Print
De ‘Triple Depreciation Line’: een effectief wapen tegen greenwashing of een nieuwe accounting fata morgana?
expand article infoEgbert Willekes, Jan Jonker§, Koos Wagensveld|
‡ Haagse Hogeschool, Den Haag, Netherlands
§ Radboud Universiteit, Nijmegen, Netherlands
| Hogeschool Arnhem en Nijmegen, Arnhem, Netherlands
Open Access

Samenvatting

Steeds meer bedrijven publiceren naast hun financieel jaarverslag een integrated report, waarin naast financiële waarde ook over maatschappelijke waarden wordt gerapporteerd. Uit een rapport van KPMG (2017) blijkt dat 93% van de grootste bedrijven van de wereld een integrated report publiceert. Met de opkomst van integrated reporting is hier echter ook de nodige kritiek op ontstaan. Zo zouden bedrijven het integrated report vooral gebruiken om zich duurzamer voor te doen dan ze daadwerkelijk zijn (‘greenwashing’). In dit artikel wordt een analyse van de Triple Depreciation Line (TDL) beschreven. De TDL is een raamwerk, waarmee in potentie (voor een deel) tegemoet wordt gekomen aan de huidige kritiek op integrated reporting zoals bijvoorbeeld ‘greenwashing’. In dit artikel concluderen wij dat de TDL in zijn huidige opzet in de praktijk moeilijk toepasbaar is en doen wij aanbevelingen voor een meer praktische toepassing van dit raamwerk. Dit leidt tot een aangepast TDL-raamwerk, waarbij wij beargumenteren dat de toepassing van dit aangepaste raamwerk de potentie heeft om de transitie naar een duurzame economie aanzienlijk te versnellen.

Trefwoorden

Integrated reporting, Triple Depreciation Line, natuurlijk en menselijk kapitaal

Relevantie voor de praktijk

Naast het feit dat wij aanbevelingen doen om de TDL toepasbaar te maken voor de praktijk, geven wij aan wat de gevolgen zijn voor de controllers- en accountancypraktijk indien een dergelijk raamwerk wordt geïmplementeerd. Het geeft controllers en accountants tevens inzicht in de praktische problemen bij het waarderen van natuurlijk en menselijk kapitaal.

1. Inleiding

In de jaren negentig van de vorige eeuw werd de term triple bottom line (TBL) geïntroduceerd door Elkington (1994), waarmee werd gerefereerd aan de sociale, ecologische en economische impact van bedrijven. Hoewel de TBL meer een conceptuele manier van denken is dan een concrete innovatieve accounting tool, heeft het accountants, controllers en business consultants wel geïnspireerd om concrete rapportagemethoden te ontwikkelen die zich niet alleen op financiële waarde richten, maar op meerdere vormen van kapitaal. Deze manier van rapporteren wordt ook wel integrated reporting genoemd.

Voor integrated reporting worden in de praktijk verschillende definities gebruikt. In het kader van dit artikel definiëren wij integrated reporting als volgt (Higgins et al. 2014):

“Integrated reporting is de ontwikkeling van een veelheid aan innovaties op het gebied van verslaggeving, waarbij wordt gepoogd om niet-financiële informatie (bijvoorbeeld op maatschappelijk gebied) te ‘integreren’ met de financiële jaarverslaggeving.”

Daarmee blijft integrated reporting in het kader van dit artikel niet beperkt tot een specifiek integrated reporting raamwerk.

Eén van de meest toonaangevende standaarden voor integrated reporting zijn de Global Reporting Initiative (GRI 2020) richtlijnen (Hervieux et al. 2017). In deze richtlijnen worden prestatie-indicatoren gedefinieerd op onder andere omgevings-, sociale en economische factoren, waarover gerapporteerd kan worden in het jaarverslag (Buhr et al. 2014). Gleeson-White (2014) heeft de drie GRI-factoren vertaald naar zes vormen van kapitaal:

– Financial Capital, de beschikbare financiële middelen;

– Manufactured Capital, de beschikbare fysieke middelen, zoals gebouwen en machines;

– Intellectual Capital, de aanwezige kennis in de organisatie, alsmede intellectueel eigendom zoals patenten;

– Human Capital, de vaardigheden, ervaring en motivatie van de medewerkers;

– Social and Relationship Capital, de relaties binnen en tussen gemeenschappen, stakeholders en andere netwerken en de kracht om daarmee individueel en collectief welzijn te vergroten;

– Natural Capital, alle beschikbare duurzame en niet-duurzame natuurlijke bronnen.

Deze zes kapitalen vormen de basis voor het ‘integrated reporting framework’ <IR> van de International Integrated Reporting Council (IIRC 2013). Daarnaast zijn nog diverse andere initiatieven op het gebied van integrated reporting ontwikkeld zoals Dow Jones Sustainable Indices (S&P 2020), Sustainable Development Goals (UN 2020) (waar we nog op terugkomen in paragraaf 5), True Pricing (True Price 2020), Reporting 3.0 (R3.0 2020), Sustainability Accounting Standards Board (SASB 2020), Corporate Reporting Dialogue (CRD 2020), etc. Door deze wildgroei lijkt de ontwikkeling van een gemeenschappelijke standaard voorlopig nog ver weg, hoewel er initiatieven zijn om tot een gemeenschappelijke standaard te komen (bijvoorbeeld middels de onlangs voorgestelde samenwerking tussen SASB, IIRC, GRI, CDP en CDSB (SASB 2020)). Ook het feit dat iedere onderneming anders is bemoeilijkt de standaardisatie, doordat het simpelweg niet mogelijk is om voor iedere situatie regels te maken (Vergoossen 2017).

Integrated reporting is de afgelopen tien jaar enorm gegroeid, zowel als concept, in de praktijk en als object van onderzoek (Rinaldi et al. 2018). Er is vooruitgang geboekt bij het begrijpen van de implementatie van integrated reporting binnen organisaties (Stubbs and Higgins 2014; Gibassier et al. 2018; McNally and Maroun 2018). Stubbs and Higgins (2014) concluderen bijvoorbeeld dat zij met name incrementele veranderingen zien in rapportageprocessen en veel minder radicale, innovatieve vernieuwingen bij de implementatie van integrated reporting. Daarnaast zijn de gevolgen van integrated reporting voor een beperkt aantal stakeholders in kaart gebracht (Adams et al. 2016; Bernardi and Stark 2018; Baboukardos and Rimmel 2016). Ook heeft verdere ontwikkeling en promotie van <IR> van de IIRC plaatsgevonden (Rowbottom and Locke 2016; Humphrey et al. 2017). Met het toegenomen inzicht is ook van diverse kanten kritiek ontstaan op integrated reporting (Boiral 2013; Brown and Dillard 2014; Flower 2015; Tweedie and Martinov-Bennie 2015; Haji and Hossain 2016; Humphrey et al. 2017; Chaidali and Jones 2017). De term ‘greenwashing’ wordt daarbij regelmatig genoemd. Boiral (2013) definieert greenwashing als het creëren van een schijnwereld, waarbij een bedrijf op een kunstmatige manier de vermeende zorg voor mens en omgeving aan zijn stakeholders rapporteert. Binnen deze kritische beschouwingen blijft het veelal beperkt tot kritiek en worden niet vaak concrete voorstellen voor verbetering gedaan. Een uitzondering hierop is de Triple Depreciation Line (TDL) van Rambaud and Richard (2015). Het TDL-raamwerk is door Rambaud and Richard (2015) in de eerste plaats geschreven als reactie op de TBL van Elkington (1994). Rambaud and Richard (2015) betogen dat de TBL slechts een conceptueel begrip is en geen praktische handvatten biedt, waardoor het niet zal leiden tot instandhouding van natuurlijk en menselijk kapitaal (NMK). Het TDL-raamwerk is een concept waarin verschillende vormen van kapitaal in één balans opgenomen en financieel gewaardeerd worden, waarbij alle kosten en opbrengsten behorende bij de verschillende vormen van kapitaal in één geïntegreerde winst-en-verliesrekening worden verantwoord, leidend tot één geïntegreerd winst- of verliescijfer. Rambaud and Richard (2015) betogen dat dit concept naast inzicht in het financieel kapitaal tevens inzicht geeft in het NMK, waarbij handvatten worden geboden om het NMK in stand te houden.

Hoewel de potentie van dit raamwerk in de literatuur wordt bevestigd (Antheaume 2018), krijgt het weinig aandacht in het wetenschappelijke en praktische debat. Dit wetenschappelijke en praktische debat is noodzakelijk om het raamwerk verder te ontwikkelen tot een praktisch raamwerk dat handvatten biedt voor actieve instandhouding van het NMK. Deze noodzaak tot aanvullend debat wordt ook bevestigd door Rambaud and Richard (2015). Het doel van deze studie is daarom om een kritische reflectie op de belangrijkste uitgangspunten van het TDL-raamwerk te geven en aanbevelingen te doen, waarmee dit raamwerk een mogelijk praktische invulling krijgt. Dit leidt tot een aangepast TDL-raamwerk, waarbij wij beargumenteren dat de toepassing van het aangepaste raamwerk de potentie heeft om de transitie naar een duurzame economie aanzienlijk te versnellen.

Deze studie vult de huidige literatuur omtrent integrated reporting op verschillende manieren aan. Allereerst beantwoordt het de oproep van Rambaud and Richard (2015) om middels een kritische reflectie te komen tot adressering van de belangrijkste knelpunten van het raamwerk. Ten tweede verbindt het de discussie omtrent ontologische uitgangspunten ten aanzien van mainstream accounting (Knoops 2010; Justesen and Mouritsen 2011; Vosselman 2014) met integrated reporting. Ten derde worden aanbevelingen aangereikt aan beleidsmakers op welke manier wet- en regelgeving kan bijdragen om de transitie naar een duurzame economie te versnellen. Ten slotte brengt het de gevolgen voor de accountancy- en controllersprofessie in kaart, wanneer zij daadwerkelijk willen bijdragen aan verduurzaming van de economie, gebruik makend van het TDL- raamwerk.

In paragraaf 2 wordt het TDL-raamwerk uitgelegd, waarna we in paragraaf 3 het TDL-raamwerk kritisch beschouwen. In paragraaf 4 motiveren wij een alternatief TDL-raamwerk, gevolgd door conclusies, discussie en aanbevelingen voor vervolgonderzoek.

2. De Triple Depreciation Line als alternatief

Hieronder volgt een samenvatting van de TDL, waarin overigens de voor dit artikel niet relevante onderdelen van de TDL zijn weggelaten. Voor een volledige beschrijving van het TDL-raamwerk verwijzen we naar Rambaud and Richard (2015). Deze samenvatting bestaat uit twee delen. Het eerste deel gaat over de fundamentele uitgangspunten van het raamwerk. Het tweede deel gaat over de technische accountingtoepassing.

2.1. Fundamentele uitgangspunten van het raamwerk

Er wordt onderscheid gemaakt tussen maatschappelijk en bedrijfsonderhoud. ‘Maatschappelijk onderhoud’ richt zich op de vraag hoe kapitaal vanuit maatschappelijk oogpunt in stand kan worden gehouden. ‘Bedrijfsonderhoud’ gaat meer over wat in dat kader van het bedrijf wordt verwacht. Meer specifiek wordt hier bedoeld hoe een accountingsystematiek ontworpen kan worden, waarmee het gebruik en de instandhouding van de verschillende vormen van kapitaal kunnen worden vastgelegd.

De belangrijkste uitgangspunten van het TDL-raamwerk (Rambaud and Richard 2015, p. 100) zijn weergegeven in tabel 1.

Tabel 1.

Uitgangspunten van het TDL-model.

Maatschappelijk onderhoud MU1*) Tenminste drie bronnen zijn te typeren als maatschappelijk kapitaal: financieel, natuurlijk en menselijk kapitaal.
MU2 Het onderhoud van deze bronnen van kapitaal vereist een zo nauwkeurig mogelijk ontologisch onderzoek.
Bedrijfsonderhoud AU1**) Doordat de onderneming gebruikmaakt van natuurlijk en menselijk kapitaal heeft de onderneming de plicht dit kapitaal te onderhouden.
AU2 Het herhaaldelijk gebruik van deze twee kapitaalsoorten heeft hun systematische waardevermindering van het NMK tot gevolg.
AU3 Het natuurlijk en menselijk kapitaal dat een onderneming gebruikt, is noodzakelijk om haar (winst)doelstellingen te bereiken.
AU4 De rapportage met betrekking tot deze twee soorten kapitaal moet worden geïntegreerd in de standaard financiële balans en winst-en-verliesrekening.

2.1.1 Maatschappelijk onderhoud

Maatschappelijk onderhoud is vooral gericht op de instandhouding van de waarde van de verschillende kapitaalsoorten. Het voorbeeld dat wordt gegeven is een bos dat door een houtzagerij wordt gebruikt (natuurlijk kapitaal). Het voorbeeld van de houtzagerij is gekozen, omdat dit een eenvoudig en concreet voorbeeld is om de principes van de TDL uit te leggen. De principes van de TDL zijn gelijk voor zowel natuurlijk als menselijk kapitaal en daarom is er, omwille van de eenvoud, voor gekozen om de uitleg te beperken tot een voorbeeld van natuurlijk kapitaal.

Het bos vertegenwoordigt een bepaalde (maatschappelijke) waarde en vormt daarmee een kapitaalsoort (MU1). De houtzagerij gebruikt deze bomen (resources) in haar productieproces.

Om het kapitaal in stand te houden zal onderhoud aan het kapitaal (het bos) dienen plaats te vinden. Hiervoor dient allereerst een waarde toegekend te worden aan de kapitaalsoort, hetgeen zo nauwkeurig mogelijk dient plaats te vinden (MU2). De procedure voor het toekennen van een waarde geschiedt als volg:

Een groep representanten, bestaande uit verschillende maatschappelijke en wetenschappelijke vakmensen op het gebied van het betreffende (niet-financiële) kapitaal (verder 'representanten' genoemd) gaan samen met de directie van de onderneming na wat de belangrijkste indicatoren zijn om de waarde van de kapitaalsoort te bepalen. In het voorbeeld van het bos kan dan gedacht worden aan het aantal bomen. Vervolgens vindt aan de hand van deze indicatoren een monetarisering plaats waarmee de waarde van het kapitaal wordt bepaald. Hierbij wordt door Rambaud and Richard (2015) aangegeven dat het hier om een mix gaat van objectieve en subjectieve elementen, hetgeen overigens gebruikelijk is in de reguliere accounting (bijvoorbeeld fair value accounting). Daarbij is vooral de totstandkoming van de waardebepaling van het kapitaal cruciaal. Dus, zijn de juiste personen betrokken geweest bij de bepaling van het kapitaal en op welke manier zijn ze tot de waardebepaling gekomen?

Aan het einde van een periode wordt door de representanten opnieuw bepaald of de waarde van het betreffende kapitaal daadwerkelijk in stand is gehouden, op basis van de gedane investeringen (onderhoud). Dit wordt gedaan aan de hand van de vastgestelde indicatoren. Om de kapitaalwaarde van het bos in stand te houden dient ten minste dezelfde hoeveelheid bomen aangeplant te zijn, als er gekapt is. Indien hier niet aan voldaan is (er zijn niet voldoende bomen geplant), zijn hier consequenties aan verbonden. Het bos mag dan bijvoorbeeld niet meer worden gebruikt. Hoe dit juridisch opgelost dient te worden valt buiten de scope van de TDL.

Overigens hoeven de niet-financiële kapitaalsoorten niet beperkt te blijven tot het NMK, maar kunnen hierin ook de andere kapitaalsoorten, zoals besproken in paragraaf 1, worden opgenomen.

2.1.2 Bedrijfsonderhoud

Dit gedeelte gaat vooral in op het onderhoudsgedeelte. Dus, op welke manier dient dit onderhoud door het bedrijf plaats te vinden en volgens welke accountingsystematiek wordt dit vastgelegd?

Allereerst wordt gesteld dat het gebruik van het NMK door een bedrijf impliceert dat het bedrijf verplicht is om dit kapitaal ook te onderhouden (AU1). Als men bomen uit een bos kapt voor het productieproces, heeft men de plicht om deze bomen ook weer aan te planten. De kosten die gemaakt zijn om deze bomen weer aan te planten, worden gezien als investeringen in het natuurlijk kapitaal. Deze kosten worden niet in de winst-en-verliesrekening verantwoord, maar worden geactiveerd op de balans tegen historische kostprijs. Welke kosten in aanmerking komen voor activering voor welke kapitaalsoort, lijkt door Rambaud and Richard (2015) wel vrij ruim geïnterpreteerd te worden. Dit blijkt uit het feit dat door Rambaud and Richard (2015) alle salariskosten geactiveerd worden op de balans. De redenering is dat salaris nodig is om medewerkers in hun dagelijks levensonderhoud te kunnen voorzien. Op grond van deze redenering zou men verwachten dat uitsluitend het gedeelte van het salaris waarmee in een bepaalde minimum levenstandaard kan worden voorzien, voor activering in aanmerking komt. Echter, in de definitie die door Rambaud and Richard (2015) wordt gegeven, worden bijvoorbeeld ook excessieve bonussen hiertoe gerekend. Op de voor- en nadelen van deze systematiek komen wij terug in paragraaf 3.1.3. Doordat deze kosten worden geactiveerd, en daarmee eigenlijk het tegenovergestelde van afschrijving (depreciation) zijn, wordt de activering van deze kosten ‘de-depreciation’ genoemd.

Het herhaaldelijk gebruik van het NMK heeft systematische waardevermindering van deze kapitalen tot gevolg (AU2). Door het geregeld kappen van bomen in een bos, wordt de waarde van deze kapitaalsoort steeds minder (het aantal bomen is immers de indicator voor de waarde). Dit leidt tot periodieke afschrijving. Afschrijvingskosten zijn de enige kosten met betrekking tot het NMK die in de winst-en-verliesrekening worden verantwoord. Alle investeringen met betrekking tot deze kapitaalsoorten worden in eerste instantie immers geactiveerd.

Het gebruik van het NMK is nodig om winst te kunnen maken. De bomen worden omgezet in hout, dat wordt verkocht (AU3).

De rapportage over het NMK en het onderhoud daaraan dienen volledig geïntegreerd te worden in de financiële balans en winst-en-verliesrekening leidend tot één bottom line (winst- of verliescijfer) (AU4) (dit in tegenstelling tot de TBL en andere raamwerken voor integrated reporting die uitgaan van drie of meer bottom lines). Een onderneming heeft de plicht om het NMK in stand te houden. Pas nadat deze instandhouding heeft plaatsgevonden kan een eventuele overwaarde worden toegevoegd aan de financiële winstreserve. Dit betekent dat indien een onderneming winst maakt, dit altijd duurzame winst is. Immers, winst kan alleen ontstaan indien ten minste het NMK in stand is gehouden.

2.2 De technische accountingtoepassing van het TDL-raamwerk

De balans en winst-en-verliesrekening zien er dan uit zoals weergegeven in tabel 2 (vereenvoudigde weergave van appendix C, Rambaud and Richard 2015, p 113):

Tabel 2.

Aangepaste balans en winst-en-verliesrekening volgens het TDL-raamwerk.

2.2.1 Toelichting

In deze toelichting wordt weer uitgegaan van het voorbeeld van het bos. Natuurlijk kapitaal betreft dan de maatschappelijke waarde van het bos, gebaseerd op de monetarisering van de indicatoren (het aantal bomen). De waardevermindering van de natuurlijke bronnen (het aantal bomen) wordt gebaseerd op het aantal gekapte bomen en leidt tot afschrijvingskosten van activa met betrekking tot het natuurlijk kapitaal. Vervolgens leiden de investeringen in het bos (kosten aanplant nieuwe bomen) tot waardevermeerdering. De investering wordt tegen historische kostprijs geactiveerd. De waardering van ‘natuurlijke bronnen’ aan het einde van periode één (T1) aan de debetkant van de balans is dan:

Waarde ‘natuurlijk bronnen’ begin T1 – waardevermindering door kap in T1 + waardevermeerdering door aanplant in T1 = waarde ‘natuurlijk bronnen’ einde T1

De waarde aan de creditkant van de balans van het ‘natuurlijk kapitaal’ aan het einde van T1 wordt bepaald door de representanten. Hier geldt dat in de ideale situatie de waarde einde T1 gelijk is aan die begin T1. Is de waarde lager (het natuurlijk kapitaal is niet in stand gehouden), dan volgt de discussie of het bos nog wel gebruikt mag worden door het bedrijf. Is de waarde hoger (bijvoorbeeld doordat meer bomen zijn geplant), dan valt deze overwaarde vrij in de winst-en-verliesrekening.

Na de gedane investeringen in de ‘natuurlijke bronnen’ (debet) en de vaststelling van het ‘natuurlijk kapitaal’ (credit) door de representanten kunnen de volgende situaties zich voordoen;

De waarde van de ‘natuurlijk bronnen’ (debet) is hoger (lager) dan de waarde van het ‘natuurlijk kapitaal’ (credit). De hogere (lagere) waarde wordt afgeboekt van (opgeboekt bij) de ‘natuurlijke bronnen’ ten laste (gunste) van de winst- en-verliesrekening.

We gaan er hierbij gemakshalve vanuit dat het ‘natuurlijk kapitaal’ aan het einde van T1 gelijk is aan de waarde aan het begin van T1, oftewel het ‘natuurlijk kapitaal’ is in stand gehouden en de eventuele overwaarde is reeds vrijgevallen ten gunste van de winst-en-verliesrekening.

Indien in de winst-en-verliesrekening de omzet groter is dan de vier aangegeven kostencategorieën, dan is er (financiële) winst gemaakt, die wordt toegevoegd aan het eigen vermogen. Deze winst kan dan als duurzaam worden bestempeld, aangezien deze winst resteert nadat ook het NMK in stand is gehouden.

Samengevat kan worden gesteld dat de TDL is gebaseerd op twee maatschappelijke uitgangspunten (axioma’s) en vier uitgangspunten vanuit bedrijfsperspectief. Binnen de maatschappelijke axioma’s wordt er vanuit gegaan dat naast financieel kapitaal, ook ten minste twee andere vormen van kapitaal zijn te onderscheiden, namelijk natuurlijk en menselijk kapitaal. De waarde van het niet-financieel kapitaal wordt vastgesteld door een groep van experts (representanten) en vindt plaats op basis van indicatoren. Vanuit het bedrijfsperspectief wordt gesteld dat waardevermindering (afschrijving) plaatsvindt door gebruik te maken van het NMK. Het bedrijf heeft de plicht om de waarde van dit kapitaal in stand te houden middels het plegen van onderhoud. Zowel het kapitaal, de afschrijving als de (geactiveerde) onderhoudskosten worden geïntegreerd in de bestaande (financiële) balans en winst-en-verliesrekening.

3. Een kritische beschouwing van de Triple Depreciation Line

In deze paragraaf vindt een kritische beschouwing plaats van de axioma’s van de TDL. Op basis van deze kritiek worden alternatieve axioma’s gedefinieerd, waarmee wij van mening zijn dat het raamwerk een meer praktische invulling zou kunnen krijgen.

3.1 De zes axioma’s kritisch beschouwd

3.1.1 MU1; Ten minste drie bronnen zijn te typeren als maatschappelijk kapitaal: financieel, natuurlijk en menselijk.

Het benoemen van meerdere vormen van kapitaal is een bestaand fenomeen binnen integrated reporting. Bekende raamwerken zoals het ‘integrated reporting framework’ <IR> van het IIRC (2013) zijn mede gebaseerd op de ‘six capitals’ van Gleeson-White (2014), zoals ook in de inleiding beschreven. Ook binnen <IR> worden deze kapitaalsoorten mede als ‘resources’ gezien. Daarmee beschouwen we dit uitgangspunt als gangbaar binnen integrated reporting en hebben we hier verder geen commentaar op.

3.1.2 MU2; Het onderhoud van deze bronnen van kapitaal vereist een zo nauwkeurig mogelijk ontologisch onderzoek.

Bij dit axioma is de vraag wat nu precies bedoeld wordt met ‘een zo nauwkeurig mogelijk ontologisch onderzoek’. Dan dient allereerst helder te zijn wat het ontologische uitgangspunt van de TDL is. In Rambaud and Richard (2015) wordt de relatie gelegd tussen ontologie en kapitaal. Hoewel het ontologische uitgangspunt niet expliciet wordt gemaakt beperken de auteurs zich tot wetenschappelijke indicatoren, die overeenkomen met een “specifiek ontologisch uitgangspunt: de waarheid kan uitsluitend met objectieve wetenschappelijke termen worden beschreven” (Rambaud and Richard 2015, p. 95). “In overeenstemming met onze pragmatische benadering van ontologisch kapitaalonderzoek en zoals geïllustreerd door het IPCC1 -proces, zouden alleen institutionele en politieke keuzes op basis van procesmatige legitimiteit kunnen bepalen of een getal al dan niet betrouwbaar is” (Rambaud and Richard 2015, p.107).

Het woord ‘betrouwbaar’ is daarbij medebepalend voor het ontologische uitgangspunt. Het NMK dient volgens de TDL een zo betrouwbaar mogelijk getal te representeren, naar analogie van de ‘true and fair view’-gedachte van financieel kapitaal. Deze ‘representatie’-gedachte die typerend genoemd kan worden voor het positivistische paradigma binnen financial accounting (Vosselman 2014), lijkt bevestigd te worden door het gebruik van het woord/de rol van representanten. Deze groep experts representeert het NMK en bepaalt op zo betrouwbaar mogelijke manier de waarde (van het onderhoud) van deze kapitaalsoorten aan de creditzijde van de balans. Hiermee lijkt een ‘reality out there’ te worden gesuggereerd. Aan de andere kant lijken Rambaud and Richard (2015) ook te erkennen dat er geen objectieve werkelijkheid is, gezien de na te streven consensus onder de representanten, die gezamenlijk bepalen wat de werkelijkheid is.

In hoeverre is het echter reëel om op betrouwbare wijze tot een 'true and fair' gemonetariseerde waardering van het NMK te komen? Wat is bijvoorbeeld de ‘true and fair’-waarde (uitgedrukt in geldeenheden) van een sociaal netwerk, een bepaalde man-vrouwverhouding in leidinggevende posities, het recht op CO2-uitstoot, biodiversiteit, etc.? Deze zaken zijn niet of heel moeilijk (slechts tegen hoge kosten) te monetariseren. Door raamwerken als <IR> en GRI wordt dit probleem onderkend, waardoor in veel gevallen gemeten wordt in niet in geld uitgedrukte percentages of eenheden (bijv. het percentage vrouwen in leidinggevende posities, de hoeveelheid ton CO2 etc.). Indien ook dit niet mogelijk is volstaat een kwalitatieve beschrijving (bijvoorbeeld een beschrijving van het sociale netwerk binnen een organisatie).

Los van genoemde technische complicaties, is het daarnaast de vraag of de waarde van het NMK überhaupt wel op betrouwbare wijze eenduidig kan worden bepaald. De representanten stellen samen met de directie de indicatoren op voor de waardering van het kapitaal. Daarbij zou bijvoorbeeld bij de directie een tendens kunnen ontstaan om deze waarden zo laag mogelijk te waarderen. Immers, hoe hoger de waardering, des te hoger de afschrijving en des te lager het (financieel) resultaat. De machtsverhouding tussen representanten en directie wordt dan een bepalende factor voor de vaststelling van het niet-financiële kapitaal, hetgeen ten koste zal gaan van de betrouwbaarheid en de ‘true and fair view’-gedachte. De hoogte van het NMK komt dan tot stand middels sociale interactie tussen directie en representanten en is daarmee sociaal geconstrueerd en lijkt daarmee haaks te staan op de positivistische uitgangspunten van Rambaud and Richard (2015).

Ten slotte lijkt het praktisch gezien vrijwel onmogelijk om voor ieder bedrijf een groep van representanten samen te stellen, die expert zijn op het gebied van de verschillende niet-financiële kapitaalsoorten. Los van de kosten die dit met zich meebrengt, zal ook simpelweg een tekort aan specialisten een praktische toepassing in de weg staan. Overigens wordt deze kritiek ook door Rambaud and Richard (2015) onderkend, waarbij een mogelijke oplossing voor deze kritiek ontbreekt.

3.1.3 AU1; Doordat de onderneming gebruik maakt van natuurlijk en menselijk kapitaal heeft de onderneming de plicht dit kapitaal te onderhouden.

In zijn algemeenheid is op dit uitgangspunt niet veel aan te merken. Echter de specifieke invulling is niet geheel helder en roept vragen op. Zoals opgemerkt in paragraaf 2.1.2. is niet geheel duidelijk welke kosten onder welke kapitaalsoort als 'onderhoud' worden gekenmerkt, behalve dat dit wel vrij ruim wordt geïnterpreteerd. Alle salariskosten worden bijvoorbeeld geactiveerd op de balans tegenover menselijk kapitaal, hetgeen blijkt uit de volgende quote:

“Een essentieel gevolg van het TDL-raamwerk is in dit geval dat de loonkosten verdwijnen.” (Rambaud and Richard 2015, p. 108).

Het voordeel van deze ruime interpretatie is de eenvoud van deze systematiek. Er kleeft echter ook een potentieel nadeel aan. Dit betekent immers dat bijvoorbeeld excessieve bonussen een positieve bijdrage leveren aan de waarde van menselijk kapitaal, resulterend in een mogelijk grotere kloof tussen rijk en arm. Wij hebben daarom twijfels of deze ruime interpretatie van ‘onderhoud’ aan de debetzijde van de balans wel tot daadwerkelijke instandhouding van het niet-financiële kapitaal leidt.

AU2; Het herhaaldelijk gebruik van deze twee kapitaalsoorten heeft hun systematische waardevermindering tot gevolg.

Ook dit uitgangspunt lijkt in eerste instantie voor de hand te liggen, waarbij gebruik van het NMK leidt tot systematische waardevermindering (afschrijving) van deze kapitaalsoorten. Hoewel een onderscheid wordt gemaakt tussen incidenteel en structureel gebruik, wordt niet duidelijk welke concrete gevolgen dit gebruik heeft voor de systematische waardevermindering. Kortom, Rambaud and Richard (2015) maken niet duidelijk op welke manier de afschrijvingskosten concreet berekend kunnen worden, hetgeen echter cruciaal is voor een consistente toepassing van het TDL-raamwerk.

AU3; Het natuurlijk en menselijk kapitaal dat een onderneming gebruikt, is noodzakelijk om haar (winst)doelstellingen te bereiken.

Dit uitgangspunt lijkt niet tot onduidelijkheid te leiden.

AU4; De rapportage met betrekking tot deze twee soorten kapitaal moet worden geïntegreerd in de standaard financiële balans en winst-en-verliesrekening.

Ook dit uitgangspunt lijkt helder te zijn en is naar onze mening juist ook een van de sterke punten van dit raamwerk. Voor zover wij kunnen nagaan is de TDL het enige raamwerk dat daadwerkelijk uitgaat van een geïntegreerde balans en winst-en-verliesrekening en niet zoals gebruikelijk een rapportage per kapitaalsoort, zonder overigens een bijbehorende balans voor het niet-financieel kapitaal, laat staan dat binnen deze raamwerken sprake is van een geïntegreerde balans.

4. Aanbevelingen voor een aangepaste Triple Depreciation Line

In deze paragraaf doen wij aanbevelingen, die tegemoet komen aan de kritiek in paragraaf 3. De kritiek richt zich enerzijds op het ontologische perspectief van het NMK (creditzijde balans) en anderzijds op de activerings- en afschrijvingscriteria (debetzijde van de balans). De aanbevelingen met betrekking tot de creditzijde zijn daarbij meer fundamenteel van aard, waarbij het bij de aanbevelingen met betrekking tot de debetzijde meer gaat om een praktische invulling. Ten slotte wordt op basis van deze aanbevelingen een alternatieve tabel van uitgangspunten voorgesteld voor de toepassing van een alternatieve TDL.

4.1 Het ontologische perspectief van het natuurlijk en menselijk kapitaal

Op basis van de discussie en argumentatie beschreven in paragraaf 3.1.2 zijn wij van mening dat het praktisch gezien vrijwel onmogelijk is om vanuit het positivistische paradigma de ‘true and fair view’ van het NMK vast te stellen. Deze ‘true and fair view’ komt in feite neer op het beprijzen van externe maatschappelijke kosten. Pigou (1920), de grondlegger van het idee van het beprijzen van externe maatschappelijke kosten, bepleit dit beprijzen door de overheid te laten plaatsvinden. Belangrijke kritiek op de theorie van Pigou (1920) stelt dat het bepalen van externe kosten niet eenvoudig is, waardoor de hoogte van de externe kosten voor onderhandeling vatbaar is (Woltjer et al. 2019), hetgeen een van onze kritiekpunten uit paragraaf 3 onderschrijft. Hoewel het beprijzen bij de TDL plaatsvindt middels de inzet van representanten en niet via belastingheffing door de overheid, is deze kritiek ook van toepassing op de TDL. Wij hebben immers betoogd dat de vaststelling van het NMK een onderhandeling is tussen representanten en directie. Wij stellen daarom een alternatieve benadering voor waarbij geen gebruik meer wordt gemaakt van de representanten en waarin de ‘true and fair view’-gedachte voor de vaststelling van genoemde kapitaalsoorten wordt verlaten. Deze alternatieve benadering is voor een belangrijk deel gebaseerd op de opzet van Ostrom (2010), die uitgaat van de empirie in plaats van theoretische concepten. Ze neemt waar dat door onderlinge afstemming vaak vanzelf afspraken ontstaan tussen de betrokkenen, zonder inmenging van de overheid of opgelegde regelgeving. Deze zouden juist verstorend werken. Ze benadrukt dat middels coproductie tussen de belanghebbenden, veel oplossingen ontstaan die voor alle partijen bevredigend zijn. Op basis van empirische studies rond bijvoorbeeld beheer van natuurterreinen en irrigatie concludeert ze dat instituties die gegroeid zijn door het overleg en de ervaring van direct betrokken partijen vaak efficiëntere en rechtvaardigere oplossingen bieden dan van bovenaf opgelegde regels. In de alternatieve benadering die wij voorstellen in het kader van de TDL wordt de waarde van het NMK vastgesteld door de directie. De directie heeft daarbij de volledige vrijheid in de vaststelling van de hoogte van het NMK. De directie heeft dan ook de mogelijkheid om het NMK op nul te waarderen. Hiermee geeft de directie expliciet aan dat geen waarde wordt gehecht aan het NMK. Wij verwachten echter dat hier discussie over zal ontstaan met bijvoorbeeld medewerkers, NGO’s, klanten, overheden, maar ook met (institutionele) beleggers, waar duurzaamheid inmiddels ook een steeds belangrijker thema wordt. Deze discussie refereert aan de coproductie tussen de belanghebbenden, zoals betoogd door Ostrom (2010). Als concurrenten het NMK hoger waarderen, zal mogelijk de neiging ontstaan om het NMK ook hoger te gaan waarderen. Immers, hoe hoger het NMK gewaardeerd wordt, des te aantrekkelijker een bedrijf wordt voor bijvoorbeeld (potentiële) medewerkers, maar ook (institutionele) beleggers. Echter, hoe hoger het NMK wordt gewaardeerd, des te meer dient het bedrijf jaarlijks in het NMK te investeren om het NMK in stand te houden. De kans dat dit tot ‘greenwashing’ leidt, wordt daarmee aanzienlijk verkleind; hier geldt immers ‘boter bij de vis’. Wij gaan er hierbij overigens wel vanuit dat de indicatoren, die de waardevermindering mede bepalen, niet zullen veranderen. Aanvullende regelgeving zal dit moeten borgen.

Hiermee wordt de discussie over de waardering van het NMK een mogelijk belangrijk punt op de directie-agenda. De keuze voor integrated reporting is dan niet meer zo vrijblijvend als nu, waarin het integrated report veelal een bijproduct is. Een bijproduct dat volgens critici van integrated reporting vooral voor ‘greenwashing’-doeleinden wordt gebruikt.

Een ander voordeel van de vaststelling van het NMK door de directie in plaats van door representanten is dat dit niet leidt tot mogelijke draagvlakproblemen bij de directie. In het geval dat vaststelling van het NMK door externe representanten plaatsvindt, kan dit als opgelegd worden ervaren, hetgeen het draagvlak niet ten goede komt.

Door geen gebruik te maken van representanten wordt ook het praktische probleem, beschreven in paragraaf 3.1.2, om voor ieder bedrijf een groep representanten in het leven te roepen, opgelost.

Ten slotte kan worden opgemerkt dat de hoogte van het NMK in principe zonder overheidsingrijpen tot stand komt, indien de door ons voorgestelde wijze wordt gevolgd. Immers, bij de vaststelling van de hoogte van het NMK, zal de directie rekening houden met de verwachtingen van diverse stakeholders. Een te lage vaststelling van het NMK zal bijvoorbeeld leiden tot reputatieschade en daarmee de langetermijn-financiëlewinstgevendheid mogelijk schaden. Een te hoge waardering van het NMK zal leiden tot verhoogde afschrijvingen en zal de kortetermijnwinstgevendheid onder druk zetten. Hierin schuilt echter ook een potentieel nadeel van deze alternatieve benadering. Zonder overheidsingrijpen en/of aanvullende regelgeving zou het echter ook tot een hele lage ‘prijs’ voor het NMK kunnen leiden, waarmee het fundament onder deze alternatieve benadering wegvalt. In dat geval kan worden gedacht aan een bepaald minimumniveau of bepaalde ratio ten opzichte van het totaal kapitaal. Dit minimumniveau zou mogelijk door de overheid kunnen worden opgelegd, wel of niet sector-afhankelijk. Dit heeft echter ook nadelen, zoals bijvoorbeeld het eerder beschreven risico op gebrek aan draagvlak binnen de directie, almede de kritiek van Ostrom (2010) op actief overheidsingrijpen in dit kader. Vandaar dat wij vooralsnog de voorkeur uitspreken voor de benadering waarin de directie de hoogte van het NMK zelf bepaalt en daarbij in gesprek gaat met haar belangrijkste stakeholders.

4.2 De activerings- en afschrijvingscriteria

Het gaat hierbij enerzijds om de activeringscriteria voor de onderhoudskosten voor NMK en anderzijds om de afschrijvingscriteria van deze geactiveerde onderhoudskosten.

Criteria voor activering van de onderhoudskosten voor het NMK worden binnen de TDL niet expliciet benoemd, anders dan dat deze nogal ruim te interpreteren zijn. Zo lijken kosten die niet direct een bijdrage leveren aan de waarde van menselijk kapitaal (bijvoorbeeld alle salariskosten, mogelijk dus ook excessieve bonussen) voor activering in aanmerking te komen, waarmee daadwerkelijke instandhouding van het NMK niet gegarandeerd lijkt. Wij stellen daarom voor om onderhoudskosten uitsluitend te activeren als deze kosten daadwerkelijk een bijdrage leveren aan de instandhouding of creatie van het NMK. Met betrekking tot menselijk kapitaal kan dan bijvoorbeeld gedacht worden aan de kosten voor training en opleiding van medewerkers. De motivering van Rambaud and Richard (2015) om salariskosten te activeren is dat deze voorzien in het levensonderhoud van de medewerkers. Overwogen kan worden om uitsluitend die salariskosten te activeren die een bepaald minimumniveau aan levensonderhoud garanderen (bijvoorbeeld gebaseerd op het minimumloon) en alles daarboven als salariskosten te beschouwen, die rechtstreeks in de winst-en-verliesrekening worden geboekt. Het vaststellen of kosten wel of geen bijdrage leveren aan de instandhouding of creatie van het NMK is geen gemakkelijke opgave. Hier zal regelgeving voor moeten komen. Echter, in de basis is de discussie over het wel of niet activeren van deze kosten vergelijkbaar met het vaststellen van activeringscriteria binnen de huidige financiële verslaggeving. Daarbij is de waardering als zodanig (in tegenstelling tot de discussie over het wel of niet activeren) van deze onderhoudskosten betrekkelijk eenvoudig, aangezien waardering plaatsvindt tegen historische kostprijs. Dit is een belangrijk voordeel ten opzichte van de meeste bestaande integrated reporting raamwerken, waarin het waarderingsvraagstuk veelal tot praktische problemen leidt.

Anders dan waardevermindering door incidenteel en structureel gebruik worden binnen de TDL geen verdere richtlijnen geformuleerd voor afschrijvingen. Deze hebben echter wel een fundamentele invloed op de vereiste investeringen voor instandhouding van het NMK. Wij hebben daarom gepoogd om een eerste aanzet voor deze richtlijnen te doen. We stellen daarbij voor om regels op te stellen, waarbij afschrijvingspercentages mede bepaald worden door externaliteiten. Incidenten (bijvoorbeeld een bosbrand) kunnen dan leiden tot inhaalafschrijvingen. Anderzijds kunnen afschrijvingspercentages naar beneden worden bijgesteld, indien niet-gemonetariseerde waarde wordt gecreëerd op het gebied van het NMK. Bijvoorbeeld een evenwichtige man-vrouwverhouding in het management, relatief kleine salarisverschillen, etc. Hiermee hebben zowel gemonetariseerde waarden (via activering), als niet-gemonetariseerde waarden (via de afschrijvingspercentages) een positieve dan wel negatieve invloed op het NMK. Ook hier kan worden opgemerkt dat het vaststellen van deze afschrijvingspercentages niet eenvoudig zal zijn. Overwogen kan worden om in eerste instantie een vereenvoudigd raamwerk in te voeren, waarbij bijvoorbeeld alleen belangrijke overheidsspeerpunten worden meegenomen in de activering en afschrijvingspercentages (bijvoorbeeld CO2-uitstoot, stikstof etc.).

4.3 Alternatieve uitgangspunten

Op basis van bovenstaande aanbevelingen komen we tot een aangepaste tabel van uitgangspunten voor een aangepast TDL-raamwerk. Aangepaste of nieuwe uitgangspunten zijn vetgedrukt.

Tabel 3.

Aangepaste uitgangspunten van het TDL model.

Maatschappelijk onderhoud MU1 Tenminste drie bronnen zijn te typeren als maatschappelijk kapitaal: financieel, menselijk en natuurlijk.
MU2 Het management van de onderneming stelt de waarde van het natuurlijk en menselijk kapitaal vast.
Bedrijfsonderhoud AU1 Doordat de onderneming gebruikmaakt van natuurlijk en menselijk kapitaal heeft de onderneming de plicht dit kapitaal te onderhouden.
AU2 Onderhoudskosten voor natuurlijk en menselijk kapitaal komen alleen voor activering in aanmerking, wanneer deze bijdragen aan de bescherming van de respectievelijke kapitaalsoort.
AU3 Het herhaaldelijk gebruik van deze twee kapitaalsoorten heeft hun systematische waardevermindering tot gevolg.
AU4 Waardervermindering van deze twee kapitaalsoorten wordt beïnvloed door onderhoud, zowel financieel als niet-financieel.
AU5 Het natuurlijk en menselijk kapitaal dat een onderneming gebruikt, is noodzakelijk om haar (winst)doelstellingen te bereiken.
AU6 De rapportage met betrekking tot deze twee soorten kapitaal moet worden geïntegreerd in de standaard financiële balans en winst-en-verliesrekening.

5. Conclusies en discussie

Rambaud and Richard (2015) geven aan dat ze niet weten in hoeverre dit raamwerk in de praktijk toepasbaar is en dat het in de huidige vorm ook niet is bedoeld om strikt toegepast te worden, maar geven vooral aan dat dit raamwerk het debat over accounting raamwerken stimuleert. Het startpunt van dit debat zou volgens de auteurs vooral gericht moeten zijn op het concept van afschrijvingen en de ontologische NMK-veronderstellingen:

“..beginnend met het afschrijvingsconcept en de ontologische uitgangspunten met betrekking tot duurzaam kapitaal.” (Rambaud and Richard 2015, p. 110).

Het zijn precies deze twee elementen waar de aanbevelingen in paragraaf 4 over gaan, waarmee wij gehoor geven aan de oproep van Rambaud and Richard (2015).

Ten aanzien van ontologische NMK-veronderstellingen, stellen wij voor om het NMK door de directie te laten vaststellen. De directie zal zich expliciet moeten uitspreken voor of tegen een bepaalde waardering van natuurlijk en menselijk kapitaal. Wij verwachten dat een (te) lage waardering in de balans zal leiden tot reputatieschade, en een (te) hoge waardering zal leiden tot hoge kosten voor onderhoud van natuurlijk en menselijk kapitaal. Idealiter vindt middels dit mechanisme dusdanige waardering van het natuurlijk en menselijk kapitaal plaats, waarbij bedrijven vrijwillig significant meer zullen investeren in het behoud van natuurlijk en menselijk kapitaal dan nu het geval is. Dit is ook nodig om een transitie naar een duurzame- of circulaire economie conform de overheidsdoelstellingen2 te realiseren. Mocht dit echter niet het geval zijn dan heeft de overheid met dit raamwerk een krachtig en effectief mechanisme in handen om in te grijpen. De overheid kan dan middels wet- en regelgeving minimumniveaus voor de hoogte van het natuurlijk en menselijk kapitaal verplicht stellen. Deze maatregel lijkt in eerste instantie wellicht op een belastingmaatregel. De bedrijven worden immers verplicht door de overheid om extra kosten te maken. Er is echter een fundamenteel verschil met belastingheffing, namelijk dat deze extra lasten niet aan de overheid worden afgedragen, maar door de onderneming zelf in duurzame projecten geïnvesteerd worden (die mogelijk ook weer tot financieel voordeel leiden). Dit heeft belangrijke voordelen ten opzichte van reguliere belastingheffing. Allereerst denken wij dat hierdoor het draagvlak voor invoering van deze maatregel bij bedrijven groter zal zijn, dan bij een belastingmaatregel. Ten tweede, wordt hiermee geborgd dat de extra lasten ook daadwerkelijk aan verduurzaming van de economie worden besteed, terwijl dat bij belastingheffing lang niet altijd gegarandeerd is. Deze aanvullende investeringen leiden niet alleen tot een grotere kans op het behalen van de overheidsdoelen van ‘Nederland Circulair in 2050’, maar dragen ook bij aan verhoogde innovatiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid. Voorwaarde is wel dat verplichte rapportering volgens dit raamwerk door de overheid in de wet wordt verankerd.

Ook voor de beroepsorganisatie(s) van accountants heeft verplichte invoering van dit TDL-raamwerk belangrijke consequenties. Activerings- en afschrijvingscriteria voor natuurlijk en menselijk kapitaal dienen te worden opgenomen in de jaarverslaggevingsregels. Dit is geen gemakkelijke opgave. Hiervoor is diepgaande kennis nodig van de effecten van duurzame investeringen en maatregelen. Genoemde criteria zijn mede afhankelijk van de doelen van deze aanvullende regelgeving. Zijn deze bijvoorbeeld primair gericht op de Nederlandse klimaatdoelstellingen of op de veel breder georiënteerde SDG's3? Overleg tussen overheid, bedrijfsleven en accountants is dan noodzakelijk, waarin discussie plaatsvindt over de mogelijke bijdrage van duurzame investeringen aan nader te kiezen (bestaande) duurzame doelen. Precies de discussie die noodzakelijk is om een versnelde transitie naar een duurzame economie te stimuleren en wat ons betreft een uitgelezen kans om de maatschappelijke rol van de accountant opnieuw vorm te geven. Overigens is deze materie niet alleen een aangelegenheid voor accountants, maar zullen middels de ‘tripartiete’ overlegstructuur van de RJ, naast accountants ook delegaties van ondernemers en vakbonden in dit proces worden betrokken. Van belang is ook om na te gaan welke gevolgen de implementatie van de TDL heeft voor IFRS. Overigens werkt de International Accounting Standards Board inmiddels geruime tijd actief samen met bijvoorbeeld Corporate Reporting Dialogue en IIRC (Hoogervorst 2017). Hierin kan bijvoorbeeld ook worden meegenomen welke invloed ‘fair value accounting’ op het TDL-raamwerk zou kunnen hebben. Een interessant en belangrijk onderwerp, waar wij omwille van de eenvoud in dit artikel geen aandacht aan hebben besteed.

Ten slotte zal invoering van het TDL-raamwerk ook vergaande gevolgen hebben voor controllers en CFO’s. Zij zullen zich moeten verdiepen in bovengenoemde nieuwe activerings- en afschrijvingscriteria, om daarmee het management vakkundig te kunnen adviseren over de gevolgen van duurzame investeringen en te nemen maatregelen voor het geïntegreerde jaarverslag. De financiële discipline binnen organisaties verandert dan van het financieel geweten van de organisatie naar het maatschappelijk geweten.

Zowel voor de accountant als voor de controller geldt dat binnen de respectievelijke opleidingen bovengenoemde kennis een belangrijke plek in het curriculum dient te krijgen.

Terugkomend op de titel van dit artikel “De ‘Triple Depreciation Line’: een effectief wapen tegen greenwashing of een nieuwe accounting fata morgana?”, concluderen wij dat de TDL zeker de potentie heeft om als effectief wapen tegen greenwashing te kunnen worden ingezet. In een nadere beschouwing van de TDL zijn met name de afschrijvingsmethodiek en de ontologische uitgangspunten echter nog onvoldoende doordacht en uitgewerkt om tot een succesvolle praktische toepassing van het raamwerk te komen. Wij stellen daarom vraagtekens bij de claim van Rambaud and Richard (2015) dat de TDL (in de huidige vorm) een adequaat antwoord is op de in de inleiding genoemde tekortkomingen van de TBL. Wij hebben daarom met name op de afschrijvingsmethodiek en de ontologische uitgangspunten aanbevelingen gedaan, waarmee wij denken dat succesvolle toepasbaarheid van het raamwerk in de praktijk wordt vergroot. Wij realiseren ons echter dat invoering van het TDL-raamwerk verstrekkende gevolgen heeft en dat succesvolle invoering van veel factoren afhankelijk is, waarbij ook de concrete rol van de overheid nader geanalyseerd moet worden. Verder onderzoek in de praktijk (of eventueel in een laboratoriumsetting) is dan ook noodzakelijk om te kunnen vaststellen of deze aangepaste TDL-systematiek daadwerkelijk een effectief wapen tegen greenwashing is, of toch een fata morgana blijkt te zijn.

Drs. E.J. Willekes is docent-onderzoeker, Haagse Hogeschool / Radboud Universiteit Nijmegen

Prof. dr. J. Jonker is hoogleraar Duurzaam Ondernemen, Radboud Universiteit Nijmegen / Nijmegen School of Management

Dr. J. Wagensveld RA is lector en universiteitsdocent, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen / Radboud Universiteit Nijmegen

Noten

1

Het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), in het Nederlands de Intergouvernementele Werkgroep inzake Klimaatverandering, is een organisatie van de Verenigde Naties om de risico’s van klimaatverandering te evalueren (Wikipedia).

2

Volgens de doelen in het Rijksbrede programma Nederland Circulair in 2050, dient Nederland in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken en wil Nederland in 2050 een circulaire economie zijn. Een economie zonder afval, waarbij alles draait op hernieuwbare grondstoffen.

3

De Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s - Sustainable Development Goals) zijn in 2015 door de Verenigde Naties vastgesteld als de nieuwe mondiale duurzame ontwikkelingsagenda. Er zijn 17 doelstellingen en 169 onderliggende targets om deze doelen te operationaliseren. De lidstaten zelf zorgen voor vertaling in nationaal beleid (Wikipedia).

Literatuur

  • Adams CA, Potter B, Singh PJ, York J (2016) Exploring the implications of integrated reporting for social investment (disclosures) The British Accounting Review 48(3): 283–296. https://doi.org/10.1016/j.bar.2016.05.002
  • Bernardi C, Stark AW (2018) Environmental, social and governance disclosure, integrated reporting, and the accuracy of analyst forecasts. The British Accounting Review 50(1): 16–31. https://doi.org/10.1016/j.bar.2016.10.001
  • Buhr N, Gray R, Milne M (2014) Histories, rationales, voluntary standards and future prospects for sustainability reporting: CSR, GRI, IIRC and beyond. In Bebbington J, Unerman J, O’Dwyer B Sustainability Accounting and Accountability. Routledge (London): 51–71.
  • Chaidali P, Jones MJ (2017) It’s a matter of trust: Exploring the perceptions of Integrated Reporting preparers. Critical Perspectives on Accounting 48: 1–20. https://doi.org/10.1016/j.cpa.2017.08.001
  • Elkington J (1994) Towards the sustainable corporation: win-win-win business strategies for sustainable development. California Management Review 36(2): 90–101. https://doi.org/10.2307/41165746
  • Gibassier D, Rodrigue M, Arjaliès D (2018) "Integrated reporting is like God: no one has met Him, but everybody talks about Him": The power of myths in the adoption of management innovations. Accounting, Auditing & Accountability Journal 31(5): 1349–1380. https://doi.org/10.1108/AAAJ-07-2016-2631
  • Gleeson-White J (2014) Six Capitals - The revolution capitalism has to have - or can accountants save the planet? Allen & Unwin (Sydney, Melbourne, Auckland, London).
  • Haji AA, Hossain DM (2016) Exploring the implications of integrated reporting on organisational reporting practice: Evidence from highly regarded integrated reporters. Qualitative Research in Accounting & Management 13(4): 415–444. https://doi.org/10.1108/QRAM-07-2015-0065
  • Hervieux C, McKee M, Driscoll C (2017) Room for improvement: Using GRI principles to explore potential for advancing PRME SIP reporting. The International Journal of Management Education 15: 219–237. https://doi.org/10.1016/j.ijme.2017.03.011
  • Higgins C, Stubbs W, Love T (2014) Walking the talk(s): Organisational narratives of integrated reporting. Accounting, Auditing & Accountability Journal 27(7): 1090–1119. https://doi.org/10.1108/AAAJ-04-2013-1303
  • Humphrey C, O’Dwyer B, Unerman J (2017) Re-theorizing the configuration of organizational fields: The IIRC and the pursuit of ‘Enlightened’ corporate reporting. Accounting and Business Research 47(1): 30–63. https://doi.org/10.1080/00014788.2016.1198683
  • Knoops C (2010) Verslaggevingstheorieën: Een wetenschapsfilosofische analyse. (Proefschrift Erasmus Universiteit Rotterdam). Ridderprint (Ridderkerk). http://hdl.handle.net/1765/19651
  • McNally M, Maroun W (2018) It is not always bad news: Illustrating the potential of integrated reporting using a case study in the eco-tourism industry. Accounting, Auditing & Accountability Journal 31(5): 1319–1348. https://doi.org/10.1108/AAAJ-05-2016-2577
  • Pigou A (1920) The economics of welfare. Macmillan (London).
  • Rambaud A, Richard J (2015) The ‘‘Triple Depreciation Line’’ instead of the ‘‘Triple Bottom Line’’: Towards a genuine integrated reporting. Critical Perspectives on Accounting 33: 92–116. https://doi.org/10.1016/j.cpa.2015.01.012
  • Rinaldi L, Unerman J, De Villiers C (2018) Evaluating the integrated reporting journey: Insights, gaps and agendas for future research. Accounting, Auditing & Accountability Journal 31(5): 1294–1318. https://doi.org/10.1108/AAAJ-04-2018-3446