24
2017 0,91 0,86 1,18 0,85 1,66 1,54 1,38 1,03 1,65
2018 1,21 1,06 1,59 1,07 1,71 1,60 2,28 1,01 2,70
Gem. 1,12 1,05 1,47 1,21 1,63 1,52 1,40 1,03 1,62
Δ 2001 0,87 0,43 1,08 0,31 0,32 0,37 1,92 ‒0,07 2,42
Δ 2007 ‒0,81 -0,83 ‒1,29 ‒1,03 0,02 ‒0,10 0,24 ‒0,11 0,06

Het beeld van de RONA was redelijk vergelijkbaar. In 2001–2018 lag het rendement op de netto activa met gemiddeld 9,0 procent weliswaar boven de norm (≥ 8,5 procent), maar deze bleef net als de ROIC in de periode totaal tien jaar onder de grenswaarde, waarvan zeven jaar na de kredietcrisis. De ROE als indicator voor het rendement op het eigen vermogen lag als ratio vanaf 2007 grotendeels boven de norm (≥ 9,5 procent) met een score van 2,88 (27,4 procent) in 2007 en 1,59 (15,1 procent) in 2018. In 2014 en 2016 lag de ROE onder de grenswaarde. Dat impliceert dat de ondernemingen zich na de crisis in het algemeen in 2018 in hun rentabiliteit geheel hadden hersteld, hoewel niet op hetzelfde niveau als aan het begin van de crisisperiode. De ROE gaf een positiever beeld dan de ROIC en de RONA.

In de literatuur is de rentabiliteit van de grote ondernemingen vanaf de kredietcrisis weinig in beeld gebracht. De resultaten zijn niet consistent met de gesignaleerde hoge, stabiele ROE van de grote ondernemingen in de periode 2008–2014 na de kredietcrisis op basis van de Bach-database (CPB 2017). Het lijkt aannemelijk dat het verschil kan worden verklaard door de betere representativiteit van de gebruikte data in de analyse.

Wat betreft de rentabiliteitsratio’s geeft een nadere analyse aan dat in de jaren na de kredietcrisis de investeringsquote (investment rate) fluctueerde, wanneer er wordt gekeken naar de investeringen ten opzichte van de afschrijvingen, de (aangepaste) operationele marge en de materiële vaste activa. Het beeld ontstaat dat de investeringsquote na 2008 relatief scherp afnam, om in 2011 op het oude niveau terug te keren, vervolgens tijdens de eurocrisis twee jaar lager te liggen en in 2014–2018 min of meer weer hetzelfde niveau van 2008 te evenaren. Dat duidt erop dat de investeringsintensiteit vanaf de kredietcrisis weliswaar varieerde, maar gemiddeld genomen na vijf jaar weer structureel op een vergelijkbaar niveau als voor de crisis lag. Daarmee onderschrijven de resultaten de gesignaleerde gedaalde investeringen in de literatuur (Kahle and Stulz 2013; Jansen and Ligthart 2014; De Winter et al. 2018), hoewel de afname van tijdelijke duur was.

4.2. Solvabiliteitsratio’s

Ook voor de kapitaalstructuur ontwikkelden de maatstaven voor de rentedragende schuld zich deels verschillend. De balansratio’s LTV en D/E kenden in 2001–2018 voor de grote ondernemingen een vergelijkbaar patroon, terwijl de gemengde ratio DCR na de kredietcrisis tot 2017 verslechterde. De scores voor de LTV en de D/E lagen met gemiddeld 1,63 en 1,52 in de hele periode ruim boven de norm en vertoonden beide een redelijk constant schuldniveau. De DCR bleef in de hele periode niettemin zeven jaar onder de norm (≤ 3,0) waarvan vijf jaar na de crisis in 2013–2017. In 2018 lag de score met 1,07 weer boven de grenswaarde, hoewel onder het niveau van 2007 en boven dat van 2001. Dit beeld laat zien dat de schuldpositie op basis van de balansverhoudingen over de jaren in het algemeen redelijk stabiel was en boven de norm bleef en dat de DCR op basis van de winst-en-verliesrekening een wisselend, minder positieve voorstelling gaf.

De ratio’s suggereren dat de ondernemingen vanuit de invalshoek van asset-based financing gedurende de hele periode een aanvullende, ongebruikte leencapaciteit hadden. In 2013–2017 was de algemene financieringsruimte (headroom) op basis van de LTV en de D/E het laagst, maar nog steeds tussen 43 tot 135 procent van de bestaande leningen. Vanuit het perspectief van cash-based financing, gebaseerd op de gemende ratio DCR, overschreden de ondernemingen in 2013–2017 echter de leencapaciteit, wat inhoudt dat de schuld hoger was dan op basis van de grenswaarden zou worden verwacht. Het is denkbaar dat banken zich na de crisis meer baseerden op de balansratio’s of dat ze wellicht (tijdelijk) hogere grenswaarden voor de DCR hanteerden. Mogelijk gebruikten de ondernemingen ook andere externe financieringsbronnen dan bancaire financiering.

Het deels hoge schuldniveau lijkt deels consistent met Lammers et al. (2024), die constateren dat grote ondernemingen na de kredietcrisis hogere schuldratio’s hadden dan kleinere ondernemingen. Zij wijzen erop dat in het algemeen grote ondernemingen ook ouder zijn, een betere toegang tot bancaire financiering hebben en een langer financieel track-record kennen. Ook lijken banken vanuit onder meer risicomanagement terughoudender in het verstrekken van leningen aan kleine ondernemingen. Daarnaast kunnen grote ondernemingen zich, in tegenstelling tot het midden- en kleinbedrijf, financieren met (internationale) obligaties.

Het overwegend stabiele tot licht stijgende, in zekere zin hoge schuldniveau impliceert deels de literatuur te onderschrijven dat ondernemingen zonder financiële beperkingen proactief hun schuld contra-cyclisch aanpassen naar het doelniveau (Korajczyk and Levy 2003) en dat ondernemingen met relatief hoge schulden minder snel hun schuldniveau wijzigen (Cook and Tang 2009). De resultaten zijn daarentegen inconsistent met de gesignaleerde daling van de schuldfinanciering na de kredietcrisis (Demirguc-Kunt et al. 2015; Thakor 2015; CPB 2017; Lammers et al. 2024). De DCR wijst over de jaren op een relatief en structureel toenemende, hoge schuldverhouding die niet eerder dan in 2018 weer aan de grenswaarde voldeed, waarbij deze gemengde maatstaf werd beïnvloed door het dalende operationele resultaat na de crisis. Op basis van de LTV en de D/E lijkt de kapitaalstructuur tussen 2007–2018 overwegend stabiel te zijn gebleven met voor beide balansratio’s een vergelijkbaar niveau. Daarmee suggereert de analyse dat in algemene zin de schuldomvang relatief onveranderd is gebleven of licht is gestegen in plaats van afgenomen.

Een nadere analyse laat verder in 2008 een korte renteverhoging zien van gemiddeld 6,7 naar 7,8 procent, waarna de rente in tien jaar geleidelijk daalde naar 3,5 procent in 2018. Daarmee wordt in lijn met Thakor (2015) steun gevonden voor kortstondig hogere rentekosten na de kredietcrisis. De analyse geeft verder voor de ondernemingen aan dat het aandeel van de kortlopende leningen in hun totale rentedragende schuld sinds 2001 geleidelijk is afgenomen van 14 naar 5 procent in 2018, wat niet overeenkomt met Ivashina and Scharfstein (2010), die constateren dat de kredietcrisis leidde tot meer kortlopende financiering. De resultaten indiceren dat de grote ondernemingen hun kortlopende schulden in achttien jaar relatief structureel hebben afgebouwd.

Een nadere analyse doet vermoeden dat voor de kapitaalstructuur de inconsistentie met de literatuur deels kan worden herleid tot de verschillende populatie en ratio’s. CPB (2017) en Lammers et al. (2024) gebruiken bijvoorbeeld deels dezelfde data, maar richten zich op zowel de grote ondernemingen als het midden- en kleinbedrijf en berekenen de schuldratio door de totale schuld te delen door het balanstotaal. Daarentegen gaat deze analyse uit van (sec) de grote ondernemingen en van de meer specifieke, genormeerde schuldratio’s DCR, LTV en D/E. Het mogelijke effect van de verschillen komt tot uiting wanneer als toets op basis van de dataset de totale schuld wordt gedeeld door het balanstotaal en voor de ondernemingen in plaats van een licht dalende een licht stijgende schuld waarneembaar is.

Voor de bepalende factoren voor de kapitaalstructuur wijzen bijvoorbeeld Chang et al. (2008) op de investeringen en de winstgevendheid. Een verdere analyse van de ondernemingen vindt niettemin geen eenduidig bewijs voor de relatie tussen de schuld en de investeringen, waarbij over de jaren de balansratio’s LTV en de D/E nauwelijks tot zwak correspondeerden met de veranderingen in de activa (Tabel 5). De analyse onderschrijft wel een middelmatig tot sterk negatieve correlatie tussen de DCR en de winstgevendheid (ρ = ‒0,68). Dit betekent dat naarmate de winstgevendheid over de jaren hoger was, de ondernemingen meer met eigen dan vreemd vermogen waren gefinancierd. Daarbij lijkt voor de DCR mee te spelen dat het winstniveau in de regel volatieler is dan de veranderingen in de balans. De LTV correleerde echter niet met de winstgevendheid en de D/E deed dat zwak.

Tabel 5.

Verband tussen bepalende factoren en kapitaalstructuur.

Relatie Factoren DCR LTV D/E
Chang et al. (2008) Naarmate de investeringen toenemen, ligt de schuld lager Verandering materieel vaste activa (%) ‒0,03 ‒0,25 ‒0,29
Naarmate de investeringen toenemen, is de schuld lager Verandering balanstotaal (%) ‒0,02 ‒0,30 ‒0,37
Naarmate de winst hoger is, ligt de schuld lager Winst voor rente en belastingen / omzet (%) ‒0,68 ‒0,00 ‒0,37
Cook and Tang (2009) Naarmate de schuld lager is, neemt de schuld meer toe Verandering schuld (%) 0,10 0,02 -0,09
Naarmate afschrijvingen hoger zijn, is de schuld hoger Afschrijvingen / totale activa (%) ‒0,47 0,41 0,24
Naarmate de winst hoger is, ligt de schuld lager Winst voor rente en belastingen / totale activa (%) ‒0,76 0,18 ‒0,18

Daarnaast opperen Cook and Tang (2009) als factoren voor de kapitaalstructuur het bestaande schuldniveau, de afschrijvingen en het rendement op de totale activa. De analyse vindt geen steun voor de samenhang tussen de schuldontwikkeling en het huidige schuldniveau. Wat betreft de afschrijvingen lijkt de relatie ambivalent, maar in het algemeen zwak. Het negatieve verband tussen het rendement op de totale activa en het schuldniveau was op basis van de DCR sterk (ρ = ‒0,76). Dit suggereert dat over de jaren het schuldniveau van de grote ondernemingen daalde naarmate hun winst toenam en interne financiering belangrijker werd, of dat bij een hoger winstniveau hun schuldomvang redelijk stabiel bleef. De samenhang met de balansratio’s LTV en D/E was niettemin afwezig.

4.3. Liquiditeitsratio’s

Tenslotte is het beeld van de liquiditeit van de grote ondernemingen wisselend. Over de jaren waren het patroon van de ICR en het patroon van de DSCR het meest vergelijkbaar. De standaardscores daalden na de kredietcrisis ook het meest, ofschoon beide gemengde ratio’s vanaf 2009 positief werden beïnvloed door de dalende rente op de leningen. De ICR verslechterde reeds eerder met een daling van de score van 2,33 in 2005 naar 1,0 in 2009 op de grenswaarde, om vervolgens na een opleving daar vlak boven te blijven en in 2018 weer te verbeteren naar 2,28. De balansratio CR bleef in de hele periode gemiddeld genomen grotendeels ongewijzigd tegen de norm, hoewel de ondernemingen in 2011–2014 net niet voldeden aan de grenswaarde. De DSCR was volatieler en verbeterde naar een score van 2,64 in 2007 om vervolgens langs wisselende niveaus te dalen naar 1,24 in 2016 en weer toe te nemen naar 2,70 in 2018. Dat kan vanuit een investerings- en financieringsperspectief worden beschouwd als een bovengemiddeld positief niveau. Vanaf 2003 lag de DSCR alle jaren boven de norm (≥1,2). Welgeteld daalden de liquiditeitsratio’s scherp na de financiële crisis, alhoewel deze gemiddeld genomen na 2007 alle jaren boven de grenswaarde bleven.

In een verdere analyse wordt geen bevestiging gevonden dat de grote ondernemingen in de kredietcrisis meer liquide middelen aanhielden (Bliss et al. 2013; Jansen and Ligthart 2014). In de hele periode schommelde de bankstand van de ondernemingen in verhouding tot hun omzet jaarlijks redelijk stabiel rond een gangbaar niveau van circa 31 dagen met relatief licht lagere reserves in 2008–2012, waarbij de kortlopende schuld in de hele periode structureel afnam. Evenmin onderschrijven de resultaten dat het eigen vermogen sterk toenam door minder dividend en aandeleninkopen (Bliss et al. 2013). De data wijzen in 2007–2008 op een lichter hogere dividend payout en inkoop van aandelen van gemiddeld 61 procent van de nettowinst die, behalve een terugval in 2011, in de periode 2009–2014 fluctueerden rond een niet ongebruikelijk niveau van gemiddeld 44 procent. In 2015–2017 veranderde kortstondig de situatie en nam het eigen vermogen sneller toe dan de nettowinst, wat duidt op een vergroting van het eigen vermogen zoals mogelijk door aandelenuitgifte en herwaarderingen.

Net als bij de solvabiliteitsratio’s lijken voor het verschil met de literatuur deels de andere populatie en maatstaven mee te spelen. Als voorbeeld berekent het CPB (2017) de liquiditeitsratio als de liquide middelen gedeeld door het balanstotaal, terwijl de analyse zich breder baseert op de standaardscores voor de ICR, de CR en de DSCR, waarvan twee naast de balans ook de winst-en-verliesrekening meewegen. Wanneer als toets de liquide middelen eveneens worden gedeeld door het balanstotaal, zijn voor de grote ondernemingen licht afnemende in plaats van licht grotere liquide middelen zichtbaar, ofschoon het verschil kleiner is dan bij de solvabiliteit.

5. Conclusies

Het onderzoek beschrijft aan de hand van negen alternatieve, gestandaardiseerde ratio’s de financiële impact van de kredietcrisis op de groep van grote Nederlandse ondernemingen over een langere periode. De resultaten suggereren dat vanaf de crisis in 2007–2018 de financiële gezondheid van de ondernemingen in het algemeen in beperkte mate verslechterde en als overwegend positief kan worden gekarakteriseerd, hoewel minder dan aan het begin van de kredietcrisis. Na een scherpe terugval na de crisis namen de solvabiliteit, de liquiditeit en vooral de rentabiliteit langs een redelijk vergelijkbaar patroon geleidelijk af tot het laagste peil in 2016, om nadien te herstellen. Dit beeld suggereert dat het financiële herstel van de ondernemingen gemiddeld genomen tien jaar duurde wanneer de kredietcrisis het referentiepunt is, maar dat de impact van de crisis op de financiële gezondheid als beperkt kan worden beschouwd indien voor de ratio’s de grenswaarden het uitgangspunt zijn. Al met al wijzen de resultaten in het algemeen op een langdurigere, maar geringere impact van de crisis op de financiële gezondheid van de grote ondernemingen dan het beeld dat uit de literatuur naar voren komt.

De langdurende, beperkte impact sluit aan bij Romer and Romer (2017), die constateren dat in het algemeen “the average decline in output following a financial crisis is statistically significant and persistent, but only moderate in size.” De resultaten onderschrijven in lijn met de literatuur de afname van de investeringen na de kredietcrisis, hoewel deze vanaf 2014 weer overwegend op het oorspronkelijke niveau terugkeerden. De analyse ondersteunt niet het beeld dat de liquide middelen en het eigen vermogen van ondernemingen aanmerkelijk toenamen. Beide bleven voor de grote ondernemingen verhoudingsgewijs op een normaal niveau, met voor het eigen vermogen tot op een licht lager niveau. Evenmin wordt bewijs gevonden voor minder schuldfinanciering na de crisis en een toename van de kortlopende kredietverlening. De resultaten wijzen gemiddeld genomen op een relatief stabiele tot licht hogere schuldpositie. Ook bieden de resultaten weinig steun voor de bepalende factoren voor de kapitaalstructuur, zoals het investerings-, afschrijvings- en winstniveau. De indruk ontstaat dat de grote ondernemingen voor hun solvabiliteit en liquiditeit over de jaren veeleer min of meer een consistent doelniveau aanhielden, wat naar voren komt uit de balansratio’s LTV, D/E en CR.

De analyse suggereert dat de verschillen met de literatuur grotendeels kunnen worden verklaard door de onderzoeksopzet. Het lijkt aannemelijk dat de groep van grote ondernemingen in het algemeen crisisbestendiger was dan het midden- en kleinbedrijf. Daarbij is het in lijn met Meric et al. (2016) denkbaar dat Nederlandse ondernemingen andere financiële karakteristieken kennen dan die in andere landen en dat zij gedurende de kredietcrisis toegang hadden tot een relatief goed functionerende financiële markt (Thakor 2015). Ook ontstaat uit de analyse het beeld dat het bredere aantal alternatieve, gestandaardiseerde financiële ratio’s een aanvullend, relevant inzicht biedt (Veenman 2019; Breijer et al. 2020). Tegelijkertijd kan niet worden uitgesloten dat de resultaten deels zijn beïnvloed door het gebruik van de geaggregeerde data, het toenemende aandeel van de buitenlandse activiteiten van de ondernemingen en de (aanpassing in de) verantwoordingswijze van de buitenlandse dochterondernemingen als deelneming.

De resultaten lijken in informatiewaarde de relevantie te onderstrepen van het gericht inzichtelijk maken van financiële ratio’s van specifieke groepen van ondernemingen; bijvoorbeeld naar land en grootte. Daardoor wordt meer rekening gehouden met mogelijke verschillen tussen populaties die financiële analyses kunnen beïnvloeden. Ook laat de analyse zien dat vanuit een breder investerings- en financieringsperspectief alternatieve, gestandaardiseerde financiële ratio’s kunnen zorgen voor een aanvullend, completer beeld van de ontwikkeling van de financiële prestaties zoals die van de grote ondernemingen na de kredietcrisis. Dat is in de praktijk natuurlijk van belang voor investeerders, banken en analisten, maar evenzeer voor controllers en accountants om onder alle omstandigheden investerings- en financieringsbeslissingen effectief te kunnen ondersteunen en de structurele financiële gezondheid van ondernemingen inzichtelijker te maken.

Drs. G.C. Brockhoff – Gérard is strategieadviseur en partner bij Adstrat en gastdocent bij Governance Academy.

Literatuur

  • Arena C, Catuogno S, Moscariello N (2021) The unusual debate on non-GAAP reporting in the current standard practice. The lens of corporate governance. Journal of Management and Governance 25(3): 655–684. https://doi.org/10.1007/s10997-020-09515-z
  • Arnold C, Brouwer A, Tahtah J (2020) De adoptie van IFRS 16 door Europese ondernemingen. Maandblad Voor Accountancy en Bedrijfseconomie 94(11/12): 427–445. https://doi.org/10.5117/mab.94.58544
  • Backhuijs J, Mertens G (2013) Informatie over convenanten en (her)financieringen in jaarrekeningen van Nederlandse ondernemingen. Maandblad Voor Accountancy en Bedrijfseconomie 87(12): 538–554. https://doi.org/10.5117/mab.87.13904
  • Ball R, Gallo L, Ghysels E (2019) Tilting the evidence: the role of firm-level earnings attributes in the relation between aggregated earnings and gross domestic product. Review Of Accounting Studies 24(2): 570–592. https://doi.org/10.1007/s11142-019-09493-0
  • Bijlsma M, Van Veldhuizen S, Vogt B (2016) Naar meer niet-bancaire financieringsbronnen voor het MKB. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 90(3): 87–95. https://doi.org/10.5117/mab.90.31267
  • Bliss B, Cheng Y, Denis D (2013) Corporate payout, cash retention, and the supply of credit: Evidence from the 2008–09 credit crisis. SSRN Electronic Journal. https://doi.org/10.2139/ssrn.2255211
  • Breijer R, Van Beest F, Braam G (2020) Leverage en de toepassing van alternatieve financiële prestatiemaatstaven. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 94(9/10): 333–342. https://doi.org/10.5117/mab.94.50604
  • CBS (2018) Financieringsmonitor.
  • CPB (2014) De financiële positie van het midden- en kleinbedrijf in Nederland. Juni.
  • CPB (2017) Assets and liabilities of Dutch non-financial firms. Augustus.
  • Chang C, Lee A, Lee C (2008) Determinants of capital structure choice: A structural equation modeling approach. The Quarterly Review Of Economics And Finance 49(2): 197–213. https://doi.org/10.1016/j.qref.2008.03.004
  • Chodorow-Reich G, Falato A (2022) The loan covenant channel: How bank health transmits to the real economy. Journal of Finance 77(1): 85–128. https://doi.org/10.1111/jofi.13074
  • Damodaran A (2012) Investment valuation: Tools and techniques for determining the value of any asset (3e ed.). John Wiley & Sons, New Jersey, VS.
  • Demerjian P (2007) Financial ratios and credit risk: The selection of financial ratio covenants in debt contracts. SSRN Electronic Journal. https://doi.org/10.2139/ssrn.929907
  • Demerjian P (2011) Accounting standards and debt covenants: Has the “balance sheet approach” led to a decline in the use of balance sheet covenants? Journal Of Accounting And Economics 52(2–3): 178–202. https://doi.org/10.1016/j.jacceco.2011.08.004
  • Demirguc-Kunt A, Martinez-Peria M, Tressel T (2015) The impact of the global financial crisis on firms capital structure. In: World Bank policy research working paper. https://doi.org/10.1596/1813-9450-7522
  • De Winter J, Volkerink M, Eijking C (2018) Bedrijfsinvesteringen sinds crisis sterker beïnvloed door schuldpositie bedrijf. ESB 103(4758): 85–87.
  • Driver C, Muñoz-Bugarin J (2018) Financial constraints on investment: Effects of firm size and the financial crisis. Research in International Business And Finance 47: 441–457. https://doi.org/10.1016/j.ribaf.2018.09.006
  • Duffhues P (1994) Ondernemingsfinanciering en vermogensmarkten 1. Wolters-Noordhoff, Groningen.
  • Faello J (2015) Understanding the limitations of financial ratios. Academy of Accounting and Financial Studies Journal 19(3): 75–85.
  • Jansen C, Ligthart M (2014) Spaaroverschot niet-financiële bedrijven: Ontwikkeling, oorzaken en gevolgen. CPB Achtergronddocument, augustus.
  • Koller T, Goedhart M, Wessels D (2020) Valuation: Measuring and managing the value of companies (7th ed.). John Wiley & Sons, New Jersey, VS.
  • Lammers S, Scheepstra F, Elbourne A (2024) Een analyse van Nederlandse bedrijfsschulden. CPB, juni.
  • Liu G (2020) Data quality problems troubling business and binancial researchers: A literature review and synthetic analysis. Journal of Business & Finance Librarianship 25(3–4): 315–371. https://doi.org/10.1080/08963568.2020.1847555
  • Litjens H, Vergoossen R (2010) Kredietcrisis en de jaarrekening van Nederlandse ondernemingen. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 84(6): 276–290. https://doi.org/10.5117/mab.84.17797
  • Mares A (2019) De Nederlandse economie in 2018: Jaaroverzicht. CBS, april.
  • Meric I, Dunne K, Smeltz W, Meric G (2012) A comparison of the financial characteristics of German and French manufacturing firms. Accounting and Finance Research 2(1): 32–39. https://doi.org/10.5430/afr.v2n1p32
  • Meric G, Bentley T, McCall W, Meric I (2016) A comparison of the financial characteristics of U.S. and European manufacturing firms. Studies in Business and Economics 11(2): 58–67. https://doi.org/10.1515/sbe-2016-0021
  • OESO (2014) Economic Surveys: Netherlands. April.
  • Rietveld T (2022) Handboek investeren & financieren: Private equity, beleggen & kredietanalyse. Boom, Amsterdam.
  • Romer C, Romer D (2017) New evidence on the aftermath of financial crises in advanced countries. American Economic Review 107(10): 3072–3118. https://doi.org/10.1257/aer.20150320
  • SER (2014) Verbreding en versterking financiering mkb. Rapportage, oktober.
  • Thakor A (2015) The financial crisis of 2007–2009: Why did it happen and what did we learn? The Review of Corporate Finance Studies 4(2): 155–205. https://doi.org/10.1093/rcfs/cfv001
  • Veenman D (2019) Recente inzichten in het gebruik van alternatieve prestatiemaatstaven door beursgenoteerde ondernemingen. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 93(3/4): 83–97. https://doi.org/10.5117/mab.93.32512
login to comment