Print
De invoering van IFRS 9 bij Europese banken; Een vervolgstudie
expand article infoJob Huttenhuis§, Ralph ter Hoeven|
‡ Rijksuniversiteit Groningen, Groningen, Netherlands
§ KPMG Financial Services , Amstelveen, Netherlands
| Deloitte Accountants B.V., Rotterdam, Netherlands
Open Access

Samenvatting

Banken dienen volgens IAS 8 in hun jaarrekening inzicht te geven in de impact van IFRS 9. Deze standaard dient vanaf 1 januari 2018 toegepast te worden en is derhalve al van toepassing op het moment dat de jaarrekening over 2017 is gepubliceerd. Op basis van een analyse van jaarrekeningen van 49 Europese banken komen we tot de conclusie dat de jaarrekening nog niet bij alle banken inzicht geeft in de kwantitatieve effecten van IFRS 9. Mogelijk wordt dit gedeeltelijk veroorzaakt door de complexiteit van de implementatie van de standaard voor banken. Geen enkele bank heeft namelijk toegelicht volledig gereed te zijn met de implementatie. Tevens past geen enkele bank in onze populatie haar vergelijkende cijfers aan. In alle jaarrekeningen is wel een toelichting op IFRS 9 aanwezig. Ten opzichte van 2016 hebben de banken, in lijn met hetgeen verwacht mag worden, meer concrete informatie verstrekt over de impact van IFRS 9, met name ten aanzien van de kredietvoorzieningen en impact op het bankkapitaal. De verwachte impact van IFRS 9 op de kredietvoorzieningen is ten opzichte van de jaarrekening over 2016 afgenomen als gevolg van de gunstiger economische ontwikkelingen. De (negatieve) impact van IFRS 9 op de kredietvoorzieningen en bankkapitaal van banken uit Spanje, Italië en Ierland is gemiddeld groter dan bij banken uit andere Europese landen. Op basis van beschikbare informatie van 31 banken uit onze populatie, daalt door IFRS 9 de kernkapitaalratio met 75 basispunten voor de banken uit deze zogenaamde PIIGS-landen tegenover een daling van 14 basispunten bij banken in andere landen. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de verschillen tussen individuele banken in onze populatie aanzienlijk zijn. Daarentegen lijkt de impact van wijzigingen in classificatie en waardering op het balanstotaal beperkt. Echter weinig banken (29%) hebben dit ook daadwerkelijk kwantitatief toegelicht. Inzake de keuze voor hedge accounting zijn banken het meest concreet, waarbij overwegend de vereisten van IAS 39 toegepast blijven worden. Bij negen banken (18%) heeft de accountant een key audit matter inzake IFRS 9 opgenomen. Accountants hebben de toelichting op IFRS 9 in de jaarrekening 2017 daarmee overwegend niet als key audit matter aangemerkt.

1. Inleiding

De International Accounting Standards Board (IASB) publiceerde op 24 juli 2014 IFRS 9 Financial Instruments als opvolger van IAS 39 als de standaard over financiële instrumenten. IFRS 9 is op 22 november 2016 ongewijzigd goedgekeurd door de Europese Commissie en daarmee in de Europese Unie van toepassing voor boekjaren beginnend op of na 1 januari 2018. Met de jaarrekeningen over het boekjaar 2017 wordt derhalve de IAS 39-periode1 definitief afgesloten. Deze jaarrekeningen zijn echter in het bijzonder relevant vanwege de door IAS 8 vereiste toelichting op de invloed van IFRS 9 op het vermogen en het resultaat in de eerste periode waarin IFRS 9 zal worden toegepast (in casu het boekjaar 2018).

De European Securities and Markets Authority (ESMA) heeft door middel van persberichten en rapporten al herhaaldelijk gewezen op het belang van kwalitatief goede toelichtingen met betrekking tot de invoering van IFRS 9 (Huttenhuis and Ter Hoeven, 2017).2 Voorafgaand aan dit onderzoek hebben we derhalve redelijk positieve verwachtingen over de kwaliteit van de toelichtingen omdat de jaarrekening over het boekjaar 2017 is uitgebracht in het jaar waarin IFRS 9 voor het eerst moet worden toegepast. Het is in dit kader ook van belang te melden dat IFRS geen puntschatting vereist van bijvoorbeeld de gevolgen op het vermogen maar ‘known or reasonably estimable information’ (IAS 8.30). Men mag toch veronderstellen dat in het voorjaar van 2018, ruim drieënhalf jaar na publicatie van IFRS 9, deze informatie bekend of redelijkerwijs in te schatten zou moeten zijn.

Dit onderzoek dient beschouwd te worden als een vervolg op ons in het vorige themanummer (Het jaar 2016 verslagen) gepubliceerde onderzoek naar de gevolgen van IFRS 9 op Europese banken (Huttenhuis and Ter Hoeven, 2017). Wij concludeerden destijds, op basis van een analyse van jaarrekeningen over het boekjaar 2016 van 50 Europese banken, dat slechts in beperkte mate kwantitatieve informatie over de impact van IFRS 9 op de classificatie van financiële activa, de hoogte van voorzieningen alsmede het bankkapitaal werd gegeven. In dit onderzoek richten we ons op dezelfde populatie van 50 banken ten einde na te gaan of een jaar later een beter inzicht in de gevolgen van de overgang naar IFRS 9 kan worden verkregen. De door ons gebruikte populatie van 50 banken is onderdeel van de EBA transparency exercise3 en is de facto een door de European Banking Authority (EBA) geselecteerde groep banken op basis van hun relevantie voor het nationale en Europese financiële systeem. De populatie bevat in 2017 49 banken omdat Banco Popular Espanol SA inmiddels is overgenomen door Banco Santander SA. In dit artikel vergelijken we, waar mogelijk en relevant, de uitkomsten met ons vorige onderzoek. Ook zullen we onze resultaten vergelijken met soortgelijke studies die naar de gevolgen van IFRS 9 zijn uitgevoerd.

Deze bijdrage is verdeeld in verscheidene deelparagrafen. In de eerste deelparagraaf gaan we in op de toelichting over de projectstatus van IFRS 9 in de jaarrekening van de banken. Vervolgens behandelen we de effecten van IFRS 9. Hierbij volgen we de indeling van de standaard. Zo onderzoeken we toelichtingen omtrent classificatie en waardering (paragraaf 2.2), het Expected Credit Loss (ECL)-model en haar impact (paragraaf 2.3), de keuze inzake hedge accounting (paragraaf 2.4) en de overgangsbepalingen inclusief aanpassing van de vergelijkende cijfers (paragraaf 2.5). Verder gaan we in op toelichtingen over de impact van IFRS 9 op bankkapitaalkengetallen (paragraaf 2.6) en analyseren we tevens of in de uitgebreide controleverklaring van de accountant IFRS 9 als een key audit matter is opgenomen. We sluiten af met een conclusie en nabeschouwing.

2. Empirisch onderzoek

2.1 Toelichting over de projectstatus van IFRS 9

De invoering van IFRS 9 is voor de banken in onze populatie een tijdrovend en complex proces gebleken. Dat blijkt vooral uit eerder uitgevoerde ‘impact assessments’ van de EBA (2016a, 2017) waarin onder meer de banken binnen onze populatie werden bevraagd op invoeringsaspecten van IFRS 9. Vooral de invoering van expected credit loss (ECL)-modellen werd door de banken aangeduid als een zeer tijdrovend proces. Dit wordt onder andere veroorzaakt doordat voor diverse portefeuilles separate modellen dienen te worden ontwikkeld.4 Dat banken veel tijd nodig hebben om IFRS 9 te implementeren wordt andermaal bevestigd door de analyse van de jaarrekeningen over 2017. In Tabel 1 hebben we de resultaten weergegeven van de toelichtingen die banken ten aanzien van de projectstatus in hun jaarrekening hebben opgenomen.

Toelichting op de status van de implementatie van IFRS 9.

Toelichting op status implementatie N %
Geen toelichting 17 35%
Implementatie nog te voltooien 32 65%
Totaal 49 100%

32 banken (65%) geven aan dat de implementatie nog afgerond dient te worden. De overige 17 banken (35%) hebben in hun jaarrekening geen expliciete toelichting opgenomen inzake de status van de IFRS 9-implementatie. Geen enkele bank binnen de onderzochte populatie communiceert dat de volledige implementatie is afgerond. Deze verwachting had de EBA in het hiervoor aangehaalde impact assessment report van 13 juli 20175 (EBA 2017) ook uitgesproken. Juist omdat het project nog niet is afgerond is informatie over de concrete status van het project relevant voor de lezer van de jaarrekening. De invoering van IFRS 9 behelst veel aspecten en informatie over welke delen van IFRS 9 al dan niet zijn afgerond is zonder meer te duiden als relevante informatie. In de jaarrekeningen over 2017 geven banken met name aan nog bezig te zijn met implementatie van het control framework en relevante beheersingsmaatregelen, (afronding van) validatie van ECL-modellen en overdracht van de projectorganisatie naar in continuïteit betrokken afdelingen. Als goed voorbeeld van de toelichting op de projectstatus wijzen we op de jaarrekening van Rabobank over 2017. In deze jaarrekening wordt inzicht gegeven in de status van de IFRS 9-implementatie. Figuur 1 bevat een illustratie ten aanzien van de expected credit losses (jaarrekening Rabobank, p. 171) en laat zien dat zowel validatie van de modellen als afronding van de macro-economische scenario’s nog dienen plaats te vinden.6

In de volgende deelparagrafen gaan we nader in op aspecten van IFRS 9 en wel classification and measurement, expected credit losses, hedge accounting en overgangsbepalingen.

Figuur 1.

Best practice. Voorbeeld status: Rabobank – jaarrekening, p. 171

2.2 Classification and measurement

IFRS 9 kent drie categorieën van classificatie voor financiële activa met bijbehorende waarderingsgrondslag inclusief grondslag voor de verwerking van optredende waardewijzigingen. Deze categorieën betreffen 1) amortised cost (AC); 2) fair value through other comprehensive income (FVOCI); en 3) fair value through profit or loss (FVTPL). Een belangrijk verschil met IAS 39 is dat er een dubbele toets moet worden gehaald voordat sprake kan zijn van opname in de AC-categorie: een businessmodel- en kasstroomkenmerkentoets. De businessmodeltoets wordt uitgevoerd om te beoordelen of de bank de intentie heeft het financieel actief aan te houden tot het einde van de looptijd. In de kasstroomkenmerkentoets wordt nagegaan of het financieel actief enkel rente- en aflossingskasstromen genereert. Waardering tegen (geamortiseerde) kostprijs staat dus alleen open voor die instrumenten die voor beide testen slagen. Dat betekent dat als aan één van beide toetsen niet wordt voldaan het instrument op reële waarde moet worden gewaardeerd.7

Deze toetsen8 kunnen er toe leiden dat financiële instrumenten op een andere wijze worden geclassificeerd en gewaardeerd dan onder IAS 39. Een aangepaste classificatie leidt tot een herziene waardering op het invoeringsmoment van IFRS 9, 1 januari 2018, één dag later dan de datum van de cijfers in de jaarrekening. De verschillen die hieruit ontstaan hebben namelijk invloed op het eigen vermogen van de bank per 1 januari 2018.9 We hebben onderzocht in welke mate van detail banken in hun jaarrekening 2017 een toelichting geven omtrent de classificatie en waarderingswijze onder IFRS 9 en de invloed daarvan op het eigen vermogen. Tabel 2 geeft een overzicht van de kwaliteit van de toelichting op dit gebied.

Kwaliteit toelichting inzake classificatie en waardering.

Kwaliteit toelichting classification & measurement 2017 2016
N % N %
Niet toegelicht of globaal beschreven 8 16% 35 70%
Globaal toegelicht (incl. bankspecifieke ontwikkelingen) 27 55% 10 20%
Gedetailleerd toegelicht 14 29% 5 10%
Totaal 49 100% 50 100%
Figuur 2.

Best practice classification en measurement: DNB, jaarrekening, p. 238.

Een beperkt aantal van 14 banken (29%) geeft via de jaarrekening daadwerkelijk inzicht in de kwantitatieve impact van wijzigingen in classificatie en waardering als gevolg van IFRS 9. De impact is over het algemeen beperkt. Voor de 14 banken in onze populatie is de impact gemeten in procenten van het balanstotaal -0.1% (negatief) tot 0,1% (positief). De impact is met name het gevolg van de waardering op fair value in plaats van amortised cost10 of doordat banken (delen van) van hun voormalige available-for-sale-portefeuille nu op kostprijs hebben gewaardeerd. De toelichtingen van de 27 banken (55%) die in ons onderzoek beoordeeld zijn als globale toelichting, beschrijven op hoofdlijnen de wijzigingen van de classificatie en waarderingsgrondslagen op hun portefeuille. De kwantificering van de impact ontbreekt. Acht banken (16%) zijn naar onze mening onvoldoende concreet en vatten vooral de IFRS 9-grondslagen samen, zoals een kasstroomkenmerken- en businessmodeltest.

Als best practice hebben we de toelichting van DNB Group geselecteerd. Deze toelichting maakt voor iedere categorie van financiële activa een vergelijking tussen de classificatie onder IAS 39 en IFRS 9. Tevens is toegelicht of de FVTPL-classificatie voortkomt uit het businessmodel (‘held for trading’), de keuze van de onderneming (‘designated’) of het niet behalen van de kasstroomkenmerkentest (´FVTPL mandatory’). Per subcategorie is vervolgens de bijbehorende waardering inzichtelijk gemaakt, waardoor de lezer van de jaarrekening de kwantitatieve impact van de gewijzigde classificatie kan volgen. De best practice is naar onze mening een goed voorbeeld hoe banken invulling kunnen geven aan de vereisten van IFRS 7.42I.11 De jaarrekening van DNB Group bevat tevens additionele kwantitatieve toelichtingen inzake de effecten van IFRS 9 op de classificatie en waardering van financiële activa en passiva.

2.3 Expected credit losses

IFRS 9 introduceert het ECL-model als vervanging van het incurred loss-model onder IAS 39. Deze wijziging heeft een grote impact op banken omdat de impairment-bepalingen op basis van ECL (onder meer12) toegepast moeten worden op de financiële activa die tegen geamortiseerde kostprijs in de boeken zijn opgenomen. Dit betreft het grootste deel van de balans van de meeste banken aangezien de leningportefeuille, zoals hypotheken, op basis van deze grondslag wordt gewaardeerd. Het ECL-concept beoogt rekening te houden met verwachte verliezen op het moment dat een financieel actief wordt opgenomen in de balans.13 Dit in tegenstelling tot IAS 39 waarbij een voorziening slechts gevormd wordt op het moment dat er sprake is van een objectief aanwijsbare aanleiding van een verliesgebeurtenis (een incurred loss). In deze zin kent IAS 39 een tamelijk binair model: een financieel actief wordt niet afgewaardeerd tenzij er een verliesgebeurtenis (zoals een betalingsachterstand) heeft plaatsgevonden.

IFRS 9 kent een model gebaseerd op drie fasen (stages) die weergeven in hoeverre het kredietrisico op het financieel actief in de loop van de tijd is toegenomen. Banken dienen voor financiële activa waarop geen significante verslechtering van het kredietrisico is waargenomen vanaf het moment van eerste verwerking in de balans, een voorziening op te nemen voor de verwachte verliezen (ECL) in de komende 12 maanden14, de zogenaamde stage 1-activa. Op het moment dat een significante toename van het kredietrisico heeft plaatsgevonden, wordt de voorziening voor ECL uitgebreid naar de gehele resterende looptijd van het financieel actief die dan als stage 2 wordt gekenmerkt. Indien een aanwijsbare verliesgebeurtenis heeft plaatsgevonden (vergelijkbaar met een incurred loss onder IAS 39), classificeren banken de voorziening als stage 3. Ook in deze fase wordt de voorziening voor ECL gebaseerd op de gehele resterende looptijd van het financieel actief.

Met name de stage 2-voorzieningen leiden tot een eerdere verwerking van het kredietverlies (ten opzichte van IAS 39), omdat de voorzieningen voor financiële activa in stage 3 in grote lijnen overeenkomen met de inschatting onder IAS 39.15 De stage 1-ECL heeft beperkte impact omdat banken onder IAS 39 incurred but not reported (IBNR)-voorzieningen hebben opgenomen. We verwijzen voor nadere toelichting naar Huttenhuis and Ter Hoeven (2017).

De (verwachte) toename van de voorzieningen als gevolg van IFRS 9 heeft een directe impact op het eigen vermogen en daarnaast een (indirecte) impact op het weerstandsvermogen van banken (zie paragraaf 2.6). Zoals in de inleiding is aangegeven mogen we verwachten dat, op grond van IAS 8.30 en het feit dat het implementatiejaar al is aangevangen bij het publiceren van de jaarrekening 2017, het ECL-effect wordt toegelicht in de jaarrekening. In Tabel 3 staan de uitkomsten vermeld.

Kwaliteit van de toelichting met betrekking tot expected credit losses.

Kwaliteit toelichting expected credit losses 2017 2016
N % N %
Geen kwantitatieve informatie 8 16% 47 94%
Range schatting 6 12% 2 4%
Puntschatting 35 72% 1 2%
Totaal 49 100% 50 100%

Het aantal banken dat geen kwantitatieve toelichting geeft is afgenomen van 94% tot 16%. Toch is het opvallend dat deze acht banken de invloed van IFRS 9 niet weten te kwantificeren. De tabel laat ook zien dat 84% (41 van de 49) van de banken een inschatting kunnen maken, waarvan 35 een puntschatting toelichten. Echter, slechts drie banken, waaronder ING, die we als best practice hebben geselecteerd, maken een aansluiting zichtbaar tussen IAS 39- en IFRS 9-kredietvoorzieningen.

Tabel 4 laat de uitkomsten zien van de toename van de kredietvoorziening als gevolg van de invoering van IFRS 9 en daarmee van het ECL-model ten opzichte van het incurred loss model.

Toename expected credit losses tov incurred loss voorziening.

Toename kredietvoorzieningen Non-PIIGS PIIGS Totaal
N % N % N %
0%-10% toename 13 41% 4 44% 17 42%
11%-20% toename 11 34% 1 12% 12 29%
20%+ toename 8 25% 4 44% 12 29%
Totaal 32 100% 9 100% 41 100%

In de tabel wordt onderscheid gemaakt tussen PIIGS- en non-PIIGS-landen. PIIGS is een tijdens de kredietcrisis geïntroduceerde afkorting van een aantal landen in de Europese Unie met een relatief hoge staatsschuld: Portugal, Ierland, Italië, Griekenland en Spanje.16 Omdat deze staatschuld voor een groot deel wordt gefinancierd door de banken in deze landen, is tevens de stabiliteit van deze banken in het geding op het moment dat de overheden in betalingsproblemen komen. Ook blijken banken uit deze PIIGS-landen kwetsbaarder. Bijvoorbeeld in stresstesten zoals uitgevoerd door de EBA is de impact van de stress-scenario’s op banken uit PIIGS-landen gemiddeld genomen groter dan de impact van diezelfde scenario’s op banken uit andere landen (EBA 2016b).17 Omdat het ECL-model meer dan het incurred loss model met dit scenario rekening houdt, is het interessant na te gaan in hoeverre de impact van IFRS 9 verschilt tussen de banken uit deze twee groepen.

De 41 banken in de bovenstaande tabel bestaan uit de banken, weergegeven in Tabel 3, die een bandbreedte of een puntschatting hebben gegeven in hun jaarrekening. De toename van de ECL-voorzieningen is bepaald ten opzichte van de huidige IAS 39-voorzieningen. Alle banken hebben een toename van hun kredietvoorzieningen gerapporteerd. Bij 17 banken (42%) blijft de toename beperkt tot maximaal 10%. Bij 12 van de 41 banken (29%) zien we een toename van meer dan 20%. Het kwantitatieve effect op de verliesvoorziening valt dus mee. De gunstige economische ontwikkelingen van de laatste jaren spelen daarbij ongetwijfeld een rol. IFRS 9 vereist ‘point in time-schattingen’ die niet toestaan dat rekening wordt gehouden met economische cycli (‘through the cycle-schattingen’) die in het prudentiële toezichtskader moeten worden toegepast. Ook veroorzaakt het gunstige economische klimaat dat op balansdatum de stage 2-activa beperkt(er) in omvang zullen zijn. Dat wil zeggen dat er geen significante verslechtering van het kredietrisico op invoeringsdatum van IFRS 9 zal zijn opgetreden ten opzichte van de datum waarop de activa op de balans zijn opgenomen.18 Dit resulteert in een 12-maands ECL-voorziening (stage 1) en geen lifetime ECL-voorziening (stage 2).

Het valt verder op dat de 20%+ toename van de kredietvoorzieningen vaker bij banken uit de PIIGS-landen voorkomt. Dat is conform de verwachting hoewel een voorbehoud vanwege het beperkt aantal banken (N = 9) moet worden gemaakt.

Als best practice hebben we de toelichting in de jaarrekening van ING Group geselecteerd. ING maakt zoals eerder is vermeld een kwantitatieve vergelijking met IAS 39. Ze laat daarbij per stage de voorziening zien en vergelijkt deze met de categorieën zoals deze onder IAS 39 bestonden. Daarmee is duidelijk dat stage 3 gelijk is aan de incurred loss-voorzieningen voor leningen in achterstand. De toename van de kredietvoorziening valt voor het overgrote deel in stage 2 en ook dat is conform de verwachting.

Figuur 3.

Best practice impairment: ING, jaarrekening, p. 116.

2.4 Hedge accounting

De IASB heeft in de doelstelling van hedge-accounting onder IFRS 9 verduidelijkt dat deze aan dient te sluiten bij het risicomanagementsysteem van ondernemingen (IFRS 9.6.1.1). Het staat gebruikers van IFRS echter vrij om geen gebruik te maken van de IFRS 9-hedge-accountingbepalingen en derhalve die van IAS 39 te continueren.19 In dat geval kan dus geen gebruik worden gemaakt van de in IFRS 9 doorgevoerde verbeteringen. De standaard laat wel de optie open om IFRS 9 voor hedge accounting toe te passen en de vereisten onder IAS 39 slechts te continueren voor fair value hedges.20 Dit type hedge accounting wordt veelal gebruikt om het renterisico af te dekken op leningportefeuilles van banken (macro fair value hedges). Tevens bestaat binnen de Europese Unie een specifieke in IAS 39 aangebrachte verlichting21 die de toepassing van deze vorm van hedge accounting meer eenvoudig en dus aantrekkelijker maakt voor banken. De combinatie van het blijven toepassen van deze vorm van hedge accounting onder IAS 39 en het tegelijkertijd incorporeren van de andere IFRS 9-hedge-accountingbepalingen lijkt derhalve op voorhand de meest aantrekkelijke optie voor banken. In ons onderzoek hebben we onderzocht of en welke keuze banken hebben gemaakt in het toepassen van hedge accounting. Tabel 5 laat zien of de keuze wordt toegelicht.

Aanwezigheid toelichting inzake hedge accounting.

Toelichting inzake hedge accounting aanwezig 2017 2016
N % N %
Toelichting niet aanwezig 2 4% 9 18%
Toelichting aanwezig 47 96% 41 82%
Totaal 49 100% 50 100%

Nagenoeg alle banken (96%) hebben een toelichting inzake hedge accounting opgenomen en lichten hierin hun gemaakte keuzes toe. Ten opzichte van 2016 is daarmee meer concrete informatie verstrekt. Dit kan ook verwacht worden van de banken. We vinden het met name opvallend dat er twee banken zijn die geen toelichting inzake hun keuze voor hedge accounting hebben opgenomen. Van de 47 banken die een informatieve toelichting inzake hedge accounting hebben opgenomen, geven 43 aan de bepalingen van IAS 39 inzake macro fair value hedge accounting te blijven volgen. Deze banken maken niet in alle gevallen duidelijk hoe wordt omgegaan met (eventuele) overige hedge-accountingstrategieën. Niet uit alle jaarrekeningen valt eenduidig op te maken of banken voor de andere hedge-accountingopties IAS 39 continueren of dat gebruik wordt gemaakt van de vereisten van IFRS 9. Van de overige banken die geen gebruik maken van de optie IAS 39 op dit vlak te continueren is er één bank (2%) die geen hedge accounting toepast. De overige drie banken (6%) gaan de vereisten van IFRS 9 voor hedge accounting volledig toepassen. Dit betreft onder meer VW Financial Services AG die mogelijk deze accountingkeuze maakt in lijn met het beleid van de moedermaatschappij Volkswagen.

Als best practice op het gebied van hedge accounting is de toelichting van Bank Nederlandse Gemeenten (BNG) geselecteerd. Zoals uit Figuur 4 kan worden vastgesteld maakt BNG in haar toelichting expliciet onderscheid tussen de gemaakte keuzes voor hedge accounting met betrekking tot continuering van de vereisten voor IAS 39 voor portefeuilles (macro) en overgang naar de vereisten van IFRS 9 op individueel (micro) niveau. De keuze voor IAS 39 op portefeuilleniveau impliceert dat BNG hier enkel macro fair value hedge accounting toepast. Voorts is concrete kwantitatieve informatie verstrekt over de impact van IFRS 9 op de in hedge accounting betrokken instrumenten.

Figuur 4.

Best practice toelichting inzake hedge accounting. Bank Nederlandse Gemeenten, jaarrekening, p. 19.

2.5 Overgangsbepalingen

IFRS 9 kent gedetailleerde overgangsbepalingen die zijn uitgesplitst naar de verschillende onderdelen van deze standaard. Met andere woorden, er zijn specifieke overgangsbepalingen voor classification and measurement, impairment, hedge accounting en toelichtingen (IFRS 7). De grootste keuze die de overgangsbepalingen aan ondernemingen overliet, betrof de periode van toepassing en de aanpassing van de vergelijkende cijfers. Wat betreft de periode van toepassing geldt dat vervroegde toepassing mogelijk was. In de Europese Unie werd IFRS 9 op 22 november 2016 goedgekeurd voor toepassing; derhalve zouden jaarrekeningen over de boekjaren 2016 en 2017 op basis van IFRS 9 mogen worden opgesteld maar het zal gezien de complexiteit van invoering geen verbazing wekken dat geen enkele bank in onze populatie hier gebruik van heeft gemaakt.

Wat betreft de aanpassing van de vergelijkende cijfers biedt IFRS 9 een soepel overgangsregime voor de belangrijkste onderdelen classification and measurement en impairment. Vergelijkende cijfers hoeven niet te worden aangepast. Mocht een onderneming dit toch willen, dan mag dat alleen maar als dat mogelijk is zonder gebruik te maken van hindsight. Deze soepele voorwaarden zijn goed te begrijpen omdat met de aanpassing van de vergelijkende cijfers de openingsbalans van het boekjaar 2017 ook al op basis van IFRS 9 zou moeten worden opgesteld. Een vergelijking is immers niet mogelijk als de classificatie van activa (en daarmee de toepassing van ECL) niet al gelijk aan het begin van de periode wordt gemaakt. In het vergelijkende jaar moet immers ook begonnen worden met een (ECL)-kredietvoorziening en dient ook de ‘staging’ gevolgd te worden. Dit lijkt op een vervroegde toepassing maar dan pas uitgevoerd in de aanpassing van de vergelijkende cijfers in de jaarrekening over het boekjaar 2018. Het ligt in de lijn der verwachting dat de mogelijkheid tot aanpassing van de vergelijkende cijfers niet of nauwelijks gekozen zal worden. Uit Tabel 6 blijkt dit ook, 47 banken (96%) geven aan de vergelijkende cijfers niet aan te passen. Twee banken (4%) hebben dit niet expliciet in hun jaarrekening vermeld.

Toelichting aanpassing vergelijkende cijfers.

Vergelijkende cijfers N %
Niet aangepast 47 96%
Niet toegelicht 2 4%
Totaal 49 100%

2.6 Bankkapitaal

Evenals in ons vorige onderzoek (Huttenhuis and Ter Hoeven 2017) het geval was, wijden we ook in deze bijdrage een deelparagraaf aan bankkapitaal. Banken dienen onder de prudentiële regelgeving22 te voldoen aan minimumvereisten inzake hun Common Equity Tier 1-ratio (hierna CET1-ratio of ‘kernkapitaalratio’) en Total Capital-ratio (TC-ratio). Deze minimumvereisten zijn wettelijk bepaald. In aanvulling daarop wordt een specifiek kapitaalsvereiste voor een bank door de toezichthouder, zoals de Europese Centrale Bank of De Nederlandsche Bank, bepaald.23 Op het moment dat een bank niet aan haar kapitaalsvereisten kan voldoen, is de bank naar het oordeel van de toezichthouder onvoldoende gekapitaliseerd met alle gevolgen van dien, zoals de (on)mogelijkheid om dividenden uit te keren aan de aandeelhouders. De dreiging van onvoldoende bankkapitaal vergroot ook de mogelijkheid van een nieuwe aandelenemissie en daarmee potentiële verwateringseffecten. De ontwikkeling van het bankkapitaal is derhalve relevante informatie voor gebruikers van financiële informatie van banken.

De solvabiliteit van een bank wordt bepaald door het prudentiële vermogen te delen door de zogenaamde risico-gewogen activa (RWA). Voor zowel het vermogen als de RWA zijn de in de jaarrekening opgenomen waarden (op basis van IFRS) het uitgangspunt. Op het (IFRS-)vermogen worden vervolgens een aantal correcties toegepast, zoals een aftrekpost indien kredietvoorzieningen onder IFRS lager zijn dan de prudentiële expected credit losses, om te komen tot het common equity tier 1-kapitaal. Omdat het een prudentiële maatstaf betreft, zijn de correcties over het algemeen conservatief (verlagend) van aard. De RWA wordt bepaald door de boekwaarde van een actief te vermenigvuldigen met een wegingspercentage. Een meer risicovol geacht actief krijgt een hoger wegingspercentage dan een minder risicovol actief. Een Nederlandse staatsobligatie heeft bijvoorbeeld een wegingspercentage van 0% en een krediet aan een MKB-ondernemer 75%. Deze wegingspercentages zijn gedefinieerd in de regelgeving onder de standaardbenadering (standardised approach; SA). Het is van belang voor de beoordeling van de relatie tussen IFRS 9 en de prudentiële regelgeving om te beseffen dat de banken in onze populatie voor prudentiële doeleinden hun kapitaalsvereisten veelal bepalen door middel van door de toezichthouder(s) goedgekeurde interne modellen (internal ratings based; IRB) die overeenkomsten vertonen met het ECL-model.24 De uitgangspunten van deze prudentiële modellen wijken op onderdelen echter af van de voorschriften vanuit IFRS. Zo worden voorzieningen onder IFRS op balansmoment met bijbehorende economische toestand bepaald (point in time) terwijl de prudentiële regelgeving een benadering voorschrijft waarbij de ECL berekend dient te worden over het geheel van de economische cyclus (through the cycle) en er (meer) uitgegaan moet worden van worst-case-scenario’s.25 IFRS 9 lijkt daarmee een meer procyclisch karakter te hebben in vergelijking met de prudentiële regelgeving. Op dit moment zijn banken die interne modellen toepassen in hun kapitaalsberekening26 verplicht het verschil tussen de prudentiële expected loss en de voorzieningen onder IAS 39 in aftrek te brengen op hun eigen vermogen dat in aanmerking komt als prudentieel kapitaal. Deze aftrek staat bekend onder de naam shortfall. De veelal kleinere banken die de kapitaalvereisten niet door interne modellen vaststellen maar door een standardised approach27, hebben niet te maken met deze shortfall. Door de invoering van IFRS 9 verwachten deze banken derhalve een grotere negatieve impact op het bankkapitaal (ECB 2017).

Tabel 7 bevat de uitkomsten van de kwaliteit van toelichting over de gevolgen van de invoering van IFRS 9 op het bankkapitaal.

Uit Tabel 7 blijkt dat het merendeel een toelichting op de gevolgen voor het bankkapitaal door middel van een puntschatting geeft. Toch is het opmerkelijk dat 37% (18 banken) van de populatie geen of slechts een kwalitatieve toelichting geeft op de gevolgen voor het bankkapitaal. Er zijn 31 banken die via een puntschatting een toelichting hebben gegeven op de impact van IFRS 9 op de CET1-ratio28. Deze impact wordt zowel veroorzaakt door hogere ECL-voorzieningen als wijzigingen in classificatie en waardering. Zie Tabel 8 voor de uitkomsten die we wederom hebben uitgesplitst naar banken uit non-PIIGS- en PIIGS-landen.

Kwaliteit toelichting inzake het bankkapitaal.

Kwaliteit toelichting bankkapitaal 2017 2016
N % N %
Geen of kwalitatieve toelichting 18 37% 41 82%
Toelichting range 0 0% 6 12%
Toelichting puntschatting 31 63% 3 6%
Totaal 49 100% 50 100%

Impact IFRS 9 op Common equity tier 1-ratio.

Impact CET1-ratio Non-PIIGS PIIGS Totaal
N % N % N %
Positief 2 9% 0 0% 2 6%
Nihil 1 4% 0 0% 1 4%
1 - 25 basispunten 15 65% 2 25% 17 55%
26 - 50 basispunten 5 22% 0 0% 5 16%
50+ basispunten 0 0% 6 75% 6 19%
Totaal 23 100% 8 100% 31 100%

Bij de interpretatie van deze tabel wijzen we allereerst op het verschil tussen banken die de standaardmethode of een (gedeeltelijke) IRB-methode hebben gehanteerd. Maar ook andere elementen of afspraken met toezichthouders, bijvoorbeeld prudentiële filters en een gefaseerde toepassing (zie hierna), zorgen ervoor dat de impact van IFRS 9 op de kapitaalratio’s van de bank niet eenduidig valt te af te leiden. Bij de uitleg van de best practice komen we hier nader op terug.

De negatieve impact op de kernkapitaalratio bedraagt gemiddeld 30 basispunten (0,3 procentpunt) en bij het merendeel van de banken (55%) is de impact niet meer dan 25 basispunten. Dit is lager dan de verwachting van de EBA (2017) op basis van gegevens per 31 december 2016. Zoals eerder aangegeven zullen de gunstige economische ontwikkelingen in 2017 dit vermoedelijk verklaren. Er bestaan echter grote verschillen tussen landen en banken. De gemiddelde impact voor een bank uit Spanje, Portugal of Ierland is 75 basispunten. Vergeleken met een gemiddelde impact van 14 basispunten voor banken in andere landen. De banken waarbij IFRS 9 de grootste impact heeft op het kapitaal, vinden we in Italië. Zowel Intesa Sanpaolo SpA als Banco BPM rapporteren een daling van 100 basispunten (1 procentpunt) of meer op hun kernkapitaalratio.29

Bij twee banken (9%) zien we een positieve impact en derhalve leidt de invoering van IFRS 9 tot een stijging van het bankkapitaal. De betrokken banken zijn niet expliciet in de hieraan ten grondslag liggende oorzaken. We vermoeden dat dit verband zou kunnen houden met wijzigingen in de waarderingsgrondslag (bijvoorbeeld van kostprijswaardering naar hogere fair value) die de CET1-ratio positief kunnen beïnvloeden. Bij wijziging van de waarderingsgrondslag treedt een ‘teller-noemer’-effect op. Het beschikbare bankkapitaal, de teller van de kernkapitaalratio, neemt door de herwaardering toe. De noemer, neemt met een kleinere of identieke omvang toe.30 Het resultaat is een hogere ratio. Een andere verklaring zou kunnen zijn dat door toepassing van het IRB-model de impact van IFRS 9 op de kredietvoorzieningen wordt gedempt. Dit effect treedt op wanneer de toename van kredietvoorzieningen door toepassing van het ECL-model onder IFRS 9 wordt gecompenseerd door een kleinere shortfall (of overschot) ten opzichte van de prudentieel berekende expected credit losses. Ook hier kan sprake zijn van een samenloop met gunstigere economische omstandigheden en vooruitzichten.

Bij de uitsplitsing PIIGS- en non-PIIGS-landen valt op dat zes banken in de PIIGS-regio een negatieve impact hebben van meer dan 50 basispunten. Dit correspondeert met de grotere vertegenwoordiging van banken uit PIIGS-landen in de deelpopulatie (12 banken) waarbij de kredietvoorziening met meer dan 20% stijgt. Zoals eerder in deze paragraaf aangegeven, is de verwachting dat banken die een standaardbenadering (SA) volgen een grotere impact van IFRS 9 verwachten. De hier benoemde zes banken passen allen interne modellen toe. Deze factor heeft derhalve op het eerste gezicht niet gezorgd voor de relatief grote impact van IFRS 9 op het bankkapitaal bij deze banken.

Als we de impact van IFRS 9 op het bankkapitaal vergelijken met de impact op de ECL-voorziening (Tabel 4) constateren we dat voor banken uit de PIIGS-landen de impact van de invoering IFRS 9 op het bankkapitaal groter is. Een groter percentage van banken uit PIIGS landen (75%) rapporteert namelijk een impact in de hoogste categorie. Omdat de bepaling van de impact van IFRS 9 op het bankkapitaal een zeer complex samenspel van factoren is kunnen we hiervoor niet een eenduidige verklaring geven. Het zou kunnen dat banken uit PIIGS-landen een relatief beperkter verschil hadden tussen hun IAS 39-kredietvoorzieningen en regulatory expected credit losses. Banken uit andere landen hadden daarmee een (relatief) grotere shortfall als aftrekpost in hun bankkapitaal opgenomen.

Het IFRS 9-effect op het bankkapitaal kan volgens de prudentiële voorschriften ineens worden verwerkt of gedempt worden verwerkt in de bepaling van de kernkapitaalratio.31 Bij deze laatste variant wordt het eenmalig nadelig transitie-effect gefaseerd over vijf jaren, tot uiterlijk 31 december 2022, ten laste gebracht van het bankkapitaal. We hebben onderzocht of banken ook deze overgang in het prudentieel domein toelichten. Zie Tabel 9.

Toelichting gebruik overgangsbepaling impact IFRS 9 op bankkapitaal.

Overgangsbepaling Non-PIIGS PIIGS Totaal
N % N % N %
Niet toegelicht 6 26% 1 13% 7 23%
Impact infaseren 4 17% 6 75% 10 32%
Impact ineens 13 57% 1 13% 14 45%
Totaal 23 100% 8 100% 31 100%

Uit de tabel blijkt dat de transitiebepaling vooral wordt toegepast door banken uit de PIIGS-landen. Tot slot merken we op dat zeven banken (23%) die inzicht geven in de impact van IFRS 9 op hun kernkapitaal niet in de toelichting op de jaarrekening aangeven of ze gebruik maken van de overgangsbepaling.

Als best practice hebben we de Poolse bank Powszechna Kasa Oszczednosci Bank Polski Spolka Akcyjna geselecteerd. Het is een toelichting waarbij de impact op het bankkapitaal per oorzaak wordt toegelicht. Het illustreert ook hoe lastig het is om het IFRS 9-effect te isoleren van andere oorzaken. Ook wordt de transitiewijze (gefaseerd) toegelicht inclusief de gevolgen voor het bankkapitaal als de faseringen niet zouden zijn toegepast. De impairment adjustments ten gevolge van toepassing van IFRS 9 worden daarbij specifiek vermeld. Tot slot maakt het duidelijk dat de fasering een grote invloed kan hebben op het bankkapitaal. Zonder fasering zou de totale solvabiliteitsratio (TC-ratio) met 36 basispunten zijn gedaald. Door de fasering is het effect beperkt tot 8 basispunten. We merken op dat deze bank in Tabel 8 is opgenomen in de categorie 25-50bps. We hebben namelijk de totale impact van IFRS 9 op het bankkapitaal vergeleken.

Figuur 5.

Best practice transitiebepalingen: PKO, jaarrekening, p. 29

2.7 IFRS 9 als key audit matter

Volgens International Standard of Auditing (ISA) 701 dienen kernpunten van de controle (key audit matters) in de controleverklaring van de accountant te worden opgenomen (IAASB 2018). Deze ISA geldt voor boekjaren eindigend op of na 15 december 2016 en is dus van toepassing op het door ons onderzochte boekjaar. Accountants van banken zijn verplicht hun controle uit te voren in overeenstemming met de ISA’s.32 We hebben ook in alle 49 jaarrekeningen van de banken in onze populatie van 49 deze key audit matters aangetroffen.

Het communiceren van kernpunten van de controle verschaft aanvullende informatie aan beoogde gebruikers van de financiële overzichten om hen te helpen bij het begrijpen van die aangelegenheden die, naar de professionele oordeelsvorming van de accountant, bij de controle van de financiële overzichten van de huidige verslagperiode het meest significant waren. Het communiceren van kernpunten van de controle kan volgens ISA 701 tevens een hulpmiddel zijn voor de gebruikers bij het begrijpen van de entiteit en de gebieden van significante oordeelsvorming van het management in de jaarrekening. Op het moment dat een bank meer (complexe) producten heeft verwachten we eerder een key audit matter. Dit kan bijvoorbeeld door het aanbieden van veel verschillende financiële diensten waardoor ook naar aard uiteenlopende financiële instrumenten in de balans zijn opgenomen. Deze vragen meer professionele oordeelsvorming, waaronder meerdere ECL-modellen, en dus aandacht om de impact van IFRS 9 te bepalen. Over het algemeen bieden grotere banken vaker verschillende diensten aan. In ons onderzoek hebben we derhalve een onderscheid gemaakt naar Global Systemically Important Banks (G-SIBs) en overige banken. G-SIBs zijn banken die bij een faillissement een crisis kunnen veroorzaken van het gehele financiële systeem (FSB 2017).33 De complexiteit van de IFRS 9-implementatie bij deze G-SIBs kan verder beïnvloed zijn door meer spreiding over landen en uitgebreide groepsstructuren. Dit vraagt in de ontwikkeling van modellen en uniformering van datakwaliteit een grotere inspanning.

Uit Tabel 10 valt af te leiden in hoeverre IFRS 9 heeft geleid tot de opname van een kernpunt.

Overzicht key audit matters.

Key audit matter G-SIB Overige banken Totaal
N % N % N %
Nee 7 64% 33 87% 40 82%
IFRS 9 ECL 1 9% 3 8% 4 8%
IFRS 9 Totaal 3 27% 2 5% 5 10%
Totaal 11 100% 38 100% 49 100%

Uit de tabel blijkt dat negen accountants IFRS 9 als key audit matter hebben benoemd. Bij 4 van de 11 (36%) G-SIBs heeft de accountant een IFRS 9-key audit matter opgenomen. Bij 5 van de overige 38 (13%) banken is daarnaast ook een IFRS 9-key audit matter aangetroffen.

Een deel van de key audit matters ziet toe op de algemene IFRS 9-disclosure (die op grond van IAS 8.30 in de jaarrekening moet worden opgenomen) en een deel ziet expliciet toe op de toelichting van het ECL.

Bij deze uitkomst dient bedacht te worden dat het onderwerp impairment (van specifieke delen) van de leningportefeuille in onze populatie bij 47 banken (96%) als key audit matter is opgenomen. De IFRS 9-ECL key audit matter is hier wellicht in geïncorporeerd. Het blijft echter opmerkelijk dat 82% de audit van de IFRS 9-disclosure niet specifiek noemt als key audit matter gegeven het belang dat bijvoorbeeld de ESMA aan deze disclosure heeft gegeven. De meest plausibele verklaring lijkt ons het feit dat uiteindelijk de impact van IFRS 9 op zowel de classificatie van activa als op de hoogte van de kredietvoorziening beperkt is. Het ECL-model zal ongetwijfeld veel aandacht van de accountant hebben gevraagd maar dan is het nog steeds de vraag of de IFRS 9-toelichting nu tot meest significante oordeelsvormingen behoort van de controle op de jaarrekening over het boekjaar 2017.

Ter illustratie hebben we de key audit matter zoals opgenomen door de accountant bij de jaarrekening over 2017 van Lloyds Banking Group. De informatie verschaft door de accountant maakt duidelijk dat bij de invoering van IFRS 9 het ECL-model voor deze bank de belangrijkste component is. Welke werkzaamheden zijn uitgevoerd en welke conclusies zijn bereikt, wordt duidelijk in de sectie ‘how our audit adressed the key audit matter’. Opvallend is dat de accountant expliciet aangeeft dat reeds de implementatie en werking van interne beheersmaatregelen (controls) zijn getest door de accountant.

Figuur 6.

Illustratie key audit matter: Lloyds, jaarrekening, p. 163.

3. Conclusie en nabeschouwing

In de tweede eindnoot wordt een uitspraak van de ESMA voorzitter Steven Maijoor aangehaald die ontleend is aan het persbericht van de ESMA bij het uitkomen van zijn jaarrekening over het boekjaar 2017. Nogmaals:

It is of fundamental importance that issuers ensure high-quality implementation of IFRS 9 and IFRS 15, and provide relevant and comprehensive information on the expected impacts on the financial position and performance of the entity”.

In dit artikel zijn de jaarrekeningen van een populatie van 49 voor het Europese financiële systeem van belang zijnde banken onderzocht. Vanuit het besef dat IFRS 9 vooral is geschreven om het probleem van het “too little, too late” vormen van kredietvoorzieningen op te lossen34, zullen de woorden van Maijoor nadrukkelijk van toepassing zijn op het effect van IFRS 9 op de kredietvoorziening van deze banken en de toelichting daaromtrent. Op voorhand is de verwachting gerechtvaardigd dat de 49 banken in de jaarrekening over het laatste boekjaar voordat IFRS 9 van toepassing is, relevante en volledige informatie over de effecten van IFRS 9 geven op met name de kredietvoorziening en het bankkapitaal.35

Bezien we vervolgens de uitkomsten van het jaarrekeningonderzoek, dan is het allereerst opmerkelijk dat uit de jaarrekeningen blijkt dat geen enkele van de 49 banken expliciet communiceert dat de implementatie van IFRS 9 is afgerond. Dit ondanks een implementatieperiode van bijna drieënhalf jaar. 32 banken (65%) geven expliciet aan dat de implementatie nog afgerond dient te worden. De overige banken zeggen hier niets over. Het toont ons inziens vooral de complexiteit van het ECL-model aan zoals dat door de IASB is vormgegeven. Datakwaliteit en -beschikbaarheid, modellering, het inbouwen van toekomstige economische scenario’s, het groeperen van portefeuilles en de bepaling van ‘significant increases in credit risk’ (staging) zijn elementen die aan deze complexiteit ten grondslag hebben gelegen, blijkt ook uit de enquête van de EBA (2017) onder een vergelijkbare groep banken.

Dit beeld wordt bevestigd door een recente door EY gehouden enquête (EY 2018) onder 20 grote op IFRS rapporterende banken. De onderzoekers concluderen het volgende:

Change programmes have extended longer than expected and it remains a challenge to embed the extensive additional risk and finance data, processes and controls into the business. The volume of changes to a financial institution’s data, systems, quantitative models, processes and control framework to calculate expected credit losses were generally underestimated.

Het is te gemakkelijk om hieruit te concluderen dat de implementatieperiode te kort is geweest en dat de IASB de banken een langere periode had moeten gunnen. Een complex model als het ECL is nooit ‘echt’ af en banken zullen, zo blijkt ook uit de enquête van EY, ook in 2018 aan het ECL-model blijven werken.36 Denk daarbij vooral aan het verfijnen van de scenario-analyse voor langjarige verlieskansen (probability of default; PD) waar weinig ervaring mee is opgedaan omdat vanuit het prudentieel raamwerk met een 12-maands PD werd gewerkt.37

Het valt verder op dat een harde kern van acht banken niets toelicht over de kwantitatieve impact van IFRS 9. Wellicht dat het niet materieel werd geacht op basis van de (berekende) cijfermatige impact maar een gebruiker van financiële informatie dient ook zelf de kans te krijgen hier een beeld van te vormen. Bij de resterende 41 banken valt op dat het effect van het ECL-model beperkt is ten opzichte van het IAS 39-model. Bij 71% van de banken blijft de toename beperkt tot maximaal 20% van de originele kredietvoorzieningen. En bij 41% van de banken blijft de toename zelfs beperkt tot maximaal 10%. In het verlengde hiervan blijkt ook het negatieve effect op het bankkapitaal beperkt te zijn. Bij meer dan driekwart van de banken is dit effect niet meer dan 25 basispunten (0,25 procentpunt). Bij dit effect speelt mee dat veel banken bij de bepaling van hun bankkapitaal al een soort ECL-model vanuit het prudentiële kader toepasten. Er was derhalve al een buffer (shortfall) aanwezig die de stijging van de kredietvoorziening door de overgang naar IFRS 9 kon opvangen. Ten aanzien van de Nederlandse banken in onze populatie merken we op dat zij in vergelijking met hun Europese peers relatief (meer) concrete informatie verstrekken over de impact van IFRS 9. Dit is ook zichtbaar in de in dit artikel opgenomen illustraties van toelichtingen uit jaarrekeningen.

Ons onderzoek in het vorige MAB-themanummer sloten we af met de opmerking dat het nog valt te bezien of de vermeende (too little too late) tekortkoming van IAS 39 tenietgedaan gaat worden door het ECL-model van IFRS 9. En aan deze opmerking doen we niets af nu we een jaar verder zijn. In de eerste plaats zorgt staging ervoor dat in economisch slechte tijden meer indicaties van een significante verslechtering van het kredietrisico zullen optreden; de overgang van stage 1 naar stage 2 en de hogere voorziening die dit veroorzaakt, zou een beginnende crisis kunnen verergeren. Dit wordt ook wel het risico op cliff-effecten genoemd. Daarnaast is het principe van point in time in zijn aard procyclisch hetgeen bevestigd lijkt te worden door de EBA-enquêtes en doordat de effecten van IFRS 9 tijdens de economisch gunstige implementatieperiode (2015–2018) telkens neerwaarts werden bijgesteld. De prudentiële regelgever bouwt meer voorzichtigheid in door uit te gaan van langere termijn through-the-cycle-principes, van worst-case-scenario’s en soms zelfs het eisen van een minimale omvang van een voorziening (thresholds). We blijven benadrukken dat de jaarrekening zich maar moeilijk laat verenigen met prudentiële beginselen. Echte financiële stabiliteit zal bereikt moeten worden door het vormen van voldoende buffervermogen bij banken (in goede tijden) en dat valt niet te bereiken met een best-estimate (point-in-time)-voorziening van de IASB. Een zware crisis laat zich niet voorspellen zodat prudentiële buffers simpelweg nodig zijn om voor ‘het onvoorspelbare’ te voorzien door het opbouwen van voldoende (weerstands)vermogen en uit te blijven gaan van worst-cases, zelfs (of vooral?) in tijden van economische voorspoed.38 En deze belangrijke taak ligt bij het toezicht op de bancaire sector in deze wereld en zeker niet bij de IASB. De vraag die gesteld kan en moet worden is of de complexe modellen zoals vereist onder IFRS 9 nu daadwerkelijk het ‘too little too late-probleem’ adresseren of dat wellicht de interactie tussen IFRS 9 en het bankkapitaal zelfs ongewenste effecten tot gevolg zou kunnen hebben. De ESMA heeft op 19 oktober 2018 reeds laten weten dat de huidige inzichten over de impact van IFRS 9 op het bankkapitaal wellicht de daadwerkelijke (toekomstige) gevolgen onderschat (ESMA 2018b). Volgens de ESMA is dit zowel toe te schrijven aan het huidige gunstigere economische klimaat als aan procycliciteit. Deze procycliciteit is zowel het gevolg van de opzet van IFRS 9 als gemaakte implementatiekeuzes. We zien dit als een goede aanleiding voor beleidsbepalers en regelgevers om met elkaar vroegtijdig te evalueren of de huidige combinatie van regelgeving die van toepassing is op de bancaire sector de gewenste effecten tot gevolg hebben. Om gelijk als vorig jaar af te sluiten: wellicht dat er nog een crisis nodig is voordat dit besef is doorgedrongen bij beleidsbepalers en regelgevers.

J.G. (Job) Huttenhuis MSc EMA RA is als senior manager werkzaam bij KPMG Financial Services en is als universitair docent Externe Verslaggeving verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Prof. dr. R.L. (Ralph) ter Hoeven RA is partner op het vaktechnisch centrum van Deloitte Accountants en is als hoogleraar Externe Verslaggeving verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen.

De auteurs hebben deze bijdrage geschreven op persoonlijke titel.

Dankwoord

De auteurs bedanken Dick Korf en Bert-Jan Bout voor hun commentaar bij een conceptversie van dit artikel.

Noten

1

We merken op dat inzake hedge accounting de mogelijkheid bestaat de vereisten van IAS 39 toe te passen ingevolge paragraaf 7.2.21 van IFRS 9. Paragraaf 2.4 van dit artikel geeft inzicht in de gemaakte keuzes door banken in dit opzicht.

2

We wijzen tevens op het op 3 april 2018 gedateerde persbericht van de ESMA bij de publicatie van haar jaarrekening over 2017 (ESMA 2018a). Bij monde van de voorzitter Steven Maijoor geeft de ESMA in dit bericht het volgende aan: “It is of fundamental importance that issuers ensure high-quality implementation of IFRS 9 and IFRS 15, and provide relevant and comprehensive information on the expected impacts on the financial position and performance of the entity.”

3

Toelichting op EBA Transparency Exercise.

4

Deze uitgangspunten benodigd voor de IFRS 9-modellen wijken tevens af van de reeds door banken gehanteerde prudentiële modellen. Het ontwikkelen van dergelijke modellen en het beschikbaar maken van de daarvoor benodigde data hebben de inspanning voor banken om IFRS 9 te implementeren intensief gemaakt.

5

De enquête is onder banken uitgevoerd in februari 2017. Dit was het verwachte moment dat banken inzicht zouden moeten hebben in de impact van IFRS 9 op basis van de aanwezige informatie per 31 december 2016.

6

In het halfjaarbericht over de eerste zes maanden van 2018 van Rabobank kan de gebruiker vaststellen dat de impact van IFRS 9 in lijn is met de toelichting zoals opgenomen in de jaarrekening. De verwachte impact zoals toegelicht in de jaarrekening over 2017 van EUR 0,2 miljard is meer specifiek geworden tot EUR 227 miljoen. De impact op de common equity tier 1-ratio is zoals aangegeven in het halfjaarbericht 14 basispunten in plaats van 15 basispunten.

7

Het classificatiemodel kent twee varianten om de na de eerste verwerking optredende wijzigingen van de reële waarde te verwerken: via de winst-en-verliesrekening (FVTPL) of via ‘other comprehensive income’ in het eigen vermogen (FVOCI).

8

IAS 39 (paragraaf 9) kent net als IFRS 9 (paragraaf 4.1.5) een fair value-optie, waarmee financiële instrumenten op reële waarde worden gewaardeerd en waarbij de waardewijzigingen via de winst-en-verliesrekening worden verwerkt. De onderneming kan dus zelf ook een keuze maken voor FVTPL.

9

IFRS 9.7.2.15

10

Als gevolg van de intentie van het management (businessmodel) of het niet slagen voor de kasstroomkenmerkentest.

11

De vereisten voor toelichtingen omtrent de initiële toepassing van IFRS 9 zijn opgenomen in IFRS 7. Deze standaard omvat de toelichtingen die ondernemingen ten aanzien van financiële instrumenten dienen te verschaffen.

12

Voor de volledigheid merken we op dat het ECL-model tevens van toepassing is op financiële instrumenten geclassificeerd als FVOCI alsook garanties en loan commitments (IFRS 9.5.5.1).

13

Indien eenzelfde financieel instrument, bijvoorbeeld een bedrijfsobligatie, wordt gekocht op verschillende momenten in de tijd bestaat de mogelijkheid dat op een ander moment voor de aangekochte stukken de bank tot de conclusie komt dat het kredietrisico significant is toegenomen. Immers, IFRS 9 paragraaf 5.5.3 bepaalt dat deze inschatting plaatsvindt per (individueel) financieel instrument vanaf eerste opname in de balans.

14

IFRS 9, paragraaf 5.5.5.

15

Voor een financieel actief waarbij een verliesgebeurtenis (incurred loss event) heeft plaatsgevonden wordt onder IAS 39 een voorziening aangehouden gebaseerd op de contante waarde van de nog te verwachten kasstromen (IAS 39.63). De kasstromen zijn gebaseerd op verwachte betalingen op de lening inclusief het uitwinnen van eventueel aanwezig onderpand. Dit kan vergeleken worden met de bepaling van expected losses op een ‘credit-impaired’ financieel actief onder IFRS 9 (appendix A; paragraaf 5.5.3). Onder beide standaarden komt de voorziening de facto neer op het verschil tussen de uitstaande hoofdsom van de lening en de nog te verwachten kasstromen.

16

We merken op dat in onze populatie geen banken uit Griekenland en Portugal zijn opgenomen. We verwijzen naar appendix 1 voor de landen van herkomst van onze populatie.

17

Banca Monte dei Paschi di Siena SpA is hier een illustratie van. Deze bank bleek de grootste negatieve impact te hebben als scenario’s van de EBA-stresstest 2016 zich zouden materialiseren. Na publicatie van de stresstestresultaten op 29 juni 2016 is door de Italiaanse overheid aan Banca Monte dei Paschi di Siena SpA steun gegeven. Ook hebben obligatiehouders van de bank een deel van hun inleg verloren als gevolg van de bail in die investeerders vereist zijn te doen in een dergelijke situatie onder de huidige bancaire regelgeving. We merken op dat de stresstestresultaten 2018 op het moment van het schrijven van dit artikel nog niet door de EBA zijn gepubliceerd.

18

IFRS 9.7.2.18.

19

IFRS 9.7.2.21.

20

IFRS 9.6.1.3.

21

De zogenaamde EU carve-out.

22

De Capital Requirements Regulation (CRR) en Capital Requirements Directive IV (CRDIV). De CRR is gepubliceerd door de Europese Commissie onder de volgende kenmerken: Corrigendum to Regulation (EU) No 575/2013 of the European Parliament and of the Council of 26 June 2013 on prudential requirements for credit institutions and investment firms and amending Regulation (EU) No 648/2012. De Capital Requirements Directive IV (CRDIV) is de Nederlandse wettelijke verankering van de Bazel III-vereisten die niet in de CRR zijn opgenomen. De CRDIV is onderdeel van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Andere Europese landen hebben de CRDIV ook in hun eigen wetgeving geïmplementeerd.

23

De wettelijke vereisten zijn vastgelegd in artikel 92 van de CRR. Hierin is een common equity tier-1 en total capital-ratio van 4,5% respectievelijk 8% opgenomen. Deze wettelijke bepalingen worden Pillar 1-eisen genoemd. Pillar 2-eisen zijn de bankspecifieke vereisten welke door toezichthouders worden bepaald. Pillar 1 en 2 refereren aan de opzet van het Bazel III-raamwerk, dit is opgebouwd uit drie pijlers (oftewel Pillars). In aanvulling daarop kan, conform hetgeen bepaald in Bazel III, van banken gevraagd worden specifieke buffers aan te houden. Dit betreft bijvoorbeeld een buffer als banken voor een regio systeemrelevant worden geacht. Dit kan bijvoorbeeld zowel op wereldwijd (G-SIB) of landelijk (domestic systemically important bank) niveau het geval zijn. Een verdere detaillering van de (regelgeving voor) kapitaalsvereisten valt buiten de scope van dit artikel. Sommige banken hebben de vereisten ook in hun jaarverslag of jaarrekening toegelicht. Zie bijvoorbeeld de jaarverslagen van Rabobank (pagina 69), ABN AMRO (pagina 120) en ING Group (pagina 48).

24

Ook wel aangeduid met de term internal ratings based (IRB) in tegenstelling tot banken die een standaardbenadering hanteren voor de weging van het kredietrisico. Grotere banken gebruiken overwegend het IRB-model en dat geldt derhalve ook voor onze populatie. De ECL is feitelijk gebaseerd op deze IRB omdat de internal ratings ook tot stand komen door het inschatten van de PD (probability of default) vermenigvuldigd met de EAD (exposure at default) vermenigvuldigd met de LGD (loss given default).

25

Zogenaamde down-turn-scenario’s.

26

De interne modellen worden gehanteerd voor de bepaling van de omvang van risicogewogen activa (RWA) van bepaalde portefeuilles financiële activa. De kapitaalratio komt tot stand door het (prudentieel) vermogen te delen door de aanwezige RWA.

27

Het vereiste kapitaal dat aangehouden moet worden tegenover het kredietrisico wordt bij deze benadering niet ingeschat op basis van interne modellen maar op basis van statistische gegevens zoals voorgeschreven door de CRR en CRDIV welke bijvoorbeeld gebruik maakt van ratings van externe kredietbeoordelaars (Credit Rating Agencies) als deze beschikbaar zijn.

28

De impact in de tabel is gebaseerd op de bepalingen zoals deze gelden bij volledige implementatie (fully phased in) van Bazel III. Dat wil zeggen het negatieve effect is ineens in mindering gebracht op het bankkapitaal. Geen rekening is gehouden met het uitsmeren (faseren) van het effect.

29

Deze daling is gebaseerd op fully phased in. Zie vorige noot.

30

De maximale risicoweging onder de CRR is 1250%. Dit is het equivalent van het effect van eenzelfde aftrekpost in het kapitaal van de bank. We merken op dat over het algemeen de maximale risicoweging zoals bepaald in de CRR 100% is. Voor staatsobligaties van bijvoorbeeld Nederland is de risicoweging 0%. Het ‘teller-noemer’ effect is groter wanneer de (standaard)weging lager is of als een intern model met (nog) lagere wegingen wordt toegepast.

31

Aan de Capital Requirements Regulation is artikel 473a toegevoegd op basis van Regulation (EU) 2017/2395. Banken hebben de optie om de impact van IFRS 9 tot 31 december 2022 in te faseren.

32

We merken op dat lokaal verschillen kunnen bestaan met betrekking tot de implementatie van ISA 701. Zie hiervoor de resultaten van Accountancy Europe (september 2018).

33

Deze instellingen worden ook wel aangeduid met de term: too big to fail. De G-SIBs zijn geselecteerd door de Financial Stability Board en zijn onderworpen aan aanvullende bankkapitaaleisen.

34

Huttenhuis and Ter Hoeven 2017; IFRS 9.BC5.83.

35

We merken op dat er banken zijn die separate (niet in de jaarrekening opgenomen) informatie omtrent de transitie naar en impact van IFRS 9 hebben gepubliceerd. Dit betreffen bijvoorbeeld The Royal Bank of Scotland, HSBC en Deutsche Bank. Het IFRS 9 Transition Report van The Royal Bank of Scotland is zelfs voorzien van assurance door de externe accountant. De informatie is beschikbaar op de websites van de hiervoor genoemde banken.

36

Meer dan de helft van de banken zullen, blijkens de enquête, ook in het tweede halfjaar van 2018 aan het model blijven werken.

37

Zo blijkt uit de enquête dat de helft van de banken hun benadering met betrekking tot ECL-projecties in het kader van financial planning en stress-testing nog moesten bepalen.

38

De Capital Requirements Regulation en Capital Requirements Directive IV (tezamen ook wel Bazel III genoemd) biedt deze optie aan toezichthouders door middel van de anticyclische kapitaalbuffer die aan banken kan worden opgelegd.

Literatuur

  • Huttenhuis JG, Ter Hoeven RL (2017) Gevolgen van invoering IFRS 9: Europese banken onder de loep. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 91(11/12): 421-437. https://doi.org/10.5117/mab.91.24068
  • IASB (International Accounting Standards Board) (2014) IFRS 9: Financial Instruments (issued July 2014).

Bijlagen

Bank Land PIIGS* G-SIB
Erste Group Bank AG Oostenrijk Nee Nee
Raiffeisen-Landesbanken-Holding GmbH Oostenrijk Nee Nee
Belfius Banque SA België Nee Nee
KBC Group NV België Nee Nee
Danske Bank Denemarken Nee Nee
Jyske Bank Denemarken Nee Nee
Nykredit Realkredit Denemarken Nee Nee
OP-Pohjola Group Finland Nee Nee
BNP Paribas SA Frankrijk Nee Ja
Crédit Mutuel Group Frankrijk Nee Nee
Groupe BPCE Frankrijk Nee Nee
Groupe Credit Agricole Frankrijk Nee Ja
La Banque Postale Frankrijk Nee Nee
Société Générale SA Frankrijk Nee Ja
Bayerische Landesbank Duitsland Nee Nee
Commerzbank AG Duitsland Nee Nee
DekaBank Deutsche Girozentrale Duitsland Nee Nee
Deutsche Bank AG Duitsland Nee Ja
Landesbank Baden-Württemberg Duitsland Nee Nee
Landesbank Hessen-Thüringen Girozentrale Duitsland Nee Nee
NORD/LB Norddeutsche Landesbank Girozentrale Duitsland Nee Nee
VW Financial Services AG Duitsland Nee Nee
OTP Bank Nyrt. Hongarije Nee Nee
Allied Irish Banks, Plc Ierland Ja Nee
Bank of Ireland Ierland Ja Nee
Banca Monte dei Paschi di Siena SpA Italië Ja Nee
Banco BPM (voorheen Banco Popolare Società Cooperativa) Italië Ja Nee
Intesa Sanpaolo SpA Italië Ja Nee
UniCredit SpA Italië Ja Ja
Unione di Banche Italiane SCpA Italië Ja Nee
ABN AMRO Groep N.V. Nederland Nee Nee
Coöperatieve Rabobank U.A. Nederland Nee Nee
ING Groep N.V. Nederland Nee Ja
N.V. Bank Nederlandse Gemeenten Nederland Nee Nee
DNB ASA Noorwegen Nee Nee
Powszechna Kasa Oszczednosci Bank Polski Spolka Akcyjna Polen Nee Nee
Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, SA Spanje Ja Nee
Banco de Sabadell, SA Spanje Ja Nee
Banco Santander SA Spanje Ja Ja
BFA Tenedora de Acciones Spanje Ja Nee
Criteria Caixa S.A.U. Spanje Ja Nee
Nordea Bank - group Zweden Nee Ja
Skandinaviska Enskilda Banken - group Zweden Nee Nee
Svenska Handelsbanken - group Zweden Nee Nee
Swedbank - group Zweden Nee Nee
Barclays Plc Verenigd Koninkrijk Nee Ja
HSBC Holdings Plc Verenigd Koninkrijk Nee Ja
Lloyds Banking Group Plc Verenigd Koninkrijk Nee Nee
The Royal Bank of Scotland Group Plc Verenigd Koninkrijk Nee Ja