Research Article
Print
Research Article
Duurzaamheidsrapportages van de Nederlandse Rijksoverheid – een exploratief onderzoek naar ESG-rapportages bij het Rijk
expand article infoRobert Vogelsang, René Orij, Martin Dees
‡ Nyenrode Business Universiteit, Breukelen, Netherlands
Open Access

Samenvatting

De rijksoverheid heeft een grote impact op mens en milieu, zowel vanuit haar beleid als vanuit haar bedrijfsvoering. In dit artikel wordt weergegeven over welke duurzaamheidsonderwerpen zij extern rapporteert en in welke mate zij dat doet. Het onderliggende onderzoek maakte gebruik van tekstanalysesoftware en zoektermen uit de European Sustainability Reporting Standards (ESRS). Het onderzoek toont aan dat het Rijk rapporteert over alle duurzaamheidsthema’s van de ESRS, zij het dat dit versnipperd gebeurt over verschillende rapportages. De diepgang en reikwijdte van de rapportages lijken gekoppeld te zijn aan de specifieke beleidsvelden van de ministeries. Het onderzoek maakt dan ook duidelijk dat niet elk ministerie alle thema’s behandelt. Het ontbreken van regels voor duurzaamheidsverslaggeving door het Rijk vormt een hindernis voor transparantie en vergelijkbaarheid.

Trefwoorden

Duurzaamheidsverslaggeving, Rijksoverheid, ESG, SDG, Brede Welvaart, CSRD

Relevantie voor de praktijk

Een unieke dataset is samengesteld om uitingen van het Rijk over duurzaamheid te exploreren. De resultaten zijn van belang voor zowel beleidsmakers als opstellers van rapportages binnen de publieke sector.

1. Inleiding

Met het van kracht worden van de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) zijn grote beursgenoteerde Europese ondernemingen verplicht om vanaf het boekjaar 2026 verantwoording af te leggen over hun milieu-, sociale en governanceprestaties. Vanaf boekjaar 2027 volgen ook grote niet-beursgenoteerde ondernemingen. De CSRD vervangt de Non-Financial Reporting Directive. De Europese Commissie (EC) geeft in een persbericht (Press Corner 2021) aan dat de CSRD noodzakelijk is om investeerders en stakeholders te voorzien van voldoende en vergelijkbare informatie.

Het onderliggende doel van de CSRD (European Commission 2024)1 is om ervoor te zorgen dat:

  • ondernemingen hoogwaardig rapporteren over niet-financiële informatie;
  • systeemrisico’s inzake duurzaamheidsonderwerpen worden verminderd; en
  • kapitaalstromen worden verlegd naar duurzame activiteiten.

De Europese Commissie heeft geen eisen aan overheden gesteld ten aanzien van duurzaamheidsverslaggeving. Dat is een belangrijk gemis voor het bereiken van gestandaardiseerde en vergelijkbare duurzaamheidsverslaggeving in de publieke sector.

Een verslaggevingsregime voor overheden naar model van de CSRD wordt op korte termijn ook niet verwacht. Maar dat betekent niet dat de Rijksoverheid geen verantwoording aflegt of anderszins rapporteert over milieu- en sociale prestaties. Zowel op het niveau van individuele ministeries als rijksbreed wordt in diverse rapportages, met wisselende structuren, impliciet of expliciet informatie verstrekt over duurzaamheidsonderwerpen. Denk hierbij aan begrotingen, departementale jaarverslagen, (vrijwillige) duurzaamheidsverslagen, Sustainable Development Goals (SDG)-rapportages en de Monitor Brede Welvaart.

Dit onderzoek richt zich op het beantwoorden van vragen die voortvloeien uit het huidige regime voor duurzaamheidsverslaggeving bij het Rijk. De centrale onderzoeksvragen zijn:

  • In hoeverre verschaft het Rijk al informatie over de (materiële) ESG-onderwerpen?
  • Zijn er binnen het Rijk verschillen met betrekking tot de ESG-onderwerpen waarover wordt gerapporteerd?
  • Welke informatie verstrekt het Rijk over het prominente duurzaamheidsthema ‘Klimaatverandering?

In het eerste segment van dit exploratieve onderzoek is onderzocht over welke onderwerpen op het gebied van Environmental, Social en Governance (ESG) de Rijksoverheid nu al informatie verschaft. Als referentiekader werden de ESG-onderwerpen uit de European Sustainability Reporting Standards (ESRS) (EC 2023b) gehanteerd, omdat dat raamwerk een actueel en breed beeld geeft van de (materiële) ESG-onderwerpen.

In het tweede segment van het exploratieve onderzoek wordt – verdiepend – onderzocht welke informatie (over beleid, maatregelen of indicatoren) wordt verschaft over het thema ESRS E1: Klimaatverandering. Het is de verwachting dat over dit meest prominente duurzaamheidsthema de meeste informatie wordt verschaft. Zodoende kan een nader beeld worden verkregen over het soort informatie dat binnen de duurzaamheidsrapportages prevaleert.

In dit onderzoek zijn documenten bestudeerd die betrekking hebben op het kalenderjaar 2023; het meeste recente publicatiejaar. De informatie heeft betrekking op zowel rijksbrede documentatie als op documentatie van alle (toen bestaande) ministeries.

In dit artikel wordt aan de hand van het onderzoek eerst besproken waar binnen het Rijk externe informatie wordt verschaft over duurzaamheidsonderwerpen. Het Rijk publiceert zowel op vrijwillige basis als vanuit wettelijke verplichtingen. Het richt zich op duurzaamheidsverslaggeving in brede zin: beleid en bedrijfsvoering.

2. Regelgeving rapportagestelsels

Internationaal zijn ontwikkelingen te zien over het rapporteren van de impact van overheden op mens en milieu. Goede voorbeelden op landniveau worden gegeven door Schotland (National Performance Framework) en Nieuw-Zeeland (Wellbeing Budget). Deze initiatieven hebben als gemeenschappelijk doel om nationale (welzijn)uitkomsten te koppelen aan traditionele economische maatstaven en om zodoende een rijkere invulling te geven aan het concept ‘kwaliteit van leven’. Veel landen verbinden in hun monitoring en rapportage de ‘Beyond GDP’-thema’s en indicatoren aan de SDG’s.

Ook in Nederland heeft het Rijk de afgelopen jaren stappen gezet om Brede Welvaart en SDG’s te verbinden met de begrotings-2 en verantwoordingscyclus. Ook rapporteren ministeries in hun jaarverslagen over duurzaamheidsaspecten van hun beleid, en brengen sommige departementen vrijwillig verslagen uit over de duurzaamheid van hun bedrijfsvoering. Van een geïntegreerd rapportagestelsel voor de duurzaamheidsimpact van ministeries is echter vooralsnog geen sprake. In Tabel 1 zijn de huidige verschillende publieke rapportagestelsels van het Rijk verder geduid per type document. Kamerbrieven, beleidsnota’s en overige openbare documenten die duurzaamheidsonderwerpen raken zijn niet meegenomen in de analyse, aangezien deze meer een ad-hockarakter hebben.

Tabel 1.

Verscheidenheid aan duurzaamheidsrapportages van het Rijk.

Type document Reikwijdte Systematiek Type document Financiële of niet-financiële focus
Jaarverslag Ministerie Rijksbegrotingsvoorschriften, Comptabiliteitswet Verantwoording Financieel
Begroting* Ministerie Rijksbegrotingsvoorschriften, Comptabiliteitswet Informerend Financieel
Klimaatnota Rijksbreed Vormvrij (volgt uit Klimaatwet) Verantwoording Niet-financieel
Duurzaamheidsverslag Ministerie Vrije keuze (voornamelijk GRI) Verantwoording Niet-financieel
Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk Rijksbreed Vormvrij Verantwoording Niet-financieel
C02 managementplan Ministerie SKAO Handboek Verantwoording Niet-financieel
Monitor Brede Welvaart Nationaal Conference of European Statisticians-systematiek Informerend Niet-financieel
Factsheets Brede Welvaart Nationaal Vormvrij Informerend Niet-financieel
SDG-rapportage Nationaal Vormvrij Informerend Niet-financieel
Miljoenennota Rijksbreed Vormvrij (volgt uit Comptabiliteitswet) Informerend Financieel

Tabel 1 geeft inzicht in de verscheidenheid aan – en het al dan niet gereguleerd zijn van –duurzaamheidsrapportages. Een eenduidig rapportagestelsel met het oog op vergelijkbare informatie zoals de ESRS voorstaat, geldt zoals eerder gesteld niet voor overheden. Internationaal gezien is hier wel belangstelling voor, en IPSASB (2023) heeft al aangegeven dat zij in 2025 de eerste duurzaamheidsstandaarden voor publieke organisaties wil uitbrengen.

De tabel roept de vraag op of het Rijk niet te versnipperd en te ongestructureerd informatie verschaft. Een dergelijke versnippering kan betekenen dat de informatie niet efficiënt tot stand komt, inconsistent is, en daardoor lastig vergelijkbaar is. De documenten tonen ook de beperkte directe relatie met de financiële verslaggeving. Financiële gevolgen van bedrijfs- en beleidsvoering ziet men alleen terug in de reguliere comptabele verslaggeving zoals de departementale jaarverslagen. De motie van Hammelburg uit 2021 (Tweede Kamer der Staten-Generaal 2021a, b), die de regering verzoekt om een voorstel te doen om de bredewelvaartsindicatoren een centrale positie te geven in de begrotingen en jaarverslagen, is aangenomen, maar dit heeft vooralsnog niet tot vergaande integratie geleid.

3. Theorie en kaders

Bovens (2005) onderscheidt drie redenen voor publieke verantwoording in zijn algemeenheid:

  1. democratische controle van het overheidsoptreden;
  2. tegengaan van machtsconcentraties; en
  3. vergroting van het leervermogen.

De formele verantwoording over beleid, bedrijfsvoering en geld die ministeries jaarlijks op ‘Verantwoordingsdag’ aan de Staten-Generaal afleggen is, evenals de andere verantwoordingsdocumenten uit Tabel 1, voor alle drie doeleinden van belang.

Verantwoording afleggen is de spiegel van het aanvaarden van verantwoordelijkheden, en heeft betrekking op de realisatie van die verantwoordelijkheden ten opzichte van verwachtingen. Die verantwoordelijkheid kan via wet- en regelgeving, zoals in de Comptabiliteitswet 2016, aan bestuurders van publieke organisaties formeel zijn toegedeeld, maar ook voortvloeien uit opvattingen van stakeholders en uit intrinsieke motivatie. Dit betekent dat de inhoud van publieke verantwoording en de daarmee verbonden verslaggeving als afhankelijke variabele wordt aangedreven door formele en informele normatieve uitgangspunten over verantwoordelijkheid. In de publieke sector luidt die verantwoordelijkheid in termen van goed openbaar bestuur – extern en intern –, inclusief het daarbij doeltreffend, doelmatig en rechtmatig innen en besteden van publiek geld (Dees 2009). Duurzaamheidsverslaggeving is een van de middelen om verantwoording af te leggen. Hiermee kunnen bestuurders de kans krijgen om beleid rond duurzaamheid zowel uit te leggen als te rechtvaardigen (Aucoin and Heintzman 2000), en om van andere overheden te leren (Bovens 2005). Een wettelijke verplichting voor duurzaamheidsverantwoording bestaat echter niet specifiek voor de Rijksoverheid. Wel moet zij zich verantwoorden over haar beleid en bedrijfsvoering, waarbij ook duurzaamheidsonderwerpen relevant kunnen zijn.

Alhoewel een duurzaamheidsverslag niet verplicht is, brachten diverse ministeries (IenW, EZK/LNV, BuZa en Defensie) in 2023 vrijwillig een openbaar duurzaamheidsverslag uit. Mol et al. (2024) onderzochten recent wat de redenen waren voor het vrijwillig rapporteren van duurzaamheidsinformatie bij gemeenten. Deze redenen zijn zowel economisch van aard, waarbij een kosten-batenanalyse door het verkleinen van informatieasymmetrie centraal staat, als sociaal-politiek. Bij sociaal-politieke theorieën staan de legitimiteits-, accountability- en stakeholdertheorie centraal.

In dit onderzoek naar duurzaamheidsverslaggeving bij het Rijk worden economische theorieën over het afleggen van verantwoording niet verder toegepast. Het verlagen van informatieasymmetrie lijkt namelijk, zo blijkt uit het onderzoek van Mol et al. (2024), geen majeure drijfveer te zijn voor (vrijwillige) duurzaamheidsverantwoording.

De sociaal-politieke theorieën worden volgens het onderzoek van Mol et al. (2024) breder gedragen. Zowel de legitimiteits-, accountability- als stakeholdertheorie zijn van belang voor het Rijk. De legitimiteitstheorie (ofwel het ‘maatschappelijk contract’ van Rousseau (1799)) gaat uit van het voldoen aan een verwachting van de maatschappij. Het niet voldoen aan deze verwachting leidt tot een afname van de ‘licence to operate’. Dit zou het draagvlak voor beleid kunnen ondergraven.

Bovens (2007) beschrijft in zijn conceptuele raamwerk accountability vanuit drie verschillende perspectieven: het democratische, constitutionele en lerende perspectief:

  • Vanuit het democratische perspectief geldt dat verantwoording afleggen over duurzaamheidskwesties nodig is. De maatschappij heeft behoefte aan informatie om te bepalen of de overheid zich houdt aan duurzaamheidsbeloftes.
  • Vanuit het constitutionele perspectief is verantwoording nodig om de neiging van macht, om zich te concentreren bij de uitvoerende macht, te beperken. Het Rijk neemt de afgelopen jaren toe in omvang en verantwoordelijkheden. Dat gaat volgens het raamwerk van Bovens (2007) gepaard met toenemende macht. De effecten van de toenemende macht en omvang lijken dus ingeperkt te kunnen worden met (duurzaamheids)verantwoording.
  • Vanuit het lerende perspectief wordt duurzaamheidsverslaggeving gezien als een mogelijkheid tot verbetering. Denk hierbij aan het leren van fouten, maar ook aan het delen van successen.

De stakeholdertheorie (1984) van Freeman geeft aan dat verantwoordingsinformatie een middel is om aan te tonen dat een organisatie waarde levert aan haar stakeholders. De stakeholdertheorie lijkt daarmee te suggereren dat duurzaamheidsinformatie bijdraagt aan de legitimiteit van de organisatie.

4. Onderzoeksmethode

Duurzaamheidsinformatie komt uit diverse bronnen, waaronder begrotingen. Begrotingen vallen niet onder de noemer van verantwoordingsinformatie, maar zijn volgens Van Helden and Reichard (2019) van groot belang voor besluitvorming door een van de kerngebruikers van overheidsinformatie – politici. Omdat dit onderzoek breed is opgezet, vallen zowel informerende als verantwoordingsdocumenten onder het onderzoek.

Voor dit onderzoek werd gebruik gemaakt van openbaar beschikbare informatie. De documenten zijn handmatig verzameld van websites van de Rijksoverheid. In Bijlage 1 Documentenoverzicht is het totaaloverzicht aan rapportages opgenomen. De informatie is verzameld en gecategoriseerd door de Auditdienst Rijk (ADR). De rapportages voldoen aan de volgende criteria:

  • De documenten zijn uitgebracht namens of door de Nederlandse Rijksoverheid.
  • De documenten hebben betrekking op 2023.
  • De documenten zijn openbaar.
  • De documenten bevatten ESG-informatie.

Op basis van de voornoemde criteria zijn 84 relevante documenten onderzocht. Het onderzoek is beperkt tot de ministeries. Documenten van uitvoerende organisaties, agentschappen en ZBO’s e.d., zijn niet opgenomen in het onderzoek. Daarvan wordt verondersteld dat zij middels de ministeriële rapportages (begroting en jaarverslag) verantwoording afleggen en dat eventuele rapportages over duurzaamheidsonderwerpen hierin geaggregeerd zijn meegenomen.

De documenten zijn onderzocht met gebruik van de tekst­analysesoftware van ATLAS.TI. Hierdoor kunnen rapportages efficiënt onderzocht worden op sleutelbegrippen. Deze zijn gebaseerd op sleutelbegrippen in ESRS 1 A16 in combinatie met een analyse van IG 3: List of ESRS Datapoints van EFRAG (EFRAG 2024), aangevuld met synoniemen (zie voor een lijst van zoektermen Bijlage 2).3 Deze werkwijze is in beginsel grofmazig en kijkt vooral naar de grote lijnen. De zoektermen zijn intern gevalideerd in het onderzoeksteam (dat uit vijf personen bestaat).

Door het gebruik van ATLAS.TI kon deze grofmazige aanpak enigszins verfijnd worden. ATLAS.TI geeft per hit de context van de resultaten weer. Zodoende konden aanpassingen worden gemaakt in de zoektermen en konden vals-positieve resultaten worden verwijderd. Denk daarbij aan hits op het woord ‘cultuur’ bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Voor dubbele termen in de ESRS-groepen (bijvoorbeeld: Opleiding komt voor in S1 en S2; Adequate Huisvesting komt voor in S1, S2 en S3) is per hit beoordeeld in welke groep de hit thuishoort. Vervolgens is die hit gehercodeerd naar de desbetreffende groep.

Om meer diepgang aan de resultaten te geven zijn de hits op ESRS E1 Klimaatverandering verder onderzocht, omdat van tevoren werd verwacht dat de meeste informatie beschikbaar zou zijn over dit meest prominente duurzaamheidsonderwerp. Hierbij zijn de resultaten uit de ESRS E1 analyse handmatig gecodeerd (zie codeboek in Bijlage 3) naar type informatie (beleid, acties, resultaten, e.d.).

Er werd in dit onderzoek geen onderscheid gemaakt tussen duurzaamheid vanuit beleids- en bedrijfsvoeringperspectief. Beide perspectieven werden van belang geacht. Verder wordt er een relatief basale koppeling gelegd met mogelijke theoretische verklaringen. Eenvoudig, omdat we geen strak geformuleerde hypotheses opstellen. Dat komt onder andere doordat meerdere breed toepasbare theorieën als verklarend kader worden gebruikt. Specifiekere theorieën zijn er niet, daarnaast overlappen de theorieën elkaar ook gedeeltelijk. Zo kent de stakeholdertheorie bijvoorbeeld legitimiteitselementen (Mitchel et al. 1997), en de legitimiteitstheorie kent accountability-elementen (Deegan 2002).

5. Resultaten en duiding

Het onderzoek is, zoals eerder genoemd, verdeeld in twee segmenten. Het eerste deel richt zich op de resultaten van het onderzoek naar sleutelbegrippen uit de ESRS. Het tweede deel heeft betrekking op de resultaten vanuit de ESRS E1-analyse.

5.1. Resultaten deel 1

Op basis van het eerste gedeelte van dit onderzoek worden achtereenvolgens vier tabellen besproken met de volgende inhoud:

  • een samenvattende tabel met het aantal documenten, de financiële omvang en de beleidsvelden van het ministerie;
  • verdeling van ESG-thema’s over het gehele Rijk;
  • verdeling van de ESRS-thema’s per ministerie (relatief en absoluut);
  • ESRS-thema’s per documentsoort.

Naast de wettelijke bepaling dat ministeries verantwoording afleggen over het gevoerde beleid zijn er geen duidelijke normen, maar slechts verwachtingen of eigen ideeën over de ESG-onderwerpen waarover zij verder informatie verschaffen. In Tabel 2 zijn de ministeries, met het aantal voor hen onderzochte documenten, hun financiële omvang en de beleidsvelden waarvoor zij verantwoordelijkheid dragen weergegeven. Op basis van de accountability-theorie werd verwacht dat ministeries – naast het zich conformeren aan de wettelijke verplichtingen – informatie naar buiten brengen over hun verantwoordelijkheden c.q. beleidsvelden. Vanuit de legitimiteitstheorie werd verwacht dat grotere ministeries uitgebreider verantwoording afleggen. Op basis van het aantal documenten waarin dergelijke informatie voorkomt, kan worden vermoed dat accountability-gerelateerde prikkels bijdragen aan verslaggeving over verantwoordelijkheden en beleidsvelden buiten de gangbare verslaggevingsnormen.

Voor zover bij ons bekend, bestaat er op dit moment geen koppeling tussen de beleidsvelden van de Rijksover­heid en het ESG-kader. Op basis van eigen interpretatie hebben wij een voorlopige relatie opgesteld, zie Tabel 2. De dimensies ‘Environment’ (E) en ‘Social’ (S) zijn geïnterpreteerd in lijn met de intenties van het ESG-kader, waarbij Nederland als waardeketen centraal staat. De ‘Governance’-component relateren wij aan aspecten van het landsbestuur, waaronder de kracht en effectiviteit van instituties en onze rechtsstaat (Fukuyama 2013).

Tabel 2.

Omvang ministeries.

Ministerie Uitgaven in 2023 (x miljard €) Aantal documenten Beleidsveld* Relevantie ESG (verwachting)
Algemene Zaken 0,6 4 Coördinatie algemeen regeringsbeleid Governance
Buitenlandse Zaken 14,4 8 Buitenlandsbeleid & internationale ontwikkeling Milieu & Sociaal
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 10,8 10 Binnenlandsbeleid (incl. Caribisch Nederland, democratie en openbaar bestuur. Governance
Defensie 19,8 7 Bescherming grondgebied, bevorderen internationale rechtsorde en bijstaan bij rampen. Milieu & Sociaal
Economische Zaken en Klimaat 7,8 10 Stimuleren innovatie en ondernemingsklimaat, Klimaat Milieu & Sociaal
Financiën 3,1 5 Rijksfinanciën Governance
Infrastructuur en Waterstaat 14,5 10 Bodem en ondergrond, landelijke gebieden, wegen en vaarwaternet Milieu
Justitie en Veiligheid 21,3 3 Rechtsorde, inclusief politie Governance
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2,6 3 Landbouw, natuur en voedselveiligheid Milieu
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 49,6 4 Onderwijs, kunst en cultuur Sociaal
Sociale Zaken en Werkgelegenheid 110,9 5 Werk en bestaanszekerheid Sociaal
Volksgezondheid, Welzijn en Sport 111,3 4 Gezondheid en Zorg
Rijksbrede documenten N.v.t. 7 Brede Welvaart-indicatoren, SDG-rapportages Milieu & Sociaal
Overig 4 Hoge Colleges van Staat

In Tabel 3 zijn de hits op basis van de ESG-thema’s in absolute getallen weergegeven. In Tabel 4 zijn de hits op basis van de ESRS-standaarden weergegeven. Tabel 3 en 3b sluiten niet geheel aan. Het verschil wordt verklaard door termen, gelieerd aan ESRS 1/2.

Tabel 3.

ESG-hits.

ESG Absoluut %
Environmental 5522 42%
Social 6525 50%
Governance 1035 8%
Totaal 13082 100%

In Tabel 4 is te zien dat over bepaalde ESRS-standaarden (E2, E3, E4, S1, S4) relatief weinig wordt gerapporteerd. Hier is een aantal mogelijke verklaringen voor. Ten eerste kan de terminologie van het Rijk niet overeenkomen met die van de ESRS – wat zeker geldt voor S4 over consumenten. Ten tweede is het mogelijk dat de informatie voornamelijk intern wordt gerapporteerd (en dus niet in de onderzochte documenten), en ten derde dat het onderwerp niet materieel is in vergelijking met andere onderwerpen. Overige verklaringen zijn wellicht dat de data niet betrouwbaar genoeg zijn om te rapporteren, of dat er bewust weinig over bepaalde onderwerpen wordt gerapporteerd. De minimale rapportage over S1-onderwerpen (3,1%) is vooral opvallend, aangezien het bedrijfsleven juist verplicht is te rapporteren over personeelsaangelegenheden (De Bruijn et al. 2007).

Tabel 4.

ESRS-hits.

ESRS Absoluut %
ESRS 1/2 2040 13,5%
E1 Klimaatverandering 3705 24,5%
E2 Verontreiniging 150 1,0%
E3 Water en Mariene hulpbronnen 242 1,6%
E4 Biodiversiteit en Ecosystemen 253 1,7%
E5 Circulaire economie 1172 7,8%
S1 Eigen personeel 469 3,1%
S2 Werknemers in de waardeketen 4249 28,1%
S3 Getroffen gemeenschappen 1488 9,8%
S4 Consumenten en eindgebruikers 319 2,1%
G1 Zakelijk gedrag 1035 6,8%
Totaal 15122 100,0%

In Tabel 5 is de relatieve verdeling van de gevonden ESG-hits, per ESRS-thema per ministerie weergegeven.4 Daarbij is 100% het totaal aantal ESG-hits per ministerie. Op basis van Tabel 5 kan worden gesteld dat ministeries logischerwijs nadruk leggen op verantwoording over de bij hen behorende beleidsthema’s. Dit geeft tevens steun aan de legitimiteitstheorie, omdat immers wordt verwacht dat een ministerie informatie verschaft over hetgeen waarvoor zij verantwoordelijk is. Daarbij valt op dat Defensie relatief veel rapporteert over het eigen personeel (33% van de hits zijn S1-hits) ten opzichte van de overige ministeries. Een gedeeltelijke verklaring is de rapportage over de personele gereedheid en het vervullen van personele behoefte van Defensie. Accountability kan hierbij als prikkel hebben gewerkt, want de breedte van het afdekken van thema’s is duidelijk, zowel binnen als buiten de beleidsterreinen.

Tabel 5.

ESRS-verdeling per ministerie (relatief).

ESRS/Ministerie AZ BZ BZK DEF EZK FIN IenW JenV LNV OCW SZW VWS Rijksbreed
ESRS 1&2 34% 8% 18% 10% 11% 27% 15% 14% 20% 10% 16% 15% 8%
E1 Klimaatverandering 5% 17% 13% 9% 60% 39% 26% 1% 16% 1% 18% 1% 38%
E2 Verontreiniging 0% 0% 1% 0% 0% 0% 3% 0% 1% 0% 0% 0% 2%
E3 Water en Mariene hulpbronnen 0% 0% 0% 0% 0% 0% 7% 0% 4% 0% 0% 0% 2%
E4 Biodiversiteit en Ecosystemen 1% 1% 1% 0% 1% 0% 1% 0% 19% 0% 0% 0% 2%
E5 Circulaire economie 1% 7% 4% 0% 9% 4% 24% 1% 3% 0% 2% 2% 8%
S1 Eigen personeel 6% 2% 7% 33% 1% 1% 1% 5% 1% 0% 2% 0% 3%
S2 Werknemers in de waardeketen 32% 44% 36% 30% 10% 16% 18% 44% 10% 55% 41% 54% 17%
S3 Getroffen gemeenschappen 14% 6% 9% 12% 6% 7% 4% 15% 8% 11% 12% 14% 18%
S4 Consumenten en eindgebruikers 6% 8% 3% 1% 2% 2% 0% 4% 0% 1% 2% 1% 1%
G1 Zakelijk gedrag 0% 5% 9% 5% 1% 4% 1% 16% 17% 22% 8% 13% 2%
Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100%

In tegenstelling tot het Nederlandse bedrijfsleven, waar de nadruk ligt op het eigen personeel (S1) (Kamp-Roelands et al. 2021), wordt bij de Rijksoverheid weinig gerapporteerd over S1, maar juist uitvoerig over S2–S4. Bij S2–S4 is de kanttekening dat het lastig is om te duiden wanneer iemand onderdeel is van de waardeketen, een getroffen gemeenschap en/of consument van beleid. Wanneer beleid wordt gezien als het product van de overheid, dan valt vrijwel iedereen onder de ‘downstream’ activiteiten van het Rijk. Tegelijkertijd is iedereen verplicht ‘consument’ van datzelfde beleid. In sommige gevallen kan men ook nog eens onderdeel zijn van een getroffen gemeenschap, van datzelfde beleid. Ditzelfde probleem ziet men terug bij G1 Zakelijk Gedrag, waarbij de termen gericht zijn op bedrijfsvoering en dus niet op de effecten van beleid. Op deze punten vraagt (eventuele) toepassing van de ESRS bij de Rijksoverheid dus nog wel om een vertaalslag.

In de Rijksbrede documenten wordt vooral de nadruk gelegd op klimaatverandering en sociale thema’s. De oorzaak hiervan kan gezocht worden in de oorsprong van de SDG-rapportages en de Brede Welvaart-indicatoren. Deze rapportages geven gestructureerd informatie over de nationale economische groei, sociale ontwikkeling en het milieu.

In Tabel 6 is de ESRS-verdeling per ministerie in absolute zin weergegeven. De aanname is dat de omvang van de ministeries, naast de beleidsvelden, invloed heeft op de verantwoording. Daarnaast is het aantal hits per ESG-onderwerp wellicht enigszins vertekenend. Het zegt namelijk slechts iets over de aandacht in de externe rapportages – maar niets over de kwaliteit van de informatie. Niettemin wordt enige relatie verwacht tussen het aantal hits op een onderwerp en het belang dat eraan gehecht wordt. Vanuit dat oogpunt valt het lage aantal hits bij E1 Klimaatverandering (49 hits van de 533) op. Klimaatverandering is echter een belangrijk onderwerp voor Defensie; het valt onder het Strategisch Kompas van de EU inzake veiligheidsrisico’s. Een verklaring voor het lage aantal klimaat hits bij Defensie is mogelijk dat verantwoording op het gebied van klimaatverandering niet altijd openbaar wordt gemaakt.

Tabel 6.

ESRS-verdeling per ministerie (absoluut).

ESRS/Ministerie AZ BZ BZK DEF EZK FIN IenW JenV LNV OCW SZW VWS Rijksbreed Totaal
ESRS 1&2 33 110 209 52 221 221 351 146 140 104 136 124 176 2040
E1 Klimaatverandering 5 230 144 49 1180 318 623 11 113 12 157 11 851 3705
E2 Verontreiniging 0 2 8 0 9 3 73 0 9 0 0 1 45 150
E3 Water en Mariene hulpbronnen 0 2 3 0 2 0 162 0 29 0 0 1 43 242
E4 Biodiversiteit en Ecosystemen 1 14 15 2 14 0 24 1 130 2 2 0 48 253
E5 Circulaire economie 1 87 41 2 178 30 582 7 22 1 17 16 188 1172
S1 Eigen personeel 6 25 81 176 16 7 14 51 5 1 13 4 59 469
S2 Werknemers in de waardeketen 31 585 414 159 194 129 436 451 73 576 349 454 376 4249
S3 Getroffen gemeenschappen 13 84 106 63 116 53 102 156 53 112 102 115 397 1488
S4 Consumenten en eindgebruikers 6 111 29 5 32 20 12 39 2 6 15 6 6 319
G1 Zakelijk gedrag 0 66 101 25 21 32 32 162 122 229 66 113 51 1035
Totaal 96 1316 1151 533 1983 813 2411 1024 698 1043 857 845 2240 15122

De aandacht voor E2–E4 in de rapportages is, ook in absolute zin, bij het gehele Rijk minimaal. Terwijl het belangrijke onderwerpen zijn voor het Rijk, zowel vanuit het perspectief van bedrijfs- als beleidsvoering. Het ligt wel in lijn met de verwachting, vanuit het oogpunt van accountability, dat LNV (130 hits) rapporteert over E4 Biodiversiteit en Ecosystemen, onder andere door hun verantwoordelijkheid voor de uitvoering en rapportage over de EU-Biodiversiteitstrategie 2030. Tevens was het de verwachting dat IenW, aangezien Rijkswaterstaat onderdeel is van het ministerie, rapporteert over E3 Water en Mariene hulpbronnen (162 hits). Het is echter verrassend dat Defensie niet rapporteert over E2 Verontreiniging (0 hits), aangezien vervuiling (door bijvoorbeeld straalvliegtuigen) onmiskenbaar invloed heeft.

In Tabel 7 is, in relatieve zin, weergegeven in welke documenten de ESRS-thema’s voorkomen.5 Informatie staat voornamelijk in de begrotingen. De begrotingen en jaarverslagen behoren een spiegel van elkaar te zijn. Dit is in grote lijnen ook zo gebleken uit het onderzoek. Aangezien dit een exploratief, grofmazig onderzoek betreft zijn kleine verschillen niet relevant. Duurzaamheidsverslagen hebben een relatief groot aandeel in de hits bij E1 Klimaatverandering (24,2% van E1) en E5 Circulaire Economie (15,8% van E5) en richten zich vooral op milieuaspecten. Bij het Rijk (IenW, EZK/LNV, BuZa) ligt de focus in de praktijk voornamelijk op bedrijfsvoering en milieukwesties. Echter, rapportage over het bredere duurzaamheidsspectrum, inclusief mens en governance, sluit beter aan bij de stakeholdertheorie. Dit roept de vraag op of duurzaamheidsverslagen niet te eenzijdig gericht zijn op de E-pijler van ESG.

Tabel 7.

ESRS/Documentsoort.

ESRS 1/2 E1 E2 E3 E4 E5 S1 S2 S3 S4 G1
Begrotingen 44% 28,2% 34,7% 43,0% 42,3% 33,1% 34,1% 47,1% 36,2% 44,8% 48,8%
Jaarverslagen 37% 22% 33% 29% 32% 29% 44% 38% 25% 34% 43%
Duurzaamheidsverslagen 9% 24,2% 2,0% 1,2% 5,9% 15,8% 9,6% 2,3% 5,0% 8,5% 1,9%
Rijksbreed 10% 26% 30% 27% 20% 22% 13% 13% 34% 13% 6%
Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100%

5.2. Resultaten deel 2

Op basis van het tweede gedeelte van dit onderzoek worden achtereenvolgens twee tabellen (Tabellen 8 en 9) besproken met de volgende inhoud:

  • Verhouding kwalitatief/kwantitatief per documentsoort
  • Type informatie per ministeries

Hier wordt nader bekeken welk soort informatie werd aangetroffen in de onderzochte rapportages. Er is voor gekozen om alleen ‘E1 Klimaatverandering’ op deze wijze te onderzoeken. Deze beperking komt door het exploratieve karakter van het onderzoek. Het was vooraf namelijk niet duidelijk of deze tijdsintensieve wijze van onderzoek nuttig zou zijn. De keuze voor diepgaander onderzoek viel op ‘E1 Klimaatverandering’, doordat dit onderwerp bij alle ministeries relatief veel hits opleverde in het eerste gedeelte van het onderzoek, en in het algemeen veel in de belangstelling staat. In Bijlage 3, Codeboek, is de wijze van codering weergegeven.

In Tabel 8 is de relatieve verdeling van kwalitatieve vs. kwantitatieve informatie per documentsoort weergegeven.6 Hieruit valt op te maken dat de informatie in de begrotingen, jaarverslagen en duurzaamheidsverslagen veelal kwalitatief van aard is. In de Rijksbrede informatie wordt voornamelijk kwantitatieve informatie weergegeven (67,10% is kwantitatief). Hier wordt de invloed van de Monitor Brede Welvaart en de SDG-rapportage (deze zijn in vergelijking met de overige stukken overwegend kwantitatief van aard) duidelijk. Deze tabel roept de vraag op of het Rijk in voldoende mate KPI’s formuleert om het effect van zowel beleid als bedrijfsvoering in kaart te brengen.

Tabel 8.

Type informatie E1 Klimaatverandering.

Kwalitatief Kwantitatief
Begrotingen 84,50% 15,50%
Jaarverslagen 78,70% 21,30%
Duurzaamheidsverslagen 71,80% 28,20%
Rijksbreed 32,90% 67,10%
Totaal 64,90% 35,10%

In Tabel 9 is per ministerie, in absolute zin, het aantal hits weergegeven op het thema E1 Klimaatverandering. Het valt op dat de indicatoren/resultaten voornamelijk worden gevonden in de Rijksbrede informatie, maar niet in de verantwoording van de ministeries. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat het meetbaar maken van resultaten van het beleid voor ministeries niet mogelijk is. Een andere verklaring is dat er niet voor al het beleid een verplichting is om te rapporteren.

Tabel 9.

Informatie per ministerie.

AZ BZ BZK DEF EZK FIN IenW JenV LNV OCW SZW VWS Overig Rijksbreed Totaal Rijk
Beleid 0 18 13 7 106 28 96 2 15 1 11 3 0 53 353
Doelstellingen 1 15 15 3 87 37 52 1 10 1 15 0 0 42 279
Acties/Plannen 0 35 37 11 176 34 85 1 29 5 40 2 1 111 567
Indicatoren/resultaten 0 32 14 5 116 54 98 3 14 1 10 1 0 510 858
Algemene informatie 3 21 2 4 27 9 36 1 2 1 5 0 0 55 166
Overig 0 19 33 8 304 67 95 0 21 3 19 3 0 22 594
Totaal 4 140 114 38 816 229 462 8 91 12 100 9 1 793 2817

6. Beperkingen

Het onderzoek is, zoals eerder genoemd, grofmazig. Hierdoor zijn er inherente beperkingen aan het onderzoek. De volgende beperkingen achten wij van belang om te benoemen.

De documenten zijn geanalyseerd met de tekstanalysesoftware van ATLAS.TI, waarmee in de dataset is gezocht naar ESRS-sleutelbegrippen. Dit is in beginsel, zoals zojuist opgemerkt, grofmazig.

Er is ook alleen gebruik gemaakt van openbare documenten; interne rapportages zijn niet gebruikt. Bij de validatie van de gegevens is kennisgenomen van aanvullende documentatie. Denk hierbij aan de Klimaat en Energieverkenning (KEV) en de integriteitsverslagen van de ministeries. In vervolgonderzoek kan wellicht informatie van grote uitvoeringsorganisaties worden toegevoegd.

In dit onderzoek is geen onderscheid gemaakt tussen beleids- en bedrijfsvoering. Een verdere uitsplitsing van de perspectieven kan een ander beeld geven.

Het Rijk is, zoals eerder gesteld, niet verplicht om te rapporteren met behulp van termen uit de CSRD en de gelieerde ESRS’en. Als bepaalde termen niet worden gebruikt, is dat geen indicatie dat het desbetreffende thema niet van belang is of in de praktijk geen aandacht krijgt. Het is alleen indicatief voor het feit dat de opstellers van de rapportages deze termen niet hebben gebruikt.

7. Conclusie en slotbeschouwingen

In dit onderzoek is onderzocht óf – en zo ja, in hoeverre – de Rijksoverheid rapporteert over duurzaamheidsthema’s uit de ESRS. Hierbij waren de centrale vragen:

  • Verschaft het Rijk al informatie over alle (materiële) ESG-onderwerpen – en zo ja, in hoeverre?
  • Zijn er binnen het Rijk verschillen met betrekking tot de ESG-onderwerpen waarover wordt gerapporteerd?

Gebleken is dat de Rijksoverheid informatie verschaft over alle (materiële) ESG-thema’s. Het gewicht dat aan de thema’s wordt gegeven, lijkt in lijn te zijn met de beleidsmatige thema’s van de ministeries. Dit is consistent met legitimiteitstheorie. In de door ons onderzochte documenten worden echter de thema’s ESRS E2-4 (Verontreiniging, Water en Mariene hulpbronnen en Biodiversiteit en Ecosystemen) weinig (zowel beleidsmatig als vanuit bedrijfsvoeringsperspectief) benoemd door ministeries die geen directe beleidsmatige relatie hebben met het onderwerp.

Informatie is verspreid over diverse documenten, die afkomstig zijn uit diverse rapportagestelsels. Daarnaast wordt slechts in een beperkt aantal documenten een directe relatie gelegd met (beleids)informatie en de financiële gevolgen. Het zou in lijn zijn met het accountability-raamwerk van Bovens (2007) om op een begrijpelijke wijze transparant te zijn over de middelen die worden ingezet om de duurzaamheidsdoelen te bereiken. Door de versnippering wordt dit bemoeilijkt. Het roept ook de vraag op of er sprake is van doublures en/of inefficiëntie bij de verschillende systemen. Er lijkt nog geen sprake te zijn van geïntegreerde verslaggeving binnen het Rijk.

Het Rijk rapporteert dus op versnipperde wijze. Legitimiteits- en stakeholdervraagstukken kunnen versnippering in de hand werken vanwege de vooral ongereguleerde en vrijwillige elementen daarbij. Om de interne en externe vergelijkbaarheid te verhogen is het aan te raden een systematische benadering van duurzaamheidsverslaggeving te omarmen. Dit is in lijn met het lerende perspectief van het accountability-raamwerk van Bovens (2007).

Ligt in de ESRS een antwoord op de vraag hoe bovenstaande versnippering geminimaliseerd kan worden? Bij de uitvoering van het onderzoek werden twee potentiële mismatches geïdentificeerd. De ESRS lijkt inhoudelijk niet een-op-een toepasbaar bij het Rijk. De aangebrachte koppeling van ESRS-thema’s S2–S4 (Werknemers in de waardeketen, Getroffen gemeenschappen en Consumenten en eindgebruikers) met de duurzaamheidsinformatie van het Rijk bleek niet eenduidig. Een duidelijke scheiding tussen een getroffen gemeenschap en een eindgebruiker van de diensten van de overheid is soms niet te maken.

Een andere – potentiële – mismatch tussen de ESRS en het Rijk is het perspectief. De overheid richt zich op het creëren van beleid dat (mede) bevorderlijk is voor mens en milieu (de ‘keten’ bij een overheid is de maatschappij). Het Rijk heeft de meeste impact middels beleid, en in veel mindere mate door zijn bedrijfsvoering. Vanuit de CSRD is het perspectief echter het mitigeren van de (vaak negatieve) impact van de bedrijfsactiviteiten, zowel intern als in de waardeketen van bedrijven.

In het kader van het maatschappelijk contract en ‘accountability’ zou duurzaamheid naar onze mening vandaag de dag integraal onderdeel moeten uitmaken van goed openbaar bestuur. De Nederlandse code voor goed openbaar bestuur uit 2009 zou daarop moeten worden aangepast. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen duurzaamheid van de bedrijfsvoering (‘kleine d’) en duurzaamheid in het kader van het beleid richting samenleving (‘Grote D’) (Dees and De Jong 2024), laatstgenoemde mede te beschouwen vanuit duurzame ontwikkeling van het land als geheel – Brede Welvaart (‘Mega D’). Deze vormen van duurzaamheid zouden een vaste plek moeten krijgen in de duurzaamheidsverantwoording van ministeries, waarbij het gebruik van ESG-kaders de vergelijkbaarheid van de verslagen kan ondersteunen. Idealiter krijgt de essentie van deze duurzaamheidsinformatie een plaats in een geïntegreerd jaarverslag, waarin ook over de andere dimensies van goed openbaar bestuur verantwoording wordt afgelegd (Dees 2009).

R. Vogelsang MSc – Robert is duurzaamheidsauditor bij de Auditdienst Rijk en verbonden aan Nyenrode Business Universiteit.

Prof.dr. R. P. Orij – René is hoogleraar Corporate Sustainability Reporting bij het Center for Corporate Reporting, Finance & Tax van Nyenrode Business Universiteit en verbonden aan verschillende nationale en internationale academische journals op het gebied van accounting en sustainability.

Dr. M. Dees RA – Martin is strategisch adviseur bij de Algemene Rekenkamer en voormalig hoogleraar public auditing and accounting aan Nyenrode Business Universiteit.

Noten

1

De meest recente ontwikkelingen rondom de CSRD betreffen de Omnibus-richtlijn, waarbij de EC stelt dat de doelstellingen van de CSRD in stand blijven (EC 2025).

3

Specifieke details over de gehanteerde zoektermen worden vanwege diens omvang niet opgenomen in de bijlage. De gehanteerde zoektermen zijn vrij om op te vragen bij de hoofdauteur.

4

Alhoewel geen verantwoording wordt afgelegd in een begroting, zien wij de begroting als basis voor de uiteindelijke verantwoording.

5

Voor een volledige beschrijving van de beleidsvelden per ministerie, zie https://www.rijksfinancien.nl/memorie-van-toelichting/2024/OWB.

6

Het percentage is als volgt berekend: aantal hits per ESRS-thema/ totaal aantal ESG-hits per ministerie.

Literatuur

  • De Accountant (2009) Een goede publieke verantwoording straalt keuzes uit: Interview met M. Dees. De Accountant, juni, 60–62.
  • Aucoin P, Heintzman R (2000) The dialectics of accountability for performance in public management reform. International Review of Administrative Sciences 66(1): 45–55. https://doi.org/10.1177/0020852300661005
  • Bovens MAP (2005) Publieke verantwoording: Een analysekader. In: Bakker W, Yesilkagit K (Eds) Publieke verantwoording. Boom, Amsterdam, 25–55.
  • De Bruijn S, Van Offeren D, Oosting M (2007) Personeelsaangelegenheden in het bestuursverslag. Maandblad Voor Accountancy en Bedrijfseconomie 81(5): 197–206. https://doi.org/10.5117/mab.81.16911
  • Deegan C (2002) The legitimising effect of social and environmental disclosures – a theoretical foundation. Accounting, Auditing and Accountability Journal 15(3): 282–310. https://doi.org/10.1108/09513570210435852
  • Dees M (2009) Externe verslaggeving van publieke organisaties: Een multidisciplinair theoretisch kader vanuit een verticaal verantwoordingsperspectief [PhD thesis]. Radboud Universiteit.
  • EC [European Commission] (2025) Remarks by Commissioners Dombrovskis and Albuquerque on the proposals to simplify rules on sustainability and EU investments. Retrieved from Proposals to simplify rules on sustainability and EU investments.
  • Freeman RE (1984) Strategic Management: A stakeholder approach. Cambridge University Press.
  • Mol A, Van Schie V, Budding T (2025) Drivers of sustainability reporting by local governments over time: A structured literature review. Financial Accountability & Management 41(1): 200–229. https://doi.org/10.1111/faam.12407
  • Van Helden J, Reichard C (2019) Making sense of the users of public sector accounting information and their needs. Journal of Public Budgeting, Accounting & Financial Management 31(4): 478–495. https://doi.org/10.1108/JPBAFM-10-2018-0124

Bijlage 1

Tabel A1.

Documentenoverzicht.

Document Naam
CO2-managementplan SZW 2023
Monitor Brede Welvaart Trend en positie 2024
Achtste SDG rapportage 2024 – Nederland op weg naar brede welvaart
Begroting 2023 Algemene Zaken
Begroting 2023 Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Begroting 2023 Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
Begroting 2023 Buitenlandse Zaken
Begroting 2023 de Koning
Begroting 2023 Defensie
Begroting 2023 Defensiematerieelbegrotingsfonds
Begroting 2023 Deltafonds
Begroting 2023 Economische Zaken en Klimaat
Begroting 2023 Financiën en Nationale Schuld
Begroting 2023 Gemeentefonds
Begroting 2023 Hoge Colleges van Staat
Begroting 2023 Infrastructuur en Waterstaat
Begroting 2023 Justitie en Veiligheid
Begroting 2023 Koninkrijksrelaties
Begroting 2023 Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
Begroting 2023 Mobiliteitsfonds
Begroting 2023 Nationaal Groeifonds
Begroting 2023 Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Begroting 2023 Provinciefonds
Begroting 2023 Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Begroting 2023 Staten Generaal
Begroting 2023 Volksgezondheid, Welzijn en Sport
CO2-managementplan 2023-2024 IenW
CO2-managementplan EZK en LNV 2023
CO2-managementplan FIN 2022–2023
Dashboard Klimaatbeleid
Duurzaamheidsverslag BZ 2023
Duurzaamheidsverslag EZK&LNV – 2023
Duurzaamheidsverslag IenW 2023
Factsheet Brede Welvaart 2023 BZ
Factsheet Brede Welvaart 2023 BZK
Factsheet Brede Welvaart 2023 DEF
Factsheet Brede Welvaart 2023 EZK
Factsheet Brede Welvaart 2023 FIN
Factsheet Brede Welvaart 2023 IenW
Factsheet Brede Welvaart 2023 J&V
Factsheet Brede Welvaart 2023 LNV
Factsheet Brede Welvaart 2023 OCW
Factsheet Brede Welvaart 2023 SZW
Factsheet Brede Welvaart 2023 VWS
Factsheets Brede Welvaart 2023 BHOS Samenvatting
Factsheets Brede Welvaart 2023 BZ Samenvatting
Factsheets Brede Welvaart 2023 DEF Samenvatting
Factsheets Brede Welvaart 2023 EZK Samenvatting
Factsheets Brede Welvaart 2023 FIN Samenvatting
Factsheets Brede Welvaart 2023 IenW Samenvatting
Factsheets Brede Welvaart 2023 OCW Samenvatting
Factsheets Brede Welvaart 2023 SZW Samenvatting
Factsheets Brede Welvaart 2023 VWS Samenvatting
Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2023 Ministerie van BZK
Jaarverslag 2023 Algemene Zaken
Jaarverslag 2023 Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Jaarverslag 2023 Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
Jaarverslag 2023 Buitenlandse Zaken
Jaarverslag 2023 De Koning
Jaarverslag 2023 Defensie
Jaarverslag 2023 Defensiematerieelbegrotingsfonds
Jaarverslag 2023 Deltafonds
Jaarverslag 2023 Economische Zaken en Klimaat
Jaarverslag 2023 Financiën en Nationale Schuld
Jaarverslag 2023 Gemeentefonds
Jaarverslag 2023 Hoge Colleges van Staat
Jaarverslag 2023 Infrastructuur en Waterstaat
Jaarverslag 2023 Justitie en Veiligheid
Jaarverslag 2023 Koninkrijksrelaties
Jaarverslag 2023 Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
Jaarverslag 2023 Mobiliteitsfonds
Jaarverslag 2023 Nationaal Groeifonds
Jaarverslag 2023 Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Jaarverslag 2023 Provinciefonds
Jaarverslag 2023 Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Jaarverslag 2023 Staten-Generaal
Jaarverslag Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Klimaatnota 2023 Ministerie EZK
Miljoenennota 2024
Monitor Brede Welvaart Samenvatting 2024
Stand van Defensie voorjaar 2024

Bijlage 2

Tabel A2.

Hits op zoektermen.

ESRS-thema Aantal termen Aantal hits
ESRS 1/2 27 2019
E1 Klimaatverandering 46 3706
E2 Verontreiniging 15 150
E3 Water en Mariene hulpbronnen 23 242
E4 Biodiversiteit en Ecosystemen 23 253
E5 Circulaire economie 28 1172
S1 Eigen personeel 65 462
S2 Werknemers in de waardeketen 64 4248
S3 Getroffen gemeenschappen 32 1488
S4 Consumenten en eindgebruikers 23 180
G1 Zakelijk gedrag 16 1056
Totaal 362 14976

Bijlage 3. Codeboek

Tabel A3.

Resultaten E1 Klimaatverandering zijn handmatig gecodeerd in ATLAS.TI. ATLAS.TI geeft de context weer van de hits. Op basis van de context zijn de hits vervolgens gecodeerd naar type resultaat.

Code Uitleg
Actie Een uitvoerend kenmerk: Gaat het hier om een actie die ondernomen moet worden? Wordt hier een actie uitgevoerd of genomen waarmee een (beleids-)doel wordt bereikt?
Beleid Beleid: Betreft algemene beleidsmatige plannen of visie.
Doelstelling Doelstellingen (algemeen geformuleerd): Een doelstelling is concreter/specifieker dan beleid.
Indicatoren Indicatoren: Een meetkenmerk. Getallen/tabellen die inzicht geven in de voortgang van de acties c.q. resultaten.
Algemene informatie Algemene informatie: De informatie is op een te hoog abstractieniveau of heeft geen specifieke betrekking op de organisatie.
Overig Overig, denk bijvoorbeeld aan referenties naar Kamerbrieven
login to comment