Research Article
Print
Research Article
De gewenste say on climate in het Nederlandse vennootschapsrecht: reeds bestaand of toekomstmuziek?
expand article infoJan Anne Kwant‡, Dick de de Waard§|
‡ Bekend, Amsterdam, Netherlands
§ Rijksuniversiteit Groningen, Groningen, Netherlands
| University of Curaçao dr. Moises da Costa Gomez, Willemstad, Netherlands
Open Access

Samenvatting

In dit artikel wordt onderzocht in hoeverre het Nederlandse vennootschapsrecht toereikend is voor aandeelhouders die invloed willen uitoefenen op het klimaatbeleid van beursvennootschappen. Het vertrekpunt is dat het klimaatbeleid onderdeel is van de algemene strategie en het beleid en daarmee primair tot de bestuursbevoegdheid behoort, onder toezicht van de raad van commissarissen. Analyses van bepalingen uit Boek 2 BW, parlementaire stukken, literatuur, rechtspraak en AvA-evaluaties leren dat aandeelhouders beschikken over juridische instrumenten waarmee zij beperkt invloed kunnen uitoefenen op het klimaatbeleid van de vennootschap. De analyses van de relevante rechtsontwikkelingen op het gebied van environmental, social en governance (ESG)-wetgeving in de EU en in Nederland en de stappen die op dat gebied in Frankrijk worden gezet leveren weliswaar inspiratie op, maar voorlopig nog beperkte mogelijkheden.

Trefwoorden

Aandeelhoudersinvloed, beursvennootschappen, klimaatbeleid, klimaatverandering, ondernemingsrecht, onderzoek, say on climate

Relevantie voor de praktijk

Een deel van de aandeelhouders van Nederlandse beursvennootschappen wenst de vennootschappen waarin zij aandelen bezitten in de richting van een ambitieus klimaatbeleid te sturen. Om die reden is onderzocht in hoeverre aandeelhouders instrumenten worden geboden om invloed uit te oefenen op het klimaatbeleid van beursvennootschappen.

1. Inleiding

“Ik ben als CEO gebonden aan de wensen van onze aandeelhouders. (…) En nu denkt u bij aandeelhouders misschien aan oude witte mannen uit Wassenaar. Dan moet ik u helaas uit de droom helpen, want onze aandeelhouders bestaan voor het grootste deel uit uw pensioenfondsen. Die voelen uw hete adem in hun nek. (…) Dus stemmen ze consequent voor de hoogst haalbare opbrengst en desnoods de vuilste industrieën, zodat u er straks warmpjes bij zit, als u met pensioen gaat.” (Nuyens and De Wit (2020))1

Deze parafrase uit het script van het toneelstuk ‘De Zaak Shell’ belicht een belangrijk spanningsveld: de institutionele belegger als aandeelhouder van een Nederlandse beursvennootschap die nog veelal gericht is op winstmaximalisatie, ook als dat ten koste gaat van klimaatdoelen.

Klimaatverandering wordt breed ervaren als een steeds groter vraagstuk. Uit onderzoek blijkt dat bij een temperatuurstijging van 1°C de schade van gevaarlijke klimaatverandering een verlies van 12% BBP wereldwijd met zich meebrengt (Bilal and Känzig 2024). Er is dus ook een economische noodzaak om (de gevolgen van) gevaarlijke klimaatverandering tegen te gaan (Overkleeft 2025). Met de ondertekening van het Klimaatakkoord van Parijs hebben 195 landen afgesproken dat de opwarming van de aarde beperkt moet worden tot maximaal 2°C, maar bij voorkeur tot maximaal 1,5°C ten opzichte van het pre-industriële niveau. Naast nationale overheden stellen ook beursvennootschappen klimaatdoelen op, al worstelen zij eveneens vaak met het klimaatvraagstuk.

Vanuit diverse onderdelen van de maatschappij – waaronder activistische aandeelhouders – neemt de druk om actie te ondernemen op het gebied van klimaat op ondernemingen toe. Een organisatie als Follow This dient tijdens de algemene aandeelhoudersvergadering (AvA) aandeelhoudersresoluties aangaande het klimaatbeleid van beursvennootschappen in. Mede door de beperkingen uit de jurisprudentie hebben deze resoluties echter nog niet tot het gewenste resultaat geleid.

Na boekhoudschandalen als Enron en Ahold is nadrukkelijk gekeken naar een herpositionering van de AvA in het bestel van de checks & balances (Overkleeft 2017). Met het opstellen van de Code Tabaksblat en het doorvoeren van verschillende toevoegingen aan Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kregen aandeelhouders steeds meer mogelijkheden om invloed uit te oefenen en werden de bevoegdheden van de vennootschapsleiding ingeperkt. Al snel bleek dat (buitenlandse) hedge funds deze kansen aangrepen om meer invloed op het bestuur van de beursvennootschap uit te oefenen, waarbij dit niet altijd bijdroeg aan de langetermijnwaardecreatie of maatschappelijke belangen, zoals het klimaat (Overkleeft 2017). In reactie daarop kwam de politiek gedeeltelijk terug van het ingezette beleid om aandeelhouders meer instrumenten toe te kennen. Tegen deze achtergrond is de bredere discussie ontstaan over de vraag of aandeelhouders wel een goede invloed op beursvennootschappen kunnen hebben, aangezien zij toch vaak enkel rendement nastreven (Garcia Nelen 2020; Abma et al. 2017; De Kluiver 2023a). Een relevante vraag is dan: in hoeverre nemen aandeelhouders daadwekelijk hun verantwoordelijkheid – en daarop aansluitend: in hoeverre worden zij hierin belemmerd? Deze vragen bestrijken op zichzelf een omvangrijk onderzoeksgebied, maar vallen buiten de reikwijdte van dit onderzoek.

In het huidige Nederlandse vennootschapsrecht is het bestuur belast met het besturen van de vennootschap (2:129 BW). Bij de uitvoering van deze bestuurstaak richt het bestuur zich op het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Aangezien kwesties betreffende het klimaat het vennootschappelijk belang kunnen raken, verdienen zij bestuurlijke afweging. Het bepalen van het beleid en de strategie behoort primair tot deze bestuursbevoegdheid. In hoeverre kunnen aandeelhouders hier daadwerkelijk invloed op uitoefenen? Klimaatverandering is, zoals gesteld, een urgent probleem en de maatschappij en aandeelhouders oefenen steeds meer druk uit op het bestuur om een ambitieus klimaatbeleid te hanteren. De vraag die rijst is welke instrumenten aandeelhouders worden geboden om positieve invloed op het klimaatbeleid van de beursvennootschap te bewerkstelligen, ofwel:

“In hoeverre is het Nederlandse vennootschapsrecht toereikend voor aandeelhouders die invloed willen uitoefenen op het klimaatbeleid van de Nederlandse beursvennootschap en welke aanbevelingen dan wel aandachtspunten kunnen worden geformuleerd om de mate van toereikendheid uit te breiden?”

2. Onderzoeksmethode

Om tot de beantwoording van de onderzoeksvraag te komen is juridisch doctrinair onderzoek verricht. De toepassing van deze methode richt zich in dit onderzoek op het geldende recht en dan specifiek op Nederlandse, Europese en Franse wet- en regelgeving, jurisprudentie en literatuur. Het verkent het vennootschapsrechtelijke kader waarbinnen aandeelhouders het klimaatbeleid van de beursvennootschap kunnen beïnvloeden, mede gezien haar doorgaans brede en versnipperde aandeelhoudersbasis. Daarnaast zijn aandeelhouders van beursvennootschappen ook vaak beleggers, die net als andere aandeelhouders van beursvennootschappen vaak anoniem zijn (Raaijmakers 2009).

In het eerste deel van het onderzoek is de huidige positie van klimaatbeleid binnen het Nederlandse vennootschapsrecht onderzocht, met specifieke aandacht voor de vraag wie binnen de beursvennootschap verantwoordelijk is voor het formuleren van dit beleid (paragraaf 3). Daarnaast zijn bestaande juridische instrumenten geanalyseerd waarmee aandeelhouders invloed kunnen uitoefenen op het klimaatbeleid (paragraaf 4). Hiervoor zijn bepalingen uit Boek 2 BW, parlementaire stukken, literatuur en rechtspraak geraadpleegd. Tevens zijn de AvA-evaluaties van Eumedion geanalyseerd.

In het tweede deel van het onderzoek is gekeken naar relevante rechtsontwikkelingen op het gebied van environmental, social en governance (ESG)-wetgeving (paragraaf 5). Dit betreffen de gewijzigde Aandeelhoudersrichtlijn, de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD), de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD), de EU Omnibus Regulation, de Nederlandse Corporate Governance Code (de Code) en de amendementen inzake de say on climate bij de Franse Code de Commerce. Daarbij is onderzocht in hoeverre deze ontwikkelingen aandeelhouders beter in staat stellen om klimaatrelevante besluitvorming binnen de vennootschap te beïnvloeden. Ter afsluiting zijn in paragraaf 6 de conclusies en aanbevelingen opgenomen.

Dit onderzoek gaat uit van de premisse dat er aandeelhouders bestaan die hun aandeelhoudersrechten willen aanwenden om beursvennootschappen aan te sporen een ambitieus klimaatbeleid te voeren. Dit onderzoek hanteert de term say on climate voor alle mogelijkheden van aandeelhouders om invloed uit te kunnen oefenen op het klimaatbeleid van de vennootschap.

3. Het klimaatbeleid in het Nederlandse vennootschapsrecht

Om te kunnen beoordelen of het Nederlandse vennootschapsrecht toereikend is voor aandeelhouders die invloed willen uitoefenen op het klimaatbeleid van de vennootschap, is inzicht vereist in de juridische aard en positionering van dit beleid. Deze paragraaf gaat daarom in op de positie van het klimaatbeleid van beursvennootschappen binnen het Nederlandse vennootschapsrecht en wie verantwoordelijk is voor het opstellen van dit beleid.

3.1. Het klimaatbeleid van de Nederlandse beursvennootschap

Het duurzaamheidsbeleid van beursvennootschappen, waar het klimaatbeleid vaak onderdeel van is, beslaat in de meeste gevallen bedrijfsrelevante kwesties, die gekoppeld worden aan de kern van de missie en visie van de onderneming. Uit onderzoek dat in 2021 onder 35 beursvennootschappen is uitgevoerd, is gebleken dat 97% van deze vennootschappen duurzame doelstellingen had opgesteld, waarvan 34% deze had neergelegd in een aparte strategie2 (Van Aartsen et al. 2022). De versterking van het langetermijnsucces van vennootschappen in de vorm van een ambitieus klimaatbeleid blijft daarentegen vaak achter bij de kortetermijnrendementen die worden nagestreefd (zie bijvoorbeeld het afzwakken van de duurzaamheidsdoelen van Shell en Unilever3,4 (Shell Plc 2025; Garcia Nelen 2020). Hierdoor kan het voorkomen dat aandeelhouders van mening zijn dat deze vennootschappen te weinig doen om gevaarlijke klimaatverandering tegen te gaan.

3.2. Beleid en strategie in het Nederlandse vennootschapsrecht

In het Nederlandse vennootschapsrecht is het bestuur belast met het besturen (waaronder strategie en beleid) van de vennootschap (2:129 lid 1 BW). De Raad van Commissarissen (RvC) houdt in een two-tier structuur toezicht op het beleid van het bestuur en de algemene zaken (2:140 lid 2 BW). De two-tier structuur is in dit onderzoek als uitgangspunt genomen. Dit onderzoek sluit, bij het ontbreken van een wettelijke definitie van strategie, aan bij de definitie van Nieuwe Weme en Salemink, die strategie omschrijven als de door het bestuur vastgestelde doelstellingen op lange termijn (Nieuwe Weme and Salemink 2025; Timmerman 2021). Door bestuursautonomie kan het bestuur zelfstandig bepalen op welke wijze hij zijn taken vervult en bevoegdheden uitoefent (Nieuwe Weme and Salemink 2025). Het bestuur is hierdoor vrij in het (zonder goedkeuring door de AvA) opstellen van een klimaatbeleid. Het bestuur dient de AvA echter wel achteraf hierover te informeren, waarmee het bestuur verantwoording aflegt. De AvA kan vervolgens slechts haar opvattingen over het klimaatbeleid kenbaar maken via de bevoegdheden die haar op grond van de wet of de statuten toekomen, met inachtneming van de bestuursautonomie (De Jongh 2021).

Doordat het Nederlandse vennootschapsrecht uitgaat van het stakeholdermodel, richt het bestuur van de vennootschap zich bij het opstellen van de strategie en het beleid op het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming (2:129 lid 5 BW) (De Brauw 2022). Wat onder het vennootschappelijk belang dient te worden verstaan, is echter niet vastgelegd. De Hoge Raad (HR) heeft in het Cancun-arrest bepaald dat:

  1. wanneer aan de vennootschap een onderneming is verbonden, het vennootschapsbelang over het algemeen wordt bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van de onderneming; en
  2. het bestuur en de RvC zorgvuldigheid moeten betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en de onderneming zijn betrokken.

Doordat de definitie van het bestendige succes verder niet door de HR wordt uitgewerkt, blijft de inhoud van deze definitie open.

De Code verstaat onder het begrip stakeholders: “groepen en individuen die direct of indirect het bereiken van de doelstellingen van de vennootschap beïnvloeden of erdoor (kunnen) worden beïnvloed: werknemers, aandeelhouders en andere kapitaalverschaffers, toeleveranciers, afnemers en andere belanghebbenden”. Voor de ene stakeholder is het gediende belang meer evident dan voor de andere. Een aandeelhouder kan in beginsel zijn eigen belang dienen, en zich richten op zoveel mogelijk rendement (Wennex-arrest, HR 30 juni 1944). In jurisprudentie wordt dit recht enigszins beperkt, doordat aandeelhouders bij de uitoefening van zeggenschapsrechten onder bijzondere omstandigheden het belang van de vennootschap dienen te laten prevaleren boven het eigen belang. Het belang van een bepaalde stakeholder dient niet bij voorbaat te prevaleren boven het belang van een andere stakeholder. Een evenwichtig uitgevoerde belangenafweging kan eveneens bijdragen aan het vinden van oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen, zoals klimaatverandering. In de praktijk blijkt het echter mogelijk dat vennootschappen zich met name of uitsluitend richten op financiële doelstellingen ten behoeve van de aandeelhouders (Winter et al. 2020).

3.3. Het klimaat en het vennootschappelijk belang

De laatste jaren is de aandacht voor maatschappelijke belangen toegenomen, met name ten aanzien van duurzaamheidsaspecten zoals het klimaat en milieu. Nieuwe Weme and Salemink (2025) zijn van mening dat voor deze bij de vennootschap betrokken belangen bij de bestuurders een zorgvuldigheidsplicht rust. Deze belangen mogen bij het bevorderen van het bestendige succes van de onderneming niet onnodig of onevenredig worden geschaad. Hetgeen niet inhoudt dat het bestuur zich enkel moet focussen op bevordering van de maatschappelijke belangen. Het blijft immers een belangenafweging, waarbij het bevorderen van het bestendige succes van de onderneming het uitgangspunt is. Bij beursvennootschappen waaraan een vervuilende fabriek verbonden is, kan het milieubelang wel degelijk een belang zijn waarop gefocust dient te worden om het bestendige succes van de onderneming te bevorderen. Wanneer de benodigde vergunningen worden ingetrokken, kan een dergelijke fabriek immers niet voortbestaan. De Jongh (2024a) stelt dat het bestendige succes kan worden ingevuld door het streven naar een duurzaam rendabele onderneming die voorziet in de behoeften van haar klanten, zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties in gevaar te brengen om in hun eigen behoeften te voorzien. Daarnaast bestaat hierbij ook een financiële prikkel. Een onderneming die niet duurzaam handelt kan schade toebrengen aan derden, wat op lange termijn het succes van de onderneming kan bedreigen (Katan 2024). De Brauw and Van Solinge (2024)5 gaan nog een stap verder en stellen dat het in de huidige tijdsgeest ondenkbaar is geworden dat ESG-belangen niet worden meegewogen bij het bestendige succes van de onderneming. ESG-belangen zijn dan ook niet alleen relevant bij het bepalen van de strategie, maar gelet op de gevolgen van klimaatverandering, de gerelateerde reputatieschade en het toenemende toezicht daarop, ook bij het beheersen van risico’s. Een keerzijde is dat onrendabele investeringen in duurzaamheid kunnen leiden tot financiële problemen en dwang kan leiden tot juridische onzekerheid (De Kluiver 2023b).

4. De say on climate in het Nederlandse vennootschapsrecht

In deze paragraaf wordt ingegaan op de vraag in hoeverre aandeelhouders hun huidige aandeelhoudersrechten effectief kunnen inzetten om invloed op het klimaatbeleid van de beursvennootschap uit te oefenen en in hoeverre deze instrumenten juridisch worden beperkt.

4.1. Aandeelhoudersinstrumenten vanuit Boek 2 BW

Boek 2 BW kent verschillende rechten aan aandeelhouders toe, die mogelijk ingezet kunnen worden om invloed op het klimaatbeleid uit te oefenen. Aandeelhouders worden minimaal eenmaal per jaar uitgenodigd om de AvA bij te wonen, waar zij onder andere geïnformeerd worden en toezicht kunnen houden op de beursvennootschap (2:108 lid 1 BW). De AvA heeft van oudsher een drietal functies: (1) verantwoordingsorgaan voor het bestuur en de RvC, waarin zij verantwoording afleggen over het gevoerde beleid en toezicht; (2) overlegorgaan voor aandeelhouders, het bestuur en de RvC; en (3) besluitvormingsorgaan waar wordt gestemd over ontwerpbesluiten (Olaerts 2017).

Bijeenroeping algemene vergadering van aandeelhouders

Een AvA vindt plaats na bijeenroeping, waartoe het bestuur en de RvC bevoegd zijn. Wanneer urgente zaken behandeld dienen te worden kan een buitengewone AvA (BAvA) worden gehouden. Aandeelhouders zijn, zonder een statutaire grondslag, in beginsel niet zelfstandig bevoegd om een (B)AvA bijeen te roepen en deze bevoegdheid komt niet toe aan de AvA zelf. Aandeelhouders die niet over dit statutaire bijeenroepingsrecht beschikken, kunnen alleen of gezamenlijk een verzoek tot machtiging tot bijeenroeping bij de voorzieningenrechter indienen. Daarbij dienen de verzoekers een redelijk belang te hebben en minimaal 10% van het aandelenbelang te vertegenwoordigen. Door de hoge bevoegdheidseisen om een (B)AvA bijeen te roepen, dienen aandeelhouders samen te werken om aan deze eisen te voldoen. Hierdoor lijkt het bijeenroepen van een (B)AvA weinig effectief voor invloeduitoefening op het klimaatbeleid. Bijeenroeping van een (B)AvA biedt wel de mogelijkheid om een scherpe dialoog aan te gaan. Door een BAvA bijeen te roepen waarbij het klimaatbeleid als bespreekpunt wordt geagendeerd, worden andere aandeelhouders gemobiliseerd en zouden zij tezamen het bestuur onder druk kunnen zetten.

Recht op inlichtingen en om het woord te voeren

De AvA geniet een informatierecht. Zij krijgt bijvoorbeeld de jaarrekening, het bestuursverslag en het verslag van de RvC toegestuurd (Nieuwe Weme and Salemink 2025). Aandeelhouders kunnen inlichtingen vragen over onderwerpen die op de agenda van de AvA staan en de dialoog met het bestuur aangaan. Hierbij geldt dat het recht op inlichtingen enkel aan de AvA als orgaan toekomt en niet aan de individuele aandeelhouder. Iedere individuele aandeelhouder geniet wel het recht om ter vergadering het woord te voeren en vragen te stellen. Het plaatsen van een onderwerp op de agenda, de gelegenheid daarover inlichtingen te vragen, het woord te voeren en daarmee een dialoog af te dwingen, geeft op elk onderwerp dat de vennootschap en haar onderneming aangaat een krachtig signaal af (Timmerman 2018). Het bestuur en RvC dienen alle verlangde inlichtingen te verschaffen, tenzij een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich daartegen verzet, het verzoek in strijd is met de goede vergaderorde, of tot misbruik van bevoegdheid leidt. Het niet verstrekken van informatie beperkt aandeelhouders in hun toezichthoudende rol. Toch gebeurt het in de praktijk dat het bestuur vragen niet relevant acht (Duynstee et al. 2024). Het vragen om inlichtingen over het beleid of de strategie kan ook schuren met de bestuursautonomie, waardoor dit buiten de bevoegdheid van de AvA valt. Deze conclusie dient echter niet te snel getrokken te worden, zelfs niet als het verzoek de strategie beoogt te wijzigen (Nagtegaal and Breukink 2024). Omwille van de voortgang van de agenda wordt de dialoog tussen aandeelhouders en het bestuur voornamelijk voorafgaand aan de AvA gevoerd (Abma et al. 2017; Nagtegaal and Breukink 2024). Ondanks dit laatste lijken het recht op inlichtingen, mits de AvA als orgaan hierom vraagt, en het recht om het woord te voeren van individuele aandeelhouders krachtige middelen. Aandeelhouders kunnen hierdoor het bestuur tijdens de AvA ter verantwoording roepen en aandacht vragen voor het klimaatbeleid. Echter, dit leidt niet tot directe invloed.

Agenderingsrecht

Aandeelhouders kunnen punten op de agenda van de AvA (doen) plaatsen wanneer zij (gezamenlijk) over 3% van het aandelenkapitaal van de beursvennootschap beschikken (2:114a lid 1 BW). Een dergelijk verzoek kan slechts in uitzonderlijke gevallen worden geweigerd. Dat kan indien dit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid of vanwege misbruik van bevoegdheid (Nieuwe Weme and Salemink 2025). Beoogd was dat het agenderingsrecht een prominente rol binnen het vennootschapsrecht zou gaan vervullen en dat aandeelhouders hierdoor actief bij de AvA zouden worden betrokken. In de jurisprudentie is de reikwijdte van het agenderingsrecht echter sterk ingeperkt. In het Boskalis/Fugro-arrest heeft de HR geoordeeld dat aandeelhouders de beursvennootschap niet kunnen verplichten om een onderwerp dat een bestuursaangelegenheid is – zoals het opstellen van het klimaatbeleid – ter stemming of peiling van standpunten op te laten nemen op de agenda van de AvA (HR 20 april 2018). De HR komt tot dit oordeel aangezien het bestuur niet verplicht is om de AvA te consulteren over onderwerpen die een bestuursaangelegenheid zijn (Breukink 2022; Overkleeft 2017; Winter et al. 2022). Agendering kan – ondanks de uitkomst van de (adviserende) stemming – eveneens effect hebben, doordat de dialoog wordt aangegaan. Dit was bijvoorbeeld het geval bij het agenderingsverzoek van TCI bij ABN AMRO, waardoor ABN AMRO als het ware ‘in play’ werd gebracht voor een overname (Breukink 2022).

In de praktijk maken aandeelhouders van beursvennootschapen weinig gebruik van hun agenderingsrecht (zie Tabel 1). Tussen 2014 en 2025 zijn zestien agenderingsverzoeken bij AvA’s ingediend, waarvan negen door Follow This bij Shell. Follow This, een aandeelhoudersbeweging die ernaar streeft om olie- en gasbedrijven tot emissiereductie te dwingen, heeft in deze aandeelhoudersresoluties gepoogd Shell ertoe te bewegen haar klimaatambities aan te scherpen en deze in lijn te brengen met het Klimaatakkoord van Parijs. Nadat een voorstel van Follow This twee jaar op rij evenveel stemmen voor als Shell tegen haar klimaatrapportage kreeg, besloot Shell om vanaf 2024 het klimaatbeleid jaarlijks ter adviserende stemming aan de AvA voor te leggen.

Tabel 1.

Overzicht aantallen agendapunten op initiatief van aandeelhouders – gebaseerd op de Eumedion-evaluatieverslagen 2014–2025 van de AvA’s van Nederlandse beursvennootschappen.

Seizoen Participatiegraad Punten ter stemming Geagendeerd door aandeelhouders
AEx AMx
2014 70,0% 58,0% 924 0
2015 70,0% 58,0% 937 4
2016 71,0% 65,0% 873 1
2017 71,0% 68,0% 945 2
2018 72,4% 64,9% 972 1
2019 73,2% 65,8% 997 2
2020 71,0% 63,0% 1.037 1
2021 75,0% 70,9% 1.210 1
2022 76,9% 72,3% 1.049 1
2023 79,1% 75,2% 1.013 1
2024 80,0% 71,5% 1.084 1
2025 79,2% 67,3% 1.082 1

In de literatuur bestaat discussie over de vraag of het agenderingsrecht van aandeelhouders te veel door jurisprudentie (Boskalis/Fugro) wordt ingeperkt (Doorduyn 2019; Eumedion 2024b; Van Olffen and Breukink 2022; Duynstee et al. 2024). Hoewel het agenderen van het klimaatbeleid als discussiepunt in de AvA het bestuur mogelijk tot andere inzichten kan brengen, moet worden geconcludeerd dat de effectiviteit daarvan onzeker is. Het kan onder omstandigheden effectief werken als aandeelhouders gelijksoortige agenderingsverzoeken blijven indienen.

Stemrecht

In beginsel is iedere aandeelhouder bevoegd om zijn stem uit te brengen op de AvA op basis van ‘one share, one vote’ (Overkleeft 2020). Een aandeelhouder kan zo zijn standpunt geven over ontwerpbesluiten die door het bestuur, de RvC en wellicht door aandeelhouders op de agenda zijn geplaatst. In Tabel 1 is zichtbaar dat de aandeelhoudersparticipatie door de jaren heen toeneemt; dit is sterk afhankelijk van de onderwerpen die ter stemming worden ingebracht. Door de beperkende werking van het Boskalis/Fugro-arrest echter, krijgen aandeelhouders wellicht niet de mogelijkheid om over het klimaatbeleid te stemmen, wanneer het bestuur niet uit eigen gelegenheid het klimaatbeleid agendeert. De aandeelhouders van Shell en Unilever kunnen hun stemrecht wel inzetten om invloed op het klimaatbeleid uit te oefenen, aangezien zij respectievelijk jaarlijks en driejaarlijks een adviserende stem over het klimaatbeleid (Shell) en het klimaattransitieplan (Unilever) mogen uitbrengen (Eumedion 2024a). Doordat de Omnibusverordening de verplichting heeft geschrapt om een klimaattransitieplan op te stellen, is het de vraag in hoeverre de aandeelhouders van Unilever hiervoor nog hun adviserende stem kunnen inzetten. Hoewel het bestuur de uitslag van een adviserende stemming naast zich neer kan leggen, komt dit uit angst voor reputatieschade in de praktijk weinig voor. Hierdoor kunnen aandeelhouders ook met een adviserende stem invloed uitoefenen.

Schorsing en ontslag bestuur en RvC

Een ander aandeelhoudersrecht dat mogelijk ingezet zou kunnen worden om invloed op het klimaatbeleid uit te oefenen is het schorsings- en ontslagrecht. Bij vennootschappen komt dit recht in beginsel toe aan de AvA, tenzij de vennootschap onderworpen is aan het volledige structuurregime. De RvC is in de basis bevoegd om bestuurders te schorsen. De AvA is bij een beursvennootschap die het volledige structuurregime hanteert bevoegd om (onder voorwaarden) het vertrouwen in de gehele RvC op te zeggen. Dit leidt tot het ontslag van de gehele RvC (Nieuwe Weme and Salemink 2025). Voor het ontslag van een bestuurder of commissaris en voor het opzeggen van het vertrouwen in de RvC, is in beginsel een meerderheidsbesluit van de AvA voldoende. Ontslag van een bestuurder kan plaatsvinden zonder opgaaf van redenen. Het ontslagrecht wordt echter beperkt door de redelijkheid en billijkheid, waardoor de persoon die ontslagen wordt gehoord dient te worden over het ontslag (2:8 lid 1 BW; Nieuwe Weme and Salemink (2025)). Wanneer een bestuurder zich niet of onvoldoende heeft kunnen verdedigen tegen zijn of haar ontslag, kan dit leiden tot vernietigbaarheid van het ontslagbesluit. Als een bestuurder of commissaris het oneens is met het ontslag, kan hij of zij dit aanvechten bij de rechter door middel van een kort geding of door een enquêteprocedure te starten.

In theorie zouden aandeelhouders het bestuur of de RvC te allen tijde kunnen ontslaan, mits hiervoor de juiste procedures zijn gevolgd. In de praktijk wordt weinig gebruikgemaakt van het ontslagrecht. Het komt voor dat bestuurders bij wie ontslag dreigt, onder druk van medebestuurders, de RvC, de AvA of andere betrokkenen zelf ontslag nemen. Daarnaast dienen aandeelhouders samen te werken om tot een meerderheid op de AvA te komen. Doordat het in de praktijk niet voorkomt en aandeelhouders samen dienen te werken om tot een meerderheid te komen, achten wij het schorsings- en ontslagrecht geen effectief middel om invloed op het klimaatbeleid uit te oefenen.

Vaststellen jaarrekening

Door de jaarrekening vast te stellen (2:101 lid 3 BW) geeft de AvA goedkeuring aan de door het bestuur gepresenteerde financiële uitkomst van het gevoerde beleid en de weerslag daarvan op de financiële positie van de vennootschap (Buijn and Storm 2013; Abma et al. 2017). Vaststelling wordt over het algemeen geweigerd bij onvrede over de financiële gegevens, maar dit instrument zou in theorie ook ingezet kunnen worden om onvrede over het gevoerde klimaatbeleid te uiten. Voor weigering van de vaststelling is een meerderheid van de stemmen op de AvA vereist, waardoor een weigering in de praktijk weinig voorkomt. De AvA heeft echter niet de bevoegdheid om het bestuursverslag – waarin over het klimaatbeleid wordt gerapporteerd – vast te stellen, en het weigeren van de vaststelling van de jaarrekening is (los van de redelijkheid en billijkheid) geen effectief instrument voor invloeduitoefening op het klimaatbeleid.

Decharge van bestuur en RvC

Het verlenen van decharge voor het gevoerde beleid en het toezicht daarop aan het bestuur en de RvC is een standaard agendapunt op de jaarlijkse AvA (Abma et al. 2017). Decharge heeft enkel interne werking (Nieuwe Weme and Salemink 2025). De AvA mag niet zonder opgave van redenen besluiten om decharge te weigeren (redelijkheid en billijkheid). Hoewel de juridische relevantie van het onthouden van decharge relatief beperkt is, moet de symbolische waarde hiervan niet worden onderschat (Duynstee et al. 2024). Eumedion stelt dat er voor aandeelhouders die het niet eens zijn met het gevoerde klimaatbeleid niets anders op zit dan tegen decharge van het bestuur van de Beursvennootschap te stemmen (Eumedion 2024c). Aandeelhouders moeten dan wel met een gedegen onderbouwing komen. Doordat aandeelhouders dienen samen te werken om de benodigde meerderheid van stemmen te behalen, lijkt het niet reëel dat het weigeren van decharge in de praktijk effectief wordt ingezet om invloed uit te oefenen op het klimaatbeleid.

Corporate purpose in statuten

Beursvennootschappen dienen in hun statuten een doelomschrijving op te nemen, waarin zij beschrijven welke werkzaamheden de vennootschap verricht (2:66 lid 1 BW) (Kemp and Olaerts 2022). Lambooy (2016) pleit ervoor dat vennootschappen een concrete invulling van het vennootschappelijk doel, een statement of purpose, in hun statuten opnemen. Hierin kunnen vennootschappen het doel van de onderneming, specifieke (klimaat)ambities en doelstellingen, het beleid en de manier waarop de uitvoering hiervan wordt gemonitord, vastleggen. Zij kunnen zo hun licence to operate verstevigen (De Jongh 2024b). Tegelijkertijd vergroot dit de effectiviteit van toezicht (Lambooy 2016). Door het toevoegen van maatschappelijke belangen in een bestaansgrond in de statuten, kan het vennootschappelijk belang maatschappelijk worden ingekleurd (Enneking and Heesakkers 2019). Hoewel de AvA bevoegd is om tot statutenwijziging over te gaan, bepalen de statuten vaak dat een dergelijk besluit slechts op voorstel van het bestuur en na goedkeuring van de RvC kan worden genomen (Nieuwe Weme and Salemink 2025; Abma et al. 2017). De bestuurders zijn daarbij in the lead. Pas nadat zij een corporate purpose in de statuten hebben opgenomen, staan aandeelhouders sterker in de dialoog met het bestuur over de uitvoering van het klimaatbeleid. Hierdoor is ook de corporate purpose geen effectieve manier voor aandeelhouders om invloed uit te kunnen oefen op het klimaatbeleid.

Enquêterecht

Het enquêterecht (2:344 e.v. BW) is een instrument om bij de OK een verzoek in te dienen tot het gelasten van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken binnen de (beurs)vennootschap (Bulten et al. 2022). Aandeelhouders zullen vaak moeten samenwerken (De Jongh 2024a) om een enquêteverzoek in te dienen. Zij moeten alleen of gezamenlijk over 1% van het geplaatste aandelenkapitaal beschikken of ten minste een waarde van € 20 miljoen in de vennootschap vertegenwoordigen (2:346 lid 1 sub d BW). Het enquêterecht kan worden ingezet om druk op het bestuur en/of de RvC uit te oefenen, om hen bijvoorbeeld tot een beleidswijziging te bewegen (Du Bois and Hermans 2022). Ook hier draait het om de afweging van het vennootschappelijk belang, de wettelijke en statutaire bepalingen, de inhoud en concreetheid van het eigen klimaatbeleid, en de daadwerkelijke naleving daarvan. Er zijn gegronde redenen nodig voor de OK om het klimaatbeleid en de uitvoering daarvan inhoudelijk te beoordelen. Deze toetsing raakt aan de grenzen van de bestuursautonomie, wat de ruimte voor rechterlijk ingrijpen door de OK beperkt.

Het enquêterecht is een zwaar middel, kost tijd en geld en kan tot ongewenste resultaten leiden (Van de Waerdt 2024). Desalniettemin is het niet geheel ondenkbaar dat aandeelhouders die duurzaamheid hoog op de agenda hebben staan, onder omstandigheden bereid zijn om een enquêteprocedure te starten.

4.2. Aandeelhoudersinstrumenten buiten Boek 2 BW

Naast de instrumenten die aandeelhouders op basis van Boek 2 BW kunnen inzetten, komt hen eveneens een aantal instrumenten buiten dit wetboek toe. De in deze paragraaf besproken aandeelhoudersinstrumenten zijn niet altijd wettelijk verankerd, maar kunnen wel vennootschapsrechtelijke gevolgen hebben.

Dear board letter

Aandeelhouders en/of NGO’s kunnen een ‘Dear board’ letter of een ‘Dear CEO’ letter gebruiken om aan medeaandeelhouders, andere stakeholders, analisten, stemadviesbureaus en de pers aandacht te vragen voor punten die zij belangrijk vinden (Duynstee et al. 2024). Bekende Dear board letters zijn die van TCI aan ABN AMRO en van Tweedy, Browne6 aan AkzoNobel. Beide Dear board letters hadden als doel om de vennootschap waaraan deze gestuurd was te overtuigen om te praten over een mogelijke overname.

Daarnaast heeft Milieudefensie 29 grote milieuvervuilende bedrijven opgeroepen om een klimaatplan op te stellen en naar hen op te sturen.7 Blackrock, de grootste vermogensbeheerder ter wereld, stuurt een jaarlijkse Dear CEO letter naar haar portfoliobedrijven. De in deze brief genoemde onderwerpen komen vaak terug in de publieke communicatie van deze bedrijven.8

Een Dear board letter heeft geen formele juridische status en het is onduidelijk in hoeverre het enkel versturen van een dergelijke brief daadwerkelijk effectief is om invloed uit te oefenen op het klimaatbeleid van een beursvennootschap. Een Dear board letter kan effectiever worden ingezet in combinatie met andere aandeelhoudersrechten.

Stemadviseurs

Om praktische redenen worden stemadviseurs (proxy advisors) ingeschakeld (Verdam 2019; Copland et al. 2018). Deze stemadviseurs analyseren de agendapunten van de AvA en brengen hierover stemadviezen uit. Zij kunnen het stemgedrag van investeerders in hoge mate beïnvloeden, waarbij het stemadvies in de praktijk vaak zonder verdere beoordeling wordt gevolgd (Buijn and Dudink 2018; Verdam 2019). Belangrijke obstakels hierbij zijn de eerder besproken beperkingen om een onderwerp te agenderen en het bundelen van de krachten, waarbij nu ook de stemadviseurs betrokken moeten worden. Niet alleen dient het klimaatbeleid geagendeerd te zijn, ook dient de stemadviseur hierover positief te adviseren.

Klimaatrechtszaken

Een risico dat gerelateerd is aan gevaarlijke klimaatverandering is dat beursvennootschappen aansprakelijk worden gesteld voor de milieuschade die zij aanrichten of dreigen aan te richten. Deze aansprakelijkheid kan worden vastgesteld door middel van klimaatrechtszaken, die de laatste jaren steeds meer in opkomst zijn (United Nations Environment Programme 2023). Doordat er een kleine kans van slagen is om aan te tonen dat aandeelhouders over een voldoende belang beschikken om een klimaatrechtszaak te starten, is dit geen effectief instrument voor invloeduitoefening op het klimaatbeleid. Daardoor is het starten van klimaatrechtszaken onzes inziens eerder weggelegd voor belangenorganisaties zoals Milieudefensie en Greenpeace.

Stemmen met de voeten

Door aandelen te verkopen, ook wel ‘stemmen met de voeten’ genoemd, kan een aandeelhouder invloed uit (proberen te) oefenen op het bestuur. Aandeelhouders zouden deze invloed kunnen inzetten wanneer zij het niet eens zijn met het door het bestuur gevoerde klimaatbeleid (Bulten et al. 2017). Aandeelhouders (met een redelijk belang) die hun aandelen dreigen te verkopen, kunnen de aandelenkoers laten dalen. Deze (dreigende) daling kan een sterk pressiemiddel richting het bestuur zijn, omdat dit de vennootschap kwetsbaar maakt voor overnames of aandeelhouderactivisme. De aandelenkoers van Shell bewoog echter nauwelijks toen ABP aankondigde dat zij haar beleggingen in de fossiele industrie zou verkopen9 (Van Dijk and Groot 2021). In het huidige tijdsgewricht waarin altijd een koper gevonden kan worden, is het stemmen met de voeten onzes inziens geen effectief instrument voor invloeduitoefening op het klimaatbeleid.

5. Ontwikkelingen in ESG-wetgeving: invloeduitoefening door aandeelhouders versterkt?

In deze paragraaf staat de vraag centraal welke relevante ontwikkelingen zich op Europees, Nederlands en Frans niveau hebben voorgedaan, en in hoeverre deze ontwikkelingen de mogelijkheden van aandeelhouders versterken om effectief invloed uit te kunnen oefenen op het klimaatbeleid van de beursvennootschap.

5.1. Ontwikkelingen op Europees niveau

Gewijzigde Aandeelhoudersrichtlijn

De gewijzigde Aandeelhoudersrichtlijn (2017/828 EU) heeft als doel de betrokkenheid van institutionele beleggers en vermogensbeheerders te vergroten, alsook de transparantie binnen beursvennootschappen te versterken. Hiermee beoogt deze richtlijn specifieke problemen op te lossen die de effectiviteit van het corporate governancekader in de weg staan (Dijkhuizen 2019).

De gewijzigde Aandeelhoudersrichtlijn vraagt institutionele beleggers en vermogensbeheerders om een betrokkenheidsbeleid op te stellen dat is gericht op de wijze waarop zij ‘toezien’ op de vennootschappen waarin wordt belegd. Dit toezicht betreft relevante aangelegenheden, zoals de strategie, de financiële en de niet-financiële prestaties en risico’s. Dit is bijzonder, want het bestuur bepaalt het (klimaat)beleid en de RvC houdt het toezicht daarop. Duynstee et al. (2024) stellen hierover terecht de vraag hoe dit vormgegeven dient te worden, aangezien aandeelhouders op basis van Boek 2 BW niet mogen stemmen over het beleid en de strategie. De toezichthoudende taak van institutionele beleggers en vermogensbeheerders impliceert dat aan hen instrumenten worden toegekend om deze taak naar behoren uit te kunnen voeren. De wetgever schrijft deze benodigde instrumenten echter niet voor. Daarnaast kent de gewijzigde Aandeelhoudersrichtlijn geen aanvullende rechten toe aan aandeelhouders om invloed uit te oefenen op het klimaatbeleid van de beursvennootschap.

Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD)

De CSRD verplicht in scope ondernemingen – waaronder grote beursgenoteerde ondernemingen – om een duurzaamheidsverslag op te stellen. Door de komst van de Omnibusverordening is de scope van de CSRD echter sterk verkleind, waardoor enkel vennootschappen met (gemiddeld) meer dan 1.000 werknemers en een omzet van € 450 miljoen onder de reikwijdte van de CSRD vallen (2 Omnibusverordening). De CSRD wordt beschouwd als een essentieel instrument om transparantie te vergroten, de verantwoording door ondernemingen te verbeteren en de transitie naar een duurzame economie te ondersteunen (Vereijken-van den Bosch 2024). Dankzij de duurzaamheidsrapportage krijgen aandeelhouders en andere stakeholders van in scope ondernemingen meer inzicht in doelstellingen, risico’s, kansen en prestaties van de onderneming op het gebied van duurzaamheid en kunnen zij op basis daarvan hun eigen afwegingen maken. De CSRD is echter een verslaggevingsrichtlijn en bevat geen rechten voor aandeelhouders. De duurzaamheidsrapportage hoeft als onderdeel van het bestuursverslag niet ter goedkeuring naar de AvA te worden gestuurd. Dit is onzes inziens een gemiste kans van de Europese wetgever. Aandeelhouders zouden met een goedkeuringsrecht beter in staat zijn om het bestuur bij te sturen op het punt van risicovolle klimaatverandering. Daarnaast geldt de verplichting om een duurzaamheidsverslag op te stellen niet voor alle vennootschappen, maar alleen voor de echt grote vennootschappen.

Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD)

Ondernemingen die binnen de scope van de CSDDD vallen, dienen feitelijke of potentiële negatieve effecten op mensenrechten en het milieu, die voortkomen uit eigen activiteiten, de activiteiten van hun dochterondernemingen en hun zakenpartners in de activiteitenketens vast te stellen, te voorkomen, te beëindigen of tot een minimum te beperken. Om dit doel te kunnen bereiken dienden zij in de oorspronkelijke richtlijn hiervoor een transitieplan op te stellen en uit te voeren. Deze verplichting is in de Omnibusverordening echter komen te vervallen (4 lid 16 Omnibusverordening). Daarnaast is de scope van de CSDDD verkleind naar vennootschappen met meer dan 5.000 werknemers en een netto-omzet wereldwijd van € 1.5 miljard (2 lid 2 Omnibusverordening). Door het wegvallen van de verplichting een transitiestrategie op te stellen is de AvA een mogelijkheid ontnomen om kennis te nemen van de concrete plannen van de onderneming op dit gebied, en om deze informatie te gebruiken om gerichte vragen te stellen en eventueel in te zetten bij een enquêteprocedure.

De implementatie van de CSDDD in de Nederlandse wet heeft nog niet plaatsgevonden. De Nederlandse wetgever beoogt de CSDDD zuiver en lastenluw om te zetten in de Wet internationaal verantwoord ondernemen (Wivo). Daarmee zal ook in deze regelgeving het transitieplan ontbreken. Voor wat betreft de aansprakelijkheid van ondernemingen die in scope zijn van de Wivo geldt hetzelfde als voor de aansprakelijkheid op basis van de CSDDD. Dat geldt ook voor het aangaan van een (klimaat)rechtszaak (Katan 2024). Belanghebbenden daarentegen, kunnen bijvoorbeeld door middel van een collectieve actie een gebod vorderen tot naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit de Wivo (Kautz and Bleeker 2025).

De EU Taxonomy

De EU Taxonomy is een Europese Verordening op basis waarvan de in scope ondernemingen inzicht moeten geven in hun duurzame activiteiten: het percentage van de investeringen, van de kosten en van de opbrengsten die voldoen aan de criteria uit de EU Taxonomy en die daarmee als duurzaam classificeren. Ook deze richtlijn is gericht op transparantie en verschaft de AvA geen specifieke rechten.

5.2. Ontwikkeling in Nederland

De specifiek Nederlandse ontwikkeling op het gebied van ESG-wet- en regelgeving is – afgezien van de invoering van de CSRD en CSDDD in onze nationale wetgeving – de herziening van de Code in 2022 en in 2025.

Corporate Governance Code

De Code heeft als doel om een deugdelijk en transparant stelsel van checks and balances binnen beursvennootschappen te bewerkstelligen en daartoe de verhoudingen tussen bestuur, RvC en de AvA te reguleren. De Monitoring Commissie Corporate Governance (Monitoring Commissie) heeft in de versie van de Code van 2022 duurzaamheid als één van de uitgangspunten genomen. Aandeelhouders, waaronder institutionele beleggers, dienen het belang van de op duurzame langetermijnwaardecreatie gerichte ondernemingsstrategie te onderkennen. Institutionele beleggers kunnen dit doen door jaarlijks een betrokkenheidsbeleid op te stellen en deze op hun website te publiceren. De beursvennootschap stelt een beleid op hoofdlijnen op voor een effectieve dialoog met relevante stakeholders over de duurzaamheidsaspecten van de strategie. Dit betekent geen recht voor de stakeholders. Het blijft aan het bestuur om te bepalen wie als relevante stakeholder wordt aangemerkt in de dialoog. In de herziening van de Code in 2025 is opgenomen dat het bestuursverslag een beperkte mate van zekerheid moet geven dat de duurzaamheidsverslaggeving geen onjuistheden van materieel belang bevat (1.4.3 iii van de Code). Dat de Code doordrenkt is van duurzaamheid en dat de duurzaamheidsverslaggeving alvast in de Code is opgenomen zijn interessante ontwikkelingen, maar de Code breidt de bevoegdheden van aandeelhouders om invloed op het klimaatbeleid van de beursvennootschap uit te oefenen niet uit en bestaande rechten worden evenmin versterkt.

5.3. Ontwikkeling in Frankrijk

In de Franse Assemblée nationale zijn in 2023 en 2024 twee amendementen ingediend om een say on climate op te nemen in de Code de Commerce. Deze amendementen beoogden de aandeelhouders verschillende rechten toe te kennen inzake het klimaatbeleid van beursvennootschappen. Om die reden is het interessant om de Franse situatie in deze analyse te betrekken.

De Franse say on climate

De amendementen bepalen – kort gezegd – dat het bestuur van een beursvennootschap een klimaat- en duurzaamheidsstrategie op dient te stellen. Het bestuur moet deze driejaarlijks, en bij een belangrijke wijziging van deze strategie, ter adviserende stemming voorleggen aan de AvA. Daarnaast dient het bestuur van de vennootschap een jaarverslag op te stellen over de implementatie van de klimaat- en duurzaamheidsstrategie, die jaarlijks ter adviserende stemming aan de AvA wordt voorgelegd. Het bestuur dient rekening te houden met de uitkomst van de adviserende stemming en daarnaar te handelen, maar wordt er niet door gebonden. Hierdoor blijft het bestuur autonoom, terwijl de aandeelhouders de mogelijkheid krijgen om hun stem inzake de klimaat- en duurzaamheidsstrategie kenbaar te maken.

Een van deze amendementen (n°483) is op 21 juli 2023 aangenomen door de Assemblée nationale, maar is later in de parlementaire vervolgroute verworpen. Naar verluidt als gevolg van politieke lobby vanuit het bedrijfsleven10 (CMP 2023; Reclaim Finance 2023). Een vergelijkbaar amendement van 28 maart 2024 (No. CF14) is eveneens afgewezen. Desondanks kunnen de voorgestelde rechten ter inspiratie dienen voor het Nederlandse vennootschapsrecht, nu zij kunnen bijdragen aan een betere legitimering van bestuursbesluiten. Juist omdat het bestuur autonoom is in het bepalen van de strategie, is het van belang dat aandeelhouders tegenwicht kunnen bieden, zodat de checks and balances binnen de vennootschap worden versterkt. Daarnaast worden handvatten geboden voor een scherpere dialoog tussen aandeelhouders en bestuur.

6. Conclusies en aanbevelingen

6.1. Conclusies

Klimaatbeleid is onderdeel van het algemene beleid en de strategie van de beursvennootschap, waardoor het bestuur (onder toezicht van de RvC) verantwoordelijk is voor het opstellen van dit beleid. Door onder andere de bestuursautonomie en de hoge drempels om bepaalde instrumenten in te zetten, is de effectiviteit van de instrumenten om invloed op het klimaatbeleid uit te oefenen zeer beperkt.

Op basis van de instrumenten die aandeelhouders op grond van Boek 2 BW toekomen, zouden zij, wanneer de beursvennootschap geruime tijd in strijd met wettelijke of statutaire bepalingen handelt, of in ernstige mate afwijkt van haar eigen klimaatbeleid, het enquêterecht kunnen inzetten om invloed op het klimaatbeleid uit te oefenen. Hier zitten echter haken en ogen aan. Aandeelhoudersinstrumenten buiten Boek 2 BW blijken evenmin effectief voor aandeelhouders om invloed op het klimaatbeleid van de beursvennootschap uit te oefenen. Het maximaal haalbare lijkt het aangaan van de dialoog.

De recente ontwikkelingen op het gebied van ESG-wetgeving breiden de rechten van aandeelhouders om invloed uit te oefenen op klimaatbeleid niet uit. De toenemende vraag naar transparantie geeft aandeelhouders wel handvatten om hun bestaande rechten beter te benutten. De Omnibusverordening zwakt deze werking echter weer af. Het afgewezen Franse amendement bevat overigens wel waardevolle inspiratie voor het Nederlandse vennootschapsrecht.

6.2. Aandachtspunten en aanbevelingen

Aandeelhouders die op positieve wijze invloed willen uitoefenen op het klimaatbeleid van de Nederlandse beursvennootschap, hebben hiervoor weinig middelen. Vanwege dit gebrek, komen wij met aanbevelingen om deze leemte op te vullen. De hiervoor in kaart gebrachte ontwikkelingen leiden tot twee aanbevelingen, die voortvloeien uit: (1) de Franse say on climate; en (2) de discussie rondom de toekenning van aanvullende rechten aan aandeelhouders met betrekking tot de duurzaamheidsrapportage. Ondanks het feit dat de Franse say on climate in het parlement is gestrand, gebruiken we dit als voorbeeld voor onze aanbeveling. Het opnemen van deze say on climate in de Nederlandse wet zorgt er onzes inziens voor dat aandeelhouders de gewenste invloed op het klimaatbeleid van de beursvennootschap kunnen uitoefenen. Voordat op de aanbevelingen wordt ingegaan, besteden wij aandacht aan twee relevante aandachtspunten; een randvoorwaarde om deze aanbevelingen effectief te doen zijn.

Aandachtspunten

Ondanks de toenemende aandacht voor duurzaamheidsvraagstukken, zijn aandeelhouders nog veel gericht op het behalen van (korte termijn) rendement.11,12 Uiteraard hebben aandeelhouders het recht om een eigen belang in het oog te houden (alles binnen redelijkheid en billijkheid). In dit onderzoek is echter uitgegaan van de premisse dat er aandeelhouders bestaan die positieve invloed op het klimaatbeleid van de beursvennootschap willen uitoefenen. Om ervoor te zorgen dat aandeelhouders daadwerkelijk verantwoordelijkheid nemen en in positieve zin invloed op het klimaatbeleid zullen uitoefenen, zijn wij met Heesakkers (2024) van mening dat de rechtsregel uit het Wennex-arrest losgelaten moet worden (Bier 2022; Kemp 2019). Aandeelhouders zijn dan, in tegenstelling tot hetgeen de HR in het Wennex-arrest heeft bepaald, niet meer vrij om hun aandeelhoudersrechten enkel voor hun eigen belang in te zetten, maar dienen te handelen naar het vennootschappelijk belang. Het maatschappelijk belang is onderdeel van het vennootschappelijk belang, waardoor aandeelhouders dit belang (het klimaatbelang inbegrepen) dienen na te streven, als voorwaarde voor de toekomst.

Daarnaast verdient het Boskalis/Fugro-arrest aandacht. De vraag rijst of de daarin gevormde rechtsregel een belemmering voor de aanbevelingen zal opleveren. Onzes inziens is dat niet het geval. De voorgestelde adviserende stemming dient een eigen wettelijke grondslag te krijgen, waardoor dit niet zal conflicteren met HR Boskalis/Fugro. De rechtsregel blijft gelden. Er wordt enkel een wettelijke uitzondering voor het klimaatbeleid van beursvennootschappen gecreëerd. Bovendien worden vergelijkbare rechten nu soms al vrijwillig door beursvennootschappen toegekend aan aandeelhouders, zoals bij Shell en Unilever. Dit illustreert dat het in de praktijk mogelijk is om aandeelhouders een actievere rol te geven inzake het klimaatbeleid.

Aanbevelingen

De conclusie dat aandeelhouders de instrumenten waarover zij beschikken maar beperkt kunnen inzetten om invloed op het klimaatbeleid van de beursvennootschap uit te oefenen brengt ons tot twee aanbevelingen die leiden tot een adviserende stem over: (1) het klimaatbeleid en (2) het backward looking-gedeelte van de duurzaamheidsrapportage. Door deze aanbevelingen door te voeren, biedt het Nederlandse vennootschapsrecht handvatten voor aandeelhouders die positieve invloed op het klimaatbeleid van de beursvennootschap wensen uit te oefenen.

Aanbeveling 1 (het klimaatbeleid) ziet op het in Boek 2 BW wettelijk verankeren van een adviesrecht van aandeelhouders over het klimaatbeleid van beursvennootschappen. Er is bewust niet gekozen voor het enkel bespreken van het klimaatbeleid op de AvA, aangezien aandeelhouders onzes inziens dan alsnog niet de gewenste invloed op het klimaatbeleid kunnen uitoefenen. De mogelijkheid voor aandeelhouders om invloed op het klimaatbeleid uit te oefenen is immers nu al voornamelijk gelegen in het aangaan van de dialoog. De effectiviteit van deze dialoog blijkt in de praktijk echter beperkt, aangezien Nederlandse beursvennootschappen steeds minder ambitieuze klimaatplannen maken. Deze aanbeveling sluit aan bij bestaande rechten van aandeelhouders over het bezoldigingsbeleid van bestuurders (2:135 BW), het amendement aangaande de Franse say on climate en het praktijkvoorbeeld van Unilever over het klimaattransitieplan. Het toeschrijven van een adviserende stem over het klimaatbeleid aan aandeelhouders druist onzes inziens in beperkte mate in tegen de bestuursautonomie. Het betreft uitsluitend een adviserende rol. In het nieuwe wetsartikel dient te worden opgenomen dat het klimaatbeleid van de vennootschap:

  1. ten minste eenmaal per drie jaren ter adviserende stemming aan de AvA voorgelegd dient te worden;
  2. bij elke materiële of ingrijpende wijziging onmiddellijk ter adviserende stemming opnieuw naar de AvA gestuurd dient te worden; en
  3. ten minste leidt tot opneming daarin van bepaalde onderwerpen.

Er bestaat enige kritiek op dit voorstel. Breukink stelt bijvoorbeeld dat (i) het klimaatbeleid niet los kan worden gezien van het algemene beleid; (ii) er een kans op micromanagement bestaat; en (iii) aandeelhouders oneigenlijke doelen nastreven, die niet altijd zien op het tegengaan van gevaarlijke klimaatverandering (Breukink 2024). Doordat bepaalde onderwerpen die het klimaatbeleid dient te bevatten in het voorgestelde artikel zijn opgenomen, weten zowel de aandeelhouders als het bestuur wat onderdeel is van het klimaatbeleid en zo ook waar aandeelhouders een adviserende stem over krijgen. Van micromanagement van aandeelhouders is geen sprake, aangezien de gevolgen van gevaarlijke klimaatverandering niet moeten worden onderschat. Door het achterblijven van ambitieuze klimaatdoelen vanuit de bestuurskamer, zijn de aandeelhouders nu aan zet. Het bestuur wordt de ruimte geboden om het beleid uit te voeren door het klimaatbeleid elke drie jaar aan de AvA toe te sturen in plaats van dit jaarlijks te doen.

Aanbeveling 2 ziet op het toekennen van een adviserende stem aan aandeelhouders over het backward looking-gedeelte van de duurzaamheidsrapportage, waartoe beursvennootschappen op basis van de CSRD verplicht zijn. In lijn met De Jongh (2021) vinden wij dat het toekennen van deze adviserende stem een juiste balans vormt tussen (1) de bestuursautonomie ten aanzien van strategie en beleid, (2) de verantwoording van het bestuur over negatieve externe effecten en (3) de wettelijke toezichthoudende rol van aandeelhouders. Het is hierbij van belang om duidelijk te maken dat de adviserende stemming ziet op de uitvoering van het beleid en niet enkel op de rapportage hierover. Een bindende stemming over de gehele duurzaamheidsrapportage zou onzes inziens te veel schuren met de bestuursautonomie. Door aandeelhouders een adviserende stem over het backward looking-gedeelte te geven, laat de wetgever zien duurzaamheidsinformatie belangrijk te vinden voor de continuïteit van de beursvennootschap.

Ondanks het feit dat wij in beide aanbevelingen slechts een adviserende stem aan aandeelhouders toeschrijven, kunnen zij hierdoor meer invloed uitoefenen op het klimaatbeleid dan slechts met het aangaan van de dialoog. Een formeel advies zal het bestuur namelijk minder makkelijk naast zich neer kunnen leggen uit angst voor reputatieschade. Met deze gedachte in het achterhoofd krijgen aandeelhouders door deze aanbeveling de gewenste invloed op het klimaatbeleid van de Nederlandse beursvennootschap. Hiermee kunnen zij de vennootschap aansporen een ambitieus klimaatbeleid op te stellen en uit te voeren. Aandeelhouders dienen hun stem op basis van de best practice-bepaling 4.3.1 van de Code geïnformeerd uit te oefenen, waardoor dit extra discipline van aandeelhouders vraagt. Doordat aandeelhouders op een positieve manier invloed willen uitoefenen op het klimaatbeleid, verwachten wij dat deze aandeelhouders de moeite zullen nemen om het klimaatbeleid te doorgronden om goed geïnformeerd hum stem uit te kunnen brengen. Wanneer aandeelhouders zonder enige toelichting tegen het klimaatbeleid stemmen, zou het bestuur dit als reden kunnen aangrijpen om deze tegenstemmen naast zich neer te leggen. Het bestuur blijft hierdoor autonoom handelen in de afweging van het vennootschappelijk belang, waar het maatschappelijk belang onzes inziens immers onderdeel van is.

Het invoeren van een adviserende stem van aandeelhouders over het klimaatbeleid en het backward looking-gedeelte van de duurzaamheidsrapportage zal aandeelhouders betere mogelijkheden bieden om invloed uit te oefenen op het klimaatbeleid van de beursvennootschap. Daarbij geldt als aandachtspunt dat aandeelhouders hun rechten uitsluitend zouden moeten inzetten om positieve invloed op het klimaatbeleid uit te oefenen. Hierdoor nemen aandeelhouders hun verantwoordelijkheid en dragen zij bij aan het tegengaan van gevaarlijke klimaatverandering.

Mr. J.A. Kwant – Jan Anne, advocaat te Amsterdam.

Prof. dr. D.A. de Waard RA MA – Dick is als emeritus hoogleraar Auditing verbonden aan de vakgroep Accounting en Controlling van de Rijksuniversiteit Groningen.

Noten

1

Nuyens A, De Wit R (2020) De Zaak Shell. (Toneelstuk).

2

Bauer R, et al. (2021) Sustainability embedding practices in Dutch listed companies. Maastricht University.

3

Braaksma J, Cornelissen J (2024) Nieuwe duurzaamheidskoers van Unilever is waarschuwing voor ceo’s. Het FD, 3 mei 2024.

4

McDonald O (2025) Tien jaar klimaatakkoord van Parijs: ‘De deal staat op een kantelpunt’. Het FD, 8 mei 2025.

5

De Brauw CJC, Van Solinge G (2024) Verankering Rijnlands model is totaal overbodig’. Het FD, 29 oktober 2024.

6

Tweedy, Browne (2017) Tweedy, Brownes letter to Akzo Nobels board re ppg’s buyout offer. 4 mei 2017.

7

Milieudefensie (2022) Brief Klimaatplan grote vervuilers. 13 januari 2022. https://milieudefensie.nl/actueel/brief-klimaatplan-grote-vervuilers.pdf

8

Pawliczek A, Skinner AN, Wellman LA (2021) A new take on voice: the influence of BlackRock’s ‘Dear CEO’ letters. Springer Nature link 2021, p. 1088-1136.

9

Van Dijk B, Groot J (2021) Uitstappende beleggers duwen oliesector naar donkere spelonken van de markt. Het FD, 26 oktober 2021.

10

Costa M (2023) France’s proposed Say on Climate amendment struck down. Green Central Banking, 12 oktober 2023.

11

Bouman M (2025) Back to petroleum. Het FD, 28 februari 2025.

12

Bressson M, Couwenbergh P (2025) Onder Trump lijkt de duurzaamheid van veel bedrijven van korte duur. Het FD, 27 februari 2025.

Literatuur

  • Abma R, van Kleef D, Lemmers N, Olaerts M (2017) De algemene vergadering van Nederlandse beursvennootschappen. Recht en Praktijk nr. ONR9. Wolters Kluwer, Deventer.
  • Bier B (2022) De regenboog van het vennootschappelijk belang en ESG-verantwoord gedrag van een vennootschap en haar aandeelhouders. Liber Amicorum Kid Schwarz (Instituut voor Ondernemingsrecht nr. 125). Deventer: Wolters Kluwer, 363–380.
  • Bilal A, Känzig DR (2024) The macroeconomic impact of Climate Change: Global vs. local temperature. NBER working paper series no. 32450 2024. https://doi.org/10.3386/w32450
  • Breukink EJ (2022) De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen. Serie Van der Heijden Instituut nr. 176. Wolters Kluwer, Deventer.
  • Breukink EJ (2024) De aandeelhouder en ESG: is Boskalis/Fugro (nu al) achterhaald? Ondernemingsgericht privaatrecht en ESG. Serie Onderneming en Recht, deel 145. Wolters Kluwer, Deventer.
  • Buijn FK, Storm PM (2013) Ondernemingsrecht BV en NV in de praktijk (Recht en Praktijk nr. ONR4). Wolters Kluwer, Deventer.
  • Buijn SB, Dudink MG (2018) Eindelijk een dwingendrechtelijk kader voor stemadviseurs: dit smaakt naar meer. Bb 51: 187–193.
  • Bulten CDJ, De Jong BJ, Breukink EJ (2017) Vitale vennootschappen in veilige handen, Wolters Kluwer, Deventer.
  • Bulten CDJ, Nieuwe Weme MP, Oosterhoff GP, Broere PHM (2022) Inleiding. Handboek Enquêterecht (Serie Van der Heijden Instituut nr. 175). Deventer: Wolters Kluwer, 3–16.
  • CMP [Commission Mixte Paritaire] (2023) Rapport fair au nom de la Commission Mixte Paritaire chargée de proposer un texte sur les dispositions restant en discussion du projet de loi relatif à l’industrie verte. Assmblée nationale n° 1710 / Sénat n° 18, 9 oktober 2023.
  • Copland JR, Larcker DF, Tayan B (2018) Proxy advisory firms: empirical evidence and the case for reform. Manhattan Institute, New York City.
  • De Brauw CJC (2022) Strategiebepaling bij beursvennootschappen, activistische aandeelhouders en bescherming in het Nederlandse stakeholdermodel. Ondernemingsrecht 25: 141–155.
  • De Jongh JM (2021) Say on Climate. Ondernemingsrecht 110: 696–703.
  • De Jongh JM (2024b) Het semipublieke belang. Ondernemingsrecht 84: 576–583.
  • De Kluiver HJ (2023a) Onderneming en duurzaamheid. Over ondernemen, mensenrechten, milieu en klimaat mede in Europees perspectief. WPNR 7407: 299–318.
  • De Kluiver HJ (2023b) Vennootschappelijk belang en ‘bestendig succes’ van de onderneming; ‘Climate Change’ bijvoorbeeld. Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2022–2023 (Serie Van der Heijden Instituut nr. 181). Deventer: Wolters Kluwer, 379–380.
  • Doorduyn RYH (2019) Boskalis/Fugro: een afrondende beschouwing van het agenderingsrecht. Bb 5: 17–19.
  • Du Bois N, Hermans RM (2022) Gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid of juiste gang van zaken. Handboek Enquêterecht (Serie Van der Heijden Instituut nr. 175). Deventer: Wolters Kluwer, 435–490.
  • Enneking LFH, Heesakkers RAG (2019) Vennootschappelijk belang en (internationaal) maatschappelijk verantwoord ondernemen. De betekenis en functies van het vennootschappelijk belang (Instituut voor Ondernemingsrecht nr. 115). Deventer: Wolters Kluwer, 281–306.
  • Eumedion (2024a) Evaluation of the 2024 AGM season. Den Haag 2024.
  • Eumedion (2024b) Green Paper: Herijking van het stakeholdersmodel en de rol van Nederlandse institutionele beleggers. Den Haag 2024.
  • Eumedion (2024c) Reactie Consultatie klimaatmaatregelen financiële sector. Den Haag 2024.
  • Kautz RE, Bleeker TR (2025) Het klimaattransitieplan: over de implementatie van artikel 22 CSDDD in de Wivo. Ondernemingsrecht 28: 180–188.
  • Kemp B (2019) Aandeelhouders, eigen belang en het vennootschappelijk belang: over de schijn van vrijheid en werkelijke grenzen. De betekenis en functies van het vennootschappelijk belang (Instituut voor Ondernemingsrecht nr. 115). Wolters Kluwer, Deventer, 87–106.
  • Kemp B, Olaerts M (2022) Het vennootschappelijk doel. Liber Amicorum Kid Schwarz (Instituut voor Ondernemingsrecht nr. 125). Wolters Kluwer, Deventer, 393–412.
  • Lambooy T (2016) Leadership, Entrepreneurship & Stewardship in Corporate Law (oratie Breukelen). Breukelen 2016.
  • Nagtegaal CR, Breukink EJ (2024) Naar een effectiever gebruik van het recht op inlichtingen bij beursfondsen. Ondernemingsrecht 2024/55.
  • Nieuwe Weme MP, Salemink T (2025) Handleiding tot de beoefening van het Nederlands burgerlijk recht. 2. Rechtspersonenrecht. Deel IIb. NV en BV. Corporate Governance. Wolters Kluwer, Deventer.
  • Nuyens A, De Wit R (2020) De Zaak Shell. (Toneelstuk).
  • Olaerts M (2017) Is de aandeelhouder gebonden aan het belang van de vennootschap? Ondernemingsrecht 113: 631–642.
  • Overkleeft FGK (2017) De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (Instituut voor Ondernemingsrecht nr. 103). Wolters Kluwer, Deventer.
  • Overkleeft FGK (2020) Een ander perspectief op afwijkingen van one share, one vote voor aandeelhouders van Nederlandse beursvennootschappen. Ondernemingsrecht in de Lage Landen. Wat kunnen wij van de Belgen leren? (Instituut voor Ondernemingsrecht nr. 117). Wolters Kluwer, Deventer, 191–207.
  • Overkleeft FGK (2025) ‘No control’ – over de veranderende positie van aandeelhouders in beursvennootschappen. Ondernemingsrecht 35: 264–274.
  • Raaijmakers GTMJ (2009) De financiële markt en het ondernemingsrecht. Ondernemingsrecht 2009/104.
  • Shell Plc (2025) Annual Report and Accounts 2024, Londen, Verenigd Koninkrijk 2025.
  • Timmerman (2018) Conclusie (ECLI:NL:PHR:2018:14) bij HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652 (Boskalis/Fugro).
  • Timmerman L (2021) Purpose in de managementleer en het vennootschapsrecht. Bestuursbesluiten. (Instituut voor Ondernemingsrecht nr. 123). Wolters Kluwer, Deventer, 41–48.
  • Van Aartsen C, Olaerts M, Bauer R (2022) De verankering van duurzaamheid in Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen. Ondernemingsrecht 79: 555–567.
  • Van Dijk B, Groot J (2021) Uitstappende beleggers duwen oliesector naar donkere spelonken van de markt. Het FD, 26 oktober 2021.
  • Van Olffen M, Breukink EJ (2022) Say on what’s next? Ondernemingsrecht 2022/17.
  • Verdam AF (2019) Zorgen rond de kwaliteit en invloed van stemadviseurs; naar een andere dynamiek rond de aandeelhoudersvergadering? De aandeelhoudersvergadering van de beursvennootschap (ZIFO-reeks nr. 27). Wolters Kluwer, Deventer, 79–98.
  • Vereijken-van den Bosch SFW (2024) De CSRD: beoogde gedragsverandering of louter transparantie. Ondernemingsrecht 76: 510–518.
  • Winter JW, De Jongh M, Hijink JBS, et al. (2020) Naar een zorgplicht voor bestuurders en commissarissen tot verantwoordelijke deelname aan het maatschappelijke verkeer. Ondernemingsrecht 2020/86: 471–474.
  • Winter JW, Wezeman JB, Schoonbrood J (2022) Van de BV en de NV. Wolters Kluwer, Deventer.
login to comment