|
Corresponding author: Rick Anderson ( rick.anderson@planet.nl ) Academic editor: Chris Knoops
© 2019 Rick Anderson.
This is an open access article distributed under the terms of the Creative Commons Attribution License (CC BY-NC-ND 4.0), which permits to copy and distribute the article for non-commercial purposes, provided that the article is not altered or modified and the original author and source are credited.
Citation:
Anderson R (2019) De gemeenteambtenaar als ondernemer? Maandblad Voor Accountancy en Bedrijfseconomie 93(5/6): 183-191. https://doi.org/10.5117/mab.93.36101
|
Voor 2016 waren Nederlandse gemeenten niet belastingplichtig voor de Vpb, tenzij hun werkzaamheden vielen onder een limitatieve opsomming. Op uitnodiging van de Europese Commissie is hier sinds 2016 verandering in gekomen en zijn gemeenten in beginsel voor al hun activiteiten belastingplichtig voor de Vpb. Deze bijdrage zal eerst ingaan op de achtergrond en de totstandkoming van de wet Modernisering Vpb-plicht Overheidsondernemingen. Vervolgens zal bezien worden in hoeverre deze wet in fiscaal opzicht handhaafbaar is. Duidelijk zal worden, dat een adequate handhaving in de gemeentelijke praktijk vermoedelijk zeer lastig zal worden. De bijdrage sluit af met enkele conclusies en beschouwingen.
Vennootschapsbelasting, overheidsondernemingen, naleving en handhaving, gemeenten
Deze bijdrage brengt enkele knelpunten aan het licht, die zich kunnen voordoen bij de naleving en handhaving van de Vpb-plicht voor gemeenten. Hoewel de bijdrage zich beperkt tot gemeenten, valt niet uit te sluiten, dat de knelpunten zich ook binnen andere overheden voordoen die Vpb-plichtig zijn. Aangezien de herziening van de Vpb pas vanaf 2016 van kracht is, zal de praktijk moeten uitwijzen in hoeverre deze knelpunten zich in de praktijk daadwerkelijk voordoen.
Op 18 december 2014 wordt door de Tweede Kamer een gewijzigd voorstel van wet aangenomen. Het betreft een wijziging van de wet op de vennootschapsbelasting 1969 in verband met de modernisering van de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen (Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen).
Het voorstel strekt ertoe de vennootschapsbelasting zodanig aan te passen dat overheidsondernemingen die economische activiteiten ontplooien op een markt waarop ook niet-overheidsondernemingen (dat wil zeggen private ondernemingen) actief zijn, op dezelfde wijze aan de heffing van vennootschapsbelasting (Vpb) worden onderworpen als die private ondernemingen, aldus de Raad van State.
Eén van de wijzigingen betreft de wijziging van artikel 2, lid 1, onderdeel g, Vpb. Met deze wijziging worden publiekrechtelijke rechtspersonen, niet zijnde de Staat, die niet al op grond van eerder genoemde onderdelen belastingplichtig zijn, alsnog belastingplichtig voor zover zij een onderneming drijven.
De wet wordt op 4 juni 2015 gepubliceerd en vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2016. Dit betekent dat vanaf 1 januari 2016 ook gemeenten Vpb-plichtig zijn, voor zover zij een onderneming drijven.
Het gaat op gemeentelijk niveau om zeer diverse activiteiten. Als voorbeelden van mogelijke ondernemingsactiviteiten van gemeenten worden door de Raad van State genoemd: exploitatie vastgoed, ontwikkeling en exploitatie van openbare ruimten, afval en energie, vervoer, sociale ondersteuning, peuterspeelzalen, scholen, bibliotheken, theaters, musea, zorg, exploitatie sportgelegenheden en zwembaden en dienstverlening als nevenactiviteit.
In deze bijdrage wordt een verkenning gegeven van de handhaafbaarheid van de Wet modernisering Vpb-plicht voor overheidsondernemingen. In paragraaf 2 worden eerst de achtergrond en de wetsgeschiedenis van de herziene wet beschreven. Vervolgens worden in paragraaf 3 enkele knelpunten in beeld gebracht. Dit zijn achtereenvolgens knelpunten op het gebied van de wettelijke criteria (3.1), de toerekening van lasten en baten (3.2) en op het gebied van de naleving van het BBV (3.3). Het artikel sluit af met enkele slotbeschouwingen (4).
Om de achtgrond en de historie van de Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen in beeld te brengen, kan de aanloop naar de datum van 18 december 2014, de datum waarop het wetsvoorstel wordt aangenomen door de Tweede Kamer, nader bezien worden.
Het toenmalige systeem van de Vpb komt er op neer dat overheidsbedrijven slechts Vpb-plichtig zijn, voor zover de werkzaamheden van de onderneming vallen onder de wettelijke limitatieve opsomming van belaste bedrijfsactiviteiten. Het systeem bestaat sinds 1956, maar sinds die tijd nemen de activiteiten van de overheid toe, ook op het private vlak (
Logischerwijs dienen private bedrijven klachten in bij de Europese Commissie, hetgeen aanleiding is voor de Europese Commissie om een onderzoek in te stellen, aldus de Raad van State.
Het kabinet aanvaardt de uitnodiging van de Commissie en informeert op 21 mei 2013 de Tweede Kamer over het voornemen om de Vpb aan te passen.
Op 17 augustus 2014 wordt een voorstel van wet gepubliceerd, waarin wordt voorgesteld artikel 2, lid 1, onderdeel g van de wet Vpb als volgt te wijzigen: (Als binnenlandse belastingplichtigen zijn aan de belasting onderworpen de in Nederland gevestigde) publiekrechtelijke rechtspersonen, niet zijnde de Staat, die niet al op grond van de onderdelen a, b, c, d en e belastingplichtig zijn, voor zover zij een onderneming drijven. Met betrekking tot gemeenten wordt in de memorie van toelichting gewezen op de veelheid van activiteiten die gemeenten in verschillende vormen uitvoeren. Activiteiten die voor de gemeente zelf worden uitgevoerd (inbesteding) vallen niet onder de Vpb, maar dit wordt anders als ook voor andere gemeenten of instellingen activiteiten verricht gaan worden. Om geen discussie af te roepen over alle gemeentelijke activiteiten, wordt artikel 8 e toegevoegd, waarin wordt bepaald dat activiteiten verricht voor de gemeente zelf, ter uitoefening van een overheidstaak of verricht in het kader van een samenwerkingsverband worden vrijgesteld. Los van de vraag of altijd duidelijk is wanneer een activiteit als overheidstaak aangemerkt kan worden, kunnen echter ook overheidstaken in de Vpb getrokken worden, namelijk als er concurrentie mogelijk is: “Voor zover een directe of indirecte overheidsonderneming een overheidstaak verricht of publiekrechtelijke bevoegdheid uitoefent, kan sprake zijn van belastingplicht. Voor deze activiteiten is op die activiteiten van rechtswege de objectvrijstelling van toepassing, tenzij met de uitoefening van die overheidstaak of publiekrechtelijke bevoegdheid in concurrentie wordt getreden”, aldus de memorie van toelichting.
Tijdens de consultatieronde wordt gewezen op het feit dat gemeenten zeer veel verschillende activiteiten uitvoeren en dat een eenduidige splitsing van deze activiteiten, vrij lastig is. Het kabinet erkent dit gegeven en betrekt de stelling dat het uitputtend benoemen van deze verschillende activiteiten en verschijningsvormen van overheidsondernemingen geen begaanbare weg is. “Daarom wordt de modernisering zodanig vormgegeven dat bij de fiscale behandeling van overheden zo min mogelijk onderscheid wordt gemaakt naar de vorm waarin de activiteit plaatsvindt. Een overheidsonderneming wordt, anders dan nu, in beginsel belastingplichtig voor de Wet op de vennootschapsbelasting 1969”, aldus het kabinet.
17 oktober 2014 wordt het wetsvoorstel behandeld in de vaste commissie voor Financiën. Een aantal fracties staat positief tegenover het wetsvoorstel. De fractie van de SP is op het punt van lokale overheden kritisch: “Deze leden vragen zich af wat de toegevoegde waarde is van het heffen op lokale overheden. Waarom wordt het aspect van het algemene belang niet meer bij het wetsvoorstel betrokken?”, zo wordt genotuleerd tijdens de vergadering.
In de nota naar aanleiding van het verslag, d.d. 25 november 2014, geeft de regering een reactie op de bovenstaande vragen. Aangesloten wordt op het ondernemersbegrip uit de IB. Bij activiteiten verricht door de gemeente zelf dient op basis van de feiten en omstandigheden beoordeeld te worden of er sprake is van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid, waarmee wordt deelgenomen aan het economische verkeer, met het oogmerk daarmee winst te behalen, welke winst ook redelijkerwijs verwacht kan worden. Het Europese ondernemersbegrip kent geen winstcriterium en aansluiten op dit Europese begrip zou betekenen, dat nog meer activiteiten onder het ondernemersbegrip zouden vallen. Bij de keuze tussen uitbesteding en inbesteding zullen andere aspecten eveneens een rol spelen en de regering heeft niet de indruk dat de fiscale aspecten van doorslaggevend belang zijn voor gemeenten.
De handhaving is volgens de regering goed geborgd: “De uitvoering en handhaving van de maatregelen in dit wetsvoorstel krijgt vorm door de geconcentreerde en gespecialiseerde inzet van twee teams. Deze inzet wordt ingevuld door zowel externe werving als door inzet van bestaand personeel. Binnen de Belastingdienst zal de complete behandeling van de belastingplicht van overheidsondernemingen voor de vennootschapsbelasting, waaronder het (voor)overleg, toetsing van de aangifte en het vaststellen van de aanslagen door deze specialisten worden uitgevoerd. Met deze aanpak wordt een uniforme uitleg en uitvoering van de nieuwe wetgeving gewaarborgd”.
De nota van wijziging, die eveneens op 25 november 2014 wordt aangeboden, bevat geen aanpassingen van het artikel 2, lid 1g.
Zoals uit de wetsgeschiedenis is op te maken, zal de selectie van gemeentelijke processen en activiteiten die in aanmerking komen voor Vpb-aangifte geen eenvoudige zaak zijn. In principe vallen sinds de wetswijziging alle gemeentelijke activiteiten onder de Vpb voor zover een onderneming gedreven wordt, waarbij aangesloten wordt bij het ondernemingsbegrip in de inkomstenbelasting. Ongeacht de vraag of in concurrentie wordt getreden, zijn gemeenten Vpb-plichtig, indien zij een onderneming drijven (
In de jurisprudentie worden deze twee criteria echter verbonden aan elkaar en wordt het concurrentiecriterium doorslaggevend geacht: “het concurrentiecriterium houdt een wezenlijke beperking in van de verruiming van het ondernemingsbegrip: geen belastingplicht zonder reële dreiging van concurrentievervalsing door het achterwege blijven van belastingplicht”.
Omdat gemeenten, gelet op het bovenstaande, beperkt belastingplichtig zijn voor de Vpb, moeten de resultaten, de activa en de passiva worden toegerekend aan de onbelaste sfeer, de belaste sfeer en de vrijgestelde ondernemerssfeer (Stevens 2016, p. 19). Dit heeft als consequentie dat van al deze processen een aparte administratie en een balans moet worden opgesteld. Het opstellen van een balans is in de gemeentelijke praktijk soms lastig. Voor het waarderen op eindbalansdatum wordt na die datum opgedane kennis over de feiten en omstandigheden meegenomen, zo wijst jurisprudentie uit.
Los van de perikelen die de waardering van activa en passiva kan opleveren, doen zich problemen voor aan de kostentoerekeningskant. Iedere gemeente hanteert namelijk zijn eigen systeem van kostentoerekening en wijzigt dit systeem met enige regelmaat. Sommige gemeenten hanteren systemen van tijdschrijven om kosten toe te rekenen, anderen hanteren grovere systemen, zoals een vaste toerekening op basis van de begrote formatie. Binnen deze systemen worden zowel voor- als nacalculatorische varianten gebruikt, hetgeen de diversiteit van kostentoerekening in de hand werkt. De manier van kostentoerekening is in de gemeentelijke praktijk al met al vrij onvergelijkbaar en subjectief en daarmee wordt ook de winstbepaling in hoge mate arbitrair (
Als uiteindelijk een bepaalde taak onder de Vpb-plicht dreigt te vallen, dan kan de gemeente bepalen dat deze taak in het algemeen belang wordt verricht.
Naast de bovenstaande onduidelijkheden en uitwijkmogelijkheden met betrekking tot de Vpb-plicht ten aanzien van bepaalde taken, rijst de vraag in hoeverre gemeenten het begrip winst altijd conform de bepalingen presenteren.
Een belangrijk wettelijk ankerpunt voor de gemeentelijke financiële administratie betreft het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV). Het BBV is te zien als de tegenhanger van de regelgeving die leidend is voor de verslaglegging voor de private sector, te weten de bepalingen die zijn voorgeschreven voor de opstelling en vormgeving van de jaarrekening, zoals in eerste instantie neergelegd in het Burgerlijk Wetboek 2, Titel 9 en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (
Nu wil het echter nog wel eens voorkomen, dat budgetten niet tot besteding komen. Volgens de bovengenoemde bepalingen zou het positieve saldo dan moeten worden opgevoerd als resultaat van het desbetreffende jaar. Dit is echter niet altijd de praktijk binnen een gemeente. Bij een onderbesteding hebben portefeuillehouders namelijk wat uit te leggen richting de raad, die zich bij onderbesteding af zal vragen in hoeverre het college de voorgenomen activiteiten adequaat heeft uitgevoerd. Bovendien bestaat bij onderbesteding het gevaar, dat budgetten voor het komend jaar gekort worden. Dit leidt er in de gemeentelijke praktijk soms toe, dat portefeuillehouders en managers druk uitoefenen op gemeentelijke controllers om de budgetten ‘veilig te stellen’. Controllers boeken dan verplichtingen in, die er feitelijk nog niet zijn, verzoeken opdrachtnemers facturen in te sturen voor niet geleverde diensten of boeken fictieve boekstukken in (
Bovenstaande constateringen leiden tot de conclusie dat de handhaving van de nieuwe wet in de gemeentelijke praktijk een zeer moeizame aangelegenheid zal worden. Het zou raadzaam zijn geweest als het wetsvoorstel eerst aan een handhavingstoets aan de hand van de Tafel van Elf
Betoogd zou kunnen worden dat iedere bepaling zonder meer moet worden opgevolgd, maar hier kan genuanceerder naar gekeken worden (
Het is op dit punt goed om zich te realiseren wat de oorspronkelijke doelstelling van de wet was: het creëren van een gelijk speelveld tussen overheidsorganisaties en private organisaties op een markt. De onderliggende norm verwijst dus naar het optimaliseren van marktmechanisme. De onderliggende vraag rijst dan wat de normatieve grondslag van dat marktmechanisme is. Vaak wordt het marktmechanisme positief beoordeeld aan de hand van de resultaten die dit mechanisme oplevert: “the market is good because its results are” (
Daarnaast is het de vraag, of het bedrijfsleven nu daadwerkelijk veel last heeft van de marktactiviteiten van overheden. Gesteld kan worden dat de Europese Commissie een aantal klachten heeft gehad, maar dat het ministerie van Financiën geen enkele klacht heeft binnengekregen. Een daadwerkelijke verstoring van concurrentieverhoudingen treedt pas op, als een gemeente de belastingvoordelen gebruikt om zijn marktpositie te versterken door prijsverlaging. Ook van dit laatste zijn geen voorbeelden bekend (
Zoals eerder is aangegeven, leidt de wet niet alleen tot de nodige discussies en administratieve lasten, maar ook tot perverse effecten, zoals het manipuleren van winst (
Daar komt vervolgens nog een ander element bij. Het aanslaan van gemeenten voor de Vpb, leidt tot een extra last bij die gemeenten. Als dit op macroniveau een significant effect krijgt, zullen de gemeenten hiervoor gecompenseerd moeten worden via het gemeentefonds. Er ontstaat dan een gesloten systeem, waarbij gemeenten Vpb afdragen aan het ministerie van Financiën, dat ministerie het gemeentefonds voedt en waarbij het gemeentefonds weer uitkeert richting de gemeenten. Het effect is dan per saldo nihil, maar in tweede instantie kan dit effect buitengewoon pijnlijk zijn. Als sommige gemeenten netjes hun Vpb-aangifte invullen, terwijl andere gemeenten hun winst kunstmatig laag houden, treedt een verstoring op. De prudente gemeenten dragen dan immers Vpb af, terwijl de minder prudente gemeenten profiteren van de hogere algemene uitkering uit het gemeentefonds. Vpb-plichtigheid is namelijk geen verdeelsleutel in de verdeling van het gemeentefonds. Er treedt dan een verschuiving op, waarbij de minder prudente gemeenten uiteindelijk profiteren. De kans is dan groot, dat een prisoners dilemma in gang wordt gezet (
Nu duidelijk is dat de wet niet zonder meer zal leiden tot een efficiëntere productie en een meer rechtvaardige verdeling, vervalt een fundamentele pijler onder deze wet: het streven naar een gelijk speelveld, eerlijke concurrentie en een optimaal werkende markt.
In deze bijdrage worden de achtergronden, de mogelijke knelpunten op het gebied van fiscale handhaving en de ethische grondslagen beschreven van de Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen. Daarbij beperkt de bijdrage zich tot gemeenten.
De Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen is niet bepaald op initiatief van de Nederlandse regering gelanceerd. De regering is door de Europese Commissie uitgenodigd om dienstige maatregelen te nemen, een uitnodiging die een EU-lidstaat nu eenmaal niet zonder meer kan afslaan. Gemeenten worden in de nieuwe wet voor al hun activiteiten Vpb-plichtig, tenzij bijvoorbeeld sprake is van het uitoefenen van een overheidstaak. Dit geldt echter weer niet als met private partijen in concurrentie kan worden getreden.
Al tijdens de consultatieronde wordt gewezen op het feit dat gemeenten zeer veel verschillende activiteiten uitvoeren en dat het administratief splitsen van deze activiteiten, om vervolgens lasten en baten naar deze activiteiten toe te rekenen, een zeer lastige zaak zal worden. Ook de Raad van State erkent deze problemen. De regering stelt hierop dat de administratieve lasten bij gemeenten afhankelijk zijn van de keuzen die gemeenten zelf maken en acht zich niet bevoegd om hier een standpunt over in te nemen.
Het drijven van een onderneming en het in concurrentie treden kunnen beide leiden tot Vpb-plichtigheid. Het betreft hier twee criteria die redelijk open geformuleerd zijn en waarbij nadere invulling door jurisprudentie nog gestalte moet krijgen. Op dit moment is van enige gestalte nog geen sprake en worden de criteria door de gemeenten zelf zeer verschillend ingevuld. Los van de invulling van de criteria, feitelijk moeten in de gemeentelijke praktijk alle processen voorzien worden van een openingsbalans en van een separate toerekening van lasten en baten. Tevens is het natuurlijk de bedoeling dat de winst conform goed koopmanschap wordt bepaald. Deze veronderstelling is in de praktijk niet altijd houdbaar: gemeenten hebben soms de neiging om budgetten veilig te stellen door kunstmatig lasten toe te rekenen aan bepaalde activiteiten en aan bepaalde jaren en daarmee dus het resultaat te reduceren.
De onderliggende norm voor de nieuwe wet is de optimalisatie van concurrentie en dus het bevorderen van het marktmechanisme. Los van de vraag of het bevorderen van een optimale markt verheven kan worden tot enige doelstelling, kan gesteld worden dat deze wet niet zal leiden tot dit beoogde resultaat. Mochten alle gemeenten netjes aan hun Vpb-plicht voldoen, dan zal een navenante druk op het gemeentefonds worden uitgeoefend om gemeenten hiervoor te compenseren, zodat het effect per saldo nihil is. Mochten sommige gemeenten prudent hun aangifte invullen, terwijl andere gemeenten dit niet doen, dan ontstaat zelfs een verstoring van de verdeling van het gemeentefonds, een verdeling die een lange geschiedenis kent en door de decennia heen steeds verder is uitgekristalliseerd.
En hoe erg was het nu gesteld met dat marktmechanisme? Door eerdere auteurs is geconstateerd, dat de Europese Commissie slechts een aantal klachten heeft gehad. Bij het ministerie van Financiën is geen enkele klacht binnengekomen. Ook zijn geen voorbeelden bekend van gemeenten die belastingvoordelen gebruiken om hun marktpositie te versterken. De gedachte rijst dat met de aanpassing van de Vpb a priori een verkeerde kaart voor een verkeerde marsroute is gegeven. Wellicht valt te overwegen de Vpb-plicht voor gemeenten te beperken tot die activiteit waar het grootste risico van oneerlijke concurrentie vermoedelijk ligt: de grondexploitaties. Deze activiteit is doorgaans al administratief (en organisatorisch) afgezonderd binnen gemeenten en in dat opzicht dus eenvoudiger te handhaven. Daarnaast zijn de bedragen en de belangen die gemoeid zijn met grondexploitaties relatief groot. Een focus op grondexploitatie zou de doeltreffendheid en doelmatigheid van de nieuwe wet vermoedelijk verhogen.
Dr. R.J. Anderson is onderzoeker decentrale overheden, EIFFEL.
Kamerstukken I 2014/2015, 34 003, nr. 1.
Staatblad 2015, no. 207.
Kamerstukken II, 2014/2015, 34 003, nr. 4, p. 18.
Kamerstukken II, 2014/2015, 34 003, nr. 4.
Europese Commissie, Brief van 2 mei 2013, C(2013) 2372 final, nr. 85 en 86.
Kamerstukken II, 2014/2015, 34 003, bijlage A.
Kamerstukken II, 2014/2015, 34 003, nr. 3, p. 18.
Kamerstukken II, 2014/2015, 34 003, nr. 3, p. 32.
Kamerstukken II, 2014/2015, 34 003, bijlage A, p. 10.
Kamerstukken II, 2014/2015, 34 003, nr. 4, p. 18.
Kamerstukken II, 2014/2015, 34 003, nr. 4, p. 18.
Kamerstukken II, 2014/2015, 34 003, nr. 5, p. 2.
Kamerstukken II, 2014/2015, 34 003, nr. 5, p. 5.
Kamerstukken II, 2014/2015, 34 003, nr. 6, p. 13.
Kamerstukken II, 2014/2015, 34 003, nr. 6, p. 33.
Kamerstukken II, 2014/2015, 34 003, nr. 7.
Kamerstukken II, 2014/2015, 34 003, nr. 8.
Kamerstukken II, 2014/2015, 34 003, nr. 14, p. 32.
Kamerstukken I, 2014/2015, 34 003, B.
Kamerstukken I, 2014/2015, 34 003, D, p. 3.
HR 22 juni 2012, BNB 2012/226.
HvJ 17 oktober 1989, 231/87 en 129.88, FED 1990/312.
HR 11 april 2008, no. 44 089, BNB 2008/168.
HR 17 oktober 2014, no. 13/05868, BNB 2014/255.
Art. 25 h, lid 5, Mededingingswet.
De Tafel van Elf is in de negentiger jaren van de twintigste eeuw ontwikkeld door de Inspectie Rechtshandhaving en dient om een ex ante inzicht te verschaffen in de handhaafbaarheid van wetsvoorstellen.
Kamerstukken II, 2017/2018, 29 362, nr. 273.
Wettelijke bepalingen en kamerstukken
Besluit Begroting en Verantwoording, 2018.
Europese Commissie, Brief van 2 mei 2013, C(2013) 2372 final.
http://ec.europa.eu/competition/state_aid/cases/224998/224998_1434332_131_2.pdf
Kamerstukken I 2014/2015, 34 003, nr. 1.
Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en enige andere wetten in verband met de modernisering van de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen (Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen).
https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/wetsvoorstellen/detail?id=2014Z15830&dossier=34003
Kamerstukken II, 2014/2015, 34 003, nr. 2
Voorstel van Wet
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34003-2.html
Kamerstukken II, 2014/2015, 34 003, nr. 3
Memorie van Toelichting
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34003-3.html
Kamerstukken II, 2014/2015, 34 003, nr. 4.
Advies Afdeling Advisering Raad van State en nader rapport.
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34003-4.html
Kamerstukken II, 2014/2015, 34 003, nr. 5.
Verslag van de vaste commissie voor Financiën.
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34003-5.html
Kamerstukken II, 2014/2015, 34 003, nr. 6.
Nota naar aanleiding van het verslag, 25 november 2014.
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34003-6.html
Kamerstukken II, 2014/2015, 34 003, nr. 7.
Nota van wijziging, 25 november 2014.
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34003-7.html
Kamerstukken II, 2014/2015, 34 003, nr. 8.
Motie van Vliet, horizontaal toezicht, 15 december 2014.
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34003-8.html
Kamerstukken II, 2014/2015, 34 003, nr. 14.
Verslag Wetgevingsoverleg, 15 december 2014.
https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/verslagen/detail?id=2014Z15830&did=2015D01817
Kamerstukken II, 2014/2015, 34 003, bijlage A.
Consultatieversie memorie van toelichting.
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34003-A.html
Kamerstukken II, 2017/2018, 29 362, nr. 273.
Brief van de Minister van BZK. Modernisering van de overheid.
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29362-273.html
Kamerstukken I, 2014/2015, 34 003, bijlage B.
Wetsvoorstel.
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34003-B.html
Kamerstukken I, 2014/2015, 34 003, bijlage D.
Memorie van antwoord, maart 2015.
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34003-D.html
Staatsblad 2015, no. 207.
Wet van 4 juni 2015 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en enige andere wetten in verband met de modernisering van de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen (Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen).
Jurisprudentie
Hof van Justitie 17 oktober 1989, 231/87 en 129.88, FED 1990/312.
Hoge Raad 11 april 2008, no. 44 089, BNB 2008/168.
Hoge Raad 17 oktober 2014, no. 13/05868, BNB 2014/255.
Hoge Raad 22 juni 2012, BNB 2012/226, Conclusie A-G.