Print
Hybride pensioenregelingen volgens IFRS
DB or not-DB, is that the (real) question?
expand article infoCoen A. Arnold
‡ KPMG Accountants NV, Amstelveen, Netherlands
Open Access

Samenvatting

In deze bijdrage worden enkele recente ontwikkelingen in de praktijk van pensioenregelingen en de verslaggeving daarvan volgens IFRS beschreven. Zo wordt bezien in hoeverre recent voorgestelde benaderingen nadere inzichten verschaffen inzake de toepassing van, op basis van IAS 19, in de Nederlandse praktijk ontwikkelde ‘hybride’ pensioenregelingen, dan wel in hoeverre deze benaderingen een oplossing kunnen zijn voor knelpunten die bij de toepassing van de huidige IAS 19 in de Nederlandse pensioensituatie worden ervaren.

Trefwoorden

Asset-return promise plans, defined benefit plans, defined contribution plans, hybride pensioenregelingen, tekortkomingen IAS 19, shared risk plans

Relevantie voor de praktijk

Opstellers, gebruikers en controleurs van jaarrekeningen kunnen dit artikel gebruiken om inzicht te verkrijgen in ontwikkeling van hybride pensioenregelingen in de praktijk, de toepassing van IAS 19 op Nederlandse hybride pensioenregelingen volgens de visie van de RJ en de wijze waarop recente internationale voorstellen in pensioenverslaggevingsregels steun geven voor die visie en toepassing.

1. Inleiding

Pension schemes are being transformed in a very rapid fashion. Less than a quarter of the FTSE 100 companies now offer a defined benefit plan to a significant number of employees. In their place, many companies in Europe and around the world are moving towards so-called hybrid pension schemes. These hybrid schemes may be more affordable to companies, but from an accounting perspective do not fit neatly into thedefined contribution(DC) or thedefined benefit(DB) categories in IAS 19. In fact, modern pension schemes can have infinite variations, from the extremes of DC through to DB, with differing degrees and forms of risk sharing. The somewhat binary approach of IAS 19 struggles to deal with this new, infinitely variable pension landscape.

Aldus sprak de voorzitter van de International Accounting Standards Board (IASB), Hans Hoogervorst, in maart 2015 (Hoogervorst 2015). Hij maakte duidelijk dat zowel de praktijk als de IASB ‘worstelt’ om de verslaggeving van in de praktijk ontwikkelde nieuwe varianten van pensioenregelingen (hierna: ‘hybride pensioenregelingen’) te passen in de binaire pensioenclassificatieregels van IAS 19 Employee Benefits (hierna: IAS 19). Deze regels zijn vanaf de jaren ’70 ontwikkeld voor toegezegde-pensioenregelingen (‘Defined Benefitplans: hierna ‘DB’) en ‘toegezegde bijdrageregelingen’ (‘Defined Contributionplans: hierna ‘DC’). Hoogervorst kondigde namens de IASB een onderzoeksproject (IASB 2015a) aan, met als doelstelling een nieuw verslaggevingskader te ontwikkelen dat tot adequate verslaggeving van alle pensioenregelingen zou moeten leiden.1

Gelet op de complexiteit van het vraagstuk en de prioriteitsstelling van de IASB, heeft de IASB echter besloten om het onderzoeksproject niet als actief project, dat zou moeten leiden tot een nieuwe IAS 19, aan zijn agenda toe te voegen. In plaats daarvan zullen op onderdelen waarop de huidige IAS 19 als onduidelijk wordt ervaren, inconsistente regels heeft of waar in de toepassing ‘diversity in practice’ is, nieuwe regels worden ontwikkeld. In dat kader is in mei 2019 door de European Financial Reporting Advisory Group (EFRAG) een Discussion Paper (hierna: DP) gepubliceerd (EFRAG 2019). In het DP worden benaderingen voorgesteld voor de verslaggeving van hybride pensioenregelingen waarbij de pensioenuitkering (mede) gebaseerd is op een zogenaamde rendementstoezegging (‘asset-return promise’).

Hoewel dergelijke hybride pensioenregelingen met name in het buitenland voorkomen, kan worden geconstateerd dat veel Nederlandse (hybride) pensioenregelingen eveneens bepalingen kennen waarin de pensioenuitkeringen afhankelijk zijn van het rendement op fondsbeleggingen. Een veel voorkomende bepaling is ‘voorwaardelijke indexatie’: als het fondsrendement niet uitkomt boven een bepaalde rente (geen ‘overrente’), dan worden geen toeslagen toegekend. Onder omstandigheden kan zelfs sprake zijn van korting van aanspraken. Veel Nederlandse hybride pensioenregelingen bevatten een toezegging die in wezen te kenmerken is als een ‘ambitie’ om te komen tot een pensioenuitkering. De werkgever heeft daarin (in toenemende mate) het risico overgedragen aan de verzekeraar of deelnemers, bijvoorbeeld doordat een maximale premie is afgesproken en/of werknemers moeten bijdragen in de financiering van de pensioenregeling. De Raad voor de Jaarverslaggeving (hierna: RJ) publiceert in zijn jaarlijkse bundel haar visie op de toepassing van IAS 19 op dergelijke Nederlandse pensioenregelingen (RJ 2019). Daarin wordt in de Nederlandse pensioensituatie een rol toegedicht aan bepalingen in IAS 19 inzake de omvang (materialiteit) van het actuariële risico dat in een DC-regeling door de onderneming nog kan worden gedragen en inzake een beperking in de waardering van de pensioenverplichting (het ‘financieringsplafond’).

In dit artikel wordt bezien in hoeverre de door het DP aangedragen benaderingen voor hybride pensioenregelingen al dan niet steun geven aan de visie van de RJ inzake de toepassing van IAS 19 in de Nederlandse pensioensituatie op hybride pensioenregelingen, dan wel een oplossing kunnen zijn voor knelpunten of tekortkomingen die bij de toepassing van de huidige IAS 19 in de Nederlandse pensioensituatie worden ervaren.

Paragraaf 2 beschrijft de verslaggeving van pensioenregelingen volgens IAS 19 en schetst de ontwikkeling van hybride pensioenregelingen in de praktijk, waaronder die in Nederland. In deze paragraaf worden enkele ‘knelpunten’ van IAS 19 beschreven en de wijze waarop de RJ en de praktijk daarmee omgaan. Paragraaf 3 beschrijft de in de DP voorgestelde benaderingen voor de waardering van (bepaalde) hybride pensioenregelingen. Daarbij wordt nagegaan in hoeverre deze benaderingen steun geven aan de visie van de RJ en aan de toepassing van IAS 19 op hybride pensioenregelingen in de Nederlandse pensioensituatie. We sluiten in paragraaf 4 af met een slotbeschouwing en conclusie.

2. Verslaggeving van pensioenregelingen volgens IAS 19

2.1 Inleiding

In de huidige IAS 19 dienen pensioenregelingen, mits aan de daarvoor gestelde voorwaarden (definitie) wordt voldaan, als DC te worden geclassificeerd en te worden verwerkt. Alle pensioenregelingen die niet aan de definitie van DC voldoen, dienen als DB te worden geclassificeerd en verwerkt. In veel landen, waaronder Nederland, is in de loop der jaren een groot aantal varianten van nieuwe pensioenregelingen ontstaan, welke niet als ‘traditionele’ (of zuivere) DC, noch als ‘traditionele’ (of zuivere) DB volgens de IAS 19-classificatie zijn aan te merken. Deze nieuwe regelingen hebben elementen van zowel DC- als DB-regelingen. In dit artikel worden deze regelingen aangeduid met ‘hybride’ pensioenregelingen.

In paragraaf 2.2 worden enkele typische kenmerken van traditionele of zuivere DB- en DC-regelingen volgens de IAS 19-classificatieregels beschreven. Vervolgens wordt in paragraaf 2.3 nader ingegaan op de redenen en ontwikkeling van hybride pensioenregelingen in de praktijk.

2.2 IAS 19: DB or not-DB, that’s the question

Onder IAS 19 is de classificatie van de (toezegging in de) pensioenregeling bepalend voor de verslaggeving van de regeling in de jaarrekening. De (toezegging in de) pensioenregeling dient door de onderneming te worden geclassificeerd als DC-regeling, indien de onderneming met een separate pensioenuitvoerder (i) een vaste bijdrage (premie) is overeengekomen en (ii) de onderneming geen wettelijke, contractuele of feitelijke verplichting heeft tot het betalen van bijdragen (aanvullend op de (i) vaste bijdrage) in geval de fondsbelegging tekortschieten om de pensioenverplichtingen te voldoen (IAS 19.8). IAS 19 (paragraaf 46 e.v.) werkt de toepassing van deze voorwaarden/definitie specifiek verder uit voor pensioenregelingen ondergebracht bij een levensverzekeraar (‘insured benefits’).

Volgens de classificatievoorwaarden draagt een onderneming bij een DC-regeling geen actuarieel risico (dat de pensioenuitkering minder bedraagt dan verwacht) en/of beleggingsrisico (dat de fondsbeleggingen onvoldoende zijn om de verwachte pensioenuitkeringen te betalen). De pensioenuitkering voor de werknemer wordt bepaald door de premies van de werkgever en werknemer en de beleggingsresultaten daarop; de pensioenuitkering is derhalve onzeker. De overeengekomen vaste bijdrage (premie) wordt jaarlijks verwerkt als last in de winst-en-verliesrekening, en voor zover deze nog niet is betaald als verplichting in de balans (IAS 19.51).

Alle pensioenregelingen die niet aan de voorwaarden van DC-regeling voldoen, dienen onder IAS 19 als DB-regeling te worden geclassificeerd en verwerkt (IAS 19.8). Bij DB-regelingen loopt de onderneming ter zake de toezegging actuarieel risico en/of beleggingsrisico en is de pensioenuitkering voor de werknemer derhalve bepaalbaar en niet onzeker. De in de toekomst verwachte (materieel) hogere pensioenaanspraken, rekening houdend met bijvoorbeeld salarisstijgingen, overlevingscijfers etc., dienen volgens een specifieke actuariële waarderingsmethode (de zogenoemde projected-unit-credit- methode, PUC) te worden verwerkt in de pensioenverplichting (‘defined benefit obligation’, DBO) in de balans en de kosten van toekomstige pensioenopbouw (‘service costs’) in de winst-en-verliesrekening (IAS 19.67–69). Volgens de PUC-methode dienen bij een DB de kosten verbonden aan toekomstige (hogere) pensioenopbouw gelijkmatig over de verwachte diensttijd van de werknemer te worden verdeeld (‘straight lined’). Alsdan leidt hogere toekomstige pensioenopbouw dus tot ‘gecorrigeerde’ pensioenlasten gedurende de diensttijd door de lineaire toerekeningsmethode. Dit wordt ook wel aangeduid met de ‘backload correction’.

In tabel 1 is een samenvatting van enkele typische kenmerken van traditionele of ‘zuivere’ DB- en DC-pensioenregelingen opgenomen.

Tabel 1.

Typische kenmerken van traditionele DC- en DB-regelingen.

Typische kenmerken Traditionele DC Traditionele DB
Algemeen Pensioenregeling waarin de werkgever jaarlijks een vaste overeengekomen premie betaalt ten behoeve van de werknemer. De deelnemer kan zelf premies bijstorten. De uiteindelijke pensioen-uitkering aan de deelnemer is afhankelijk van ingelegde premies en het behaalde rendement daarop. De deelnemer loopt de actuariële risico’s. Pensioenregeling waarin de toegezegde pensioenuitkeringen volgens een formule worden bepaald. De formule bevat elementen als leeftijd, lengte dienstverband en salaris (zgn. salaris/diensttijdformule). De werkgever loopt de actuariële risico’s.
Voorbeeld De onderneming betaalt jaarlijks een vaste overeengekomen premie o.b.v. de formule ‘25% van de pensioengrondslag per deelnemer’. De onderneming betaalt een premie o.b.v. salaris/diensttijdformule ‘uitkering = 70% van eindsalaris deelnemers’.
Bepaling aanspraak Vereist geen actuariële berekeningen. Een formule wordt gehanteerd om de werkgevers-bijdrage voor alle deelnemers te bepalen. Vereist actuariële berekeningen met veronderstellingen inzake overlevingscijfers, salarisontwikkeling etc.
Financiering Gefinancierd door zowel onderneming (vaste premie) als deelnemers; in individuele DC-regelingen alleen door onderneming. Volledig gefinancierd door de onderneming.
Uitkering Een uitkering ineens, die moet worden aangewend om levenslange uitkeringen aan te kopen (bij bijvoorbeeld een levensverzekeraar). Maandelijkse uitkeringen overeenkomstig de aanspraak.
Risico’s Deelnemer draagt de actuariële risico’s zoals beleggingsrisico en het langlevenrisico. Werkgever draagt de actuariële risico’s zoals beleggingsrisico en langlevenrisico.
Toezeggingen over verstreken diensttijd Maken geen onderdeel uit van de regeling. Maken onderdeel uit van de regeling.

Samenvattend is de aard van de toezegging aan de werknemer in de pensioenregeling en daaruit volgend het risico uit hoofde van pensioenregeling voor de onderneming (hierna: risicobenadering2) bepalend voor de classificatie en dus verwerking in de jaarrekening onder IAS 19. Deze pensioenregeling (lees: de toezegging(en) daarin)) dient in zijn geheel te worden geclassificeerd als DC-regeling of DB-regeling.

2.3 Hybride pensioenregelingen

In de afgelopen decennia kunnen in de praktijk met betrekking tot pensioenregelingen bij ondernemingen in hoofdlijnen twee ontwikkelingen worden onderkend:

(1) Het aantal DC-regelingen is toegenomen (ten koste van DB-regelingen).

(2) Het aantal pensioenregelingen met zowel DB- als DC-elementen, oftewel hybride pensioenregelingen, is toegenomen.

Op genoemde ontwikkelingen wordt hierna verder ingegaan.

Ad (1) Toename van het aantal DC-regelingen

Vastgesteld kan worden dat de afgelopen decennia een afname heeft plaatsgevonden van het aantal DB-regelingen (waarbij de onderneming actuarieel en/of beleggingsrisico loopt) ten faveure van DC-regelingen, waarbij geen actuarieel en/of beleggingsrisico bij de onderneming ligt. Veel DB-regelingen zijn ‘gesloten’ voor nieuwe deelnemers, ‘bevroren’ voor alle deelnemers of volledig omgezet naar DC-regelingen. In tabel 2 is de dalende trend van DB-regelingen geïllustreerd aan de hand van de relatieve afname van DB-pensioenkosten bij beursgenoteerde ondernemingen in de Europese Economische Ruimte (Standard & Poor’s 2016; EIOPA 2014; 2020). Ook in Nederland heeft deze trend, door Swinkels reeds in 2006 vastgesteld (Swinkels 2006), zich doorgezet. Zo is bijvoorbeeld het aantal deelnemers aan een zuivere toegezegde-bijdrage en/of beschikbare-premieregeling (als proxy van een traditionele DC-regeling) in Nederland toegenomen van 3,1% in 2006 (DNB 2006) naar 8,5% in 2019 (DNB 2020). In aantallen ‘traditionele DC-regelingen’ is in tabel 2 een vergelijkbare toename weergegeven (DNB 2020).

Tabel 2.

Ontwikkeling DB versus DC.

2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019
# Ondernemingen 865 931 969 1007 1048 1102 1121 1123 1210 1241
Ratio: kosten DB/kosten DB+DC (gemiddeld) 41% 38% 36% 36% 34% 32% 32% 30% 29% 27%
Ratio: deelnemers met DC versus totaal in Nederland 4,5% 4,6% 5,1% 5,8% 5,8% 6,5% 7,0% 7,5% 7,7% 8,5%
Ratio: DC regelingen versus totaal in Nederland 10,0% 9,7% 9,7% 10,0% 9,6% 9,1% 10,5% 10,7% 11,7% 11,7%

Uit empirisch onderzoek blijkt dat één van de belangrijkste redenen voor ondernemingen om over te stappen naar een DC-regeling, dat de verwerking van DB-regelingen volgens IAS 19 nadelige effecten heeft op de volatiliteit van de pensioenverplichting en -lasten en het eigen vermogen (Kruse 1995; Swinkels 2006; Kiosse and Peasnell 2009; EFRAG 2019). Van der Boom and Knoops (2011) hebben in dit verband gewezen op de economische gevolgen – aanpassing en omzetting van DB- naar DC-pensioenregelingen - van (nieuwe) pensioenverslaggevingsregels.

Ad (2) De ontwikkeling van hybride pensioenregelingen

Redenen

Niettemin zijn er ondernemingen die de risico’s uit hoofde van hun (nieuwe) pensioenregeling niet geheel willen overdragen. Uit empirisch onderzoek komt naar voren dat één van de belangrijkste redenen hiervoor is dat het voor ondernemingen ten opzichte van concurrenten moeilijker wordt werknemers aan zich te (blijven) binden (IASB 2015b, p. 13).

Voorts kan lokale (pensioen)wetgeving ondernemingen verhinderen pensioenrisico’s al dan niet geheel over te dragen. Als voorbeeld kan de wetgeving in België en Duitsland worden genoemd, die voorschrijft dat werkgevers in bepaalde pensioenregelingen ten minste een bepaald minimumrendement op fondsbeleggingen aan werknemers moeten toezeggen (regelingen met een rendementstoezegging, zie hierna). Een dergelijke eis maakt een ‘zuivere’ DC-regeling niet mogelijk.

Mede als gevolg hiervan kan worden geconstateerd dat het aantal pensioenregelingen met zowel gewenste of voorgeschreven DB- als DC-elementen, oftewel hybride pensioenregelingen, is toegenomen in landen als Verenigde Staten, Canada, Japan, Verenigd Koninkrijk en Duitsland (ASAF 2018, Appendix B; OECD 2019). Bij Europese beursgenoteerde ondernemingen komen hybride pensioenregelingen inmiddels net zo vaak voor als ‘zuivere’ DB- en DC-regelingen, met name in landen als Zwitserland, Duitsland, België, Zweden, Frankrijk en Nederland (IASB 2015b, p. 6; OECD 2019).

Type hybride pensioenregelingen

In het kader van dit artikel worden hybride pensioenregelingen3 als volgt onderscheiden:

(1) Pensioenregelingen met risicodeling Deze regelingen zijn gebaseerd op traditionele DB-regelingen, met enkele vergaande aanpassingen. Typisch kenmerk is een actuarieel bepaalde premie gebaseerd op een ‘ambitie’ om een pensioenuitkering op basis van middelloon te bewerkstelligen. Een ander (daarbij passend) kenmerk is het korten van de pensioenaanspraken van deelnemers of het verlagen van toekomstige opbouw van pensioenaanspraken in het geval de premie en het rendement daarop onvoldoende is voor de ambitie. Dergelijke regelingen worden internationaal wel aangeduid met ‘defined ambition plans’ of ‘target benefit plans’ (EFRAG 2019, par. 8.9). Risico’s uit de pensioenregeling worden gedeeld (‘shared risk’) door de pensioenuitvoerder, deelnemers en de onderneming, waarbij de risico’s bij de onderneming slechts (zeer) beperkt van omvang zijn. Voor een beschrijving van enkele andere algemene kenmerken wordt verwezen naar tabel 1. In Nederland kan een ‘Collectief DC’-regeling (CDC) als voorbeeld worden genoemd, waarin het pensioenvermogen (doorgaans) collectief wordt beheerd (Ter Hoeven and Bout 2009). Deze (C)DC-regelingen kunnen ook wel geduid worden als ‘lower-of’-regelingen: als de premies (fondsbeleggingen) en het rendement daarop onvoldoende zijn, worden de toezeggingen en/of toekomstige opbouw van pensioenaanspraken verlaagd.

Een ander element dat in veel Nederlandse hybride regelingen voorkomt is dat de bijdrage (premie) van de onderneming in bepaalde omstandigheden is beperkt; bijvoorbeeld de onderneming hoeft niet of beperkt bij te dragen in geval van een dekkingstekort bij het fonds of een premieverhoging vindt niet of beperkt plaats bij een dergelijk dekkingstekort. Ook komt het voor dat een maximale bijdrage wordt overeengekomen en onder omstandigheden (bijvoorbeeld afhankelijk van de dekkingsgraad van het fonds), de bijdrage wordt beperkt (kortingen op de premie). Daarnaast kennen veel Nederlandse hybride regelingen de afspraak dat de financiering niet slechts door de onderneming wordt gedragen, maar tevens (deels) door de deelnemers zelf (‘shared funding’).

Kevelam and Ter Hoeven (2018) hebben onderzoek gedaan naar de mate van risicodeling in Nederlandse hybride pensioenregelingen. Daaruit blijkt dat Nederlandse (ex)werknemers door die elementen een veel grotere bijdrage aan het herstel van dekkingstekorten van pensioenfondsen hebben geleverd dan de werkgevers die slechts voor een beperkt deel (10–11%) hebben bijgedragen aan het herstel.

(2) Pensioenregelingen met een rendementstoezegging Deze regelingen bevatten een toezegging van de onderneming gebaseerd op het rendement van fondsbeleggingen (‘contribution based promise’), soms aangevuld met een gegarandeerd minimum. Laatstgenoemde worden daarom ook wel aangeduid met ‘higher-of’-regelingen, en in de context van nieuwe internationale voorstellen (zie paragraaf 3) met ‘pension plans with an asset return promise’. Voor een beschrijving van enkele algemene kenmerken wordt verwezen naar tabel 3. Deze regelingen komen in de EU betrekkelijk vaak voor in Duitsland, Zwitserland en België. In de Nederlandse pensioensituatie komen de regelingen niet voor (zie hierna), maar kunnen voor Nederlandse ondernemingen die IFRS toepassen en dochtermaatschappijen in het buitenland hebben wel relevant zijn.

Tabel 3.

Typische kenmerken van enkele hybride pensioenregelingen.

Voorbeelden van hybride pensioenregelingen
Typische kenmerken Regelingen met risicodeling Regelingen met een rendementstoezegging
Voorbeeld Actuarieel bepaalde gemaximeerde premie die in 95% van de gevallen voldoende is om ‘ambitie’ van uitkeringen o.b.v. middelloon (formule) te bewerkstelligen bij 42-dienstjaren; tevens korten van uitkeringen in het geval de premie en het rendement onvoldoende is voor die ambitie (CDC). Onderneming stelt deelnemers een premie beschikbaar, via een verzekeraar, waarop een bepaald minimumrendement wordt toegezegd, al dan niet op grond van wettelijke eisen.
Aanspraak Actuarieel bepaald o.b.v. een ‘ambitie’, soms door uit te gaan van aanspraak volgens ‘zuiver’ DB plus (voorwaardelijke indexatie) of min (korten) aanspraak (‘lower of’). Beschikbaar gestelde premie en de hoogste van werkelijk rendement en een minimumrendement (‘higher of’).
Financiering Gefinancierd door zowel onderneming (vaste premie) als deelnemers. Doorgaans gefinancierd door de onderneming, maar gedeelde financiering komt ook voor.
Uitkering Een uitkering ineens, die moet worden aangewend om levenslange uitkeringen aan te kopen (bij bijvoorbeeld een levensverzekeraar). Maandelijkse uitkeringen van een verzekeraar overeenkomstig de aanspraak.
Risico’s Gedeeld door onderneming en deelnemer (of verzekeraar). Gedeeld door onderneming en deelnemer (of verzekeraar); risico uit hoofde van een eventuele garantie ligt bij onderneming.
Komen in Europa voor in o.a. Nederland, Verenigd Koninkrijk Duitsland, Zwitserland, België, Zweden en Frankrijk

2.4 IAS 19: knelpunten

2.4.1 Inleiding

Zoals Hoogervorst (zie paragraaf 1) reeds constateerde, passen de in paragraaf 2.3 beschreven hybride regelingen niet naadloos in het DB/DC-onderscheid van de huidige IAS 19. De praktijk en de IASB worstelen dan ook met de toepassing van IAS 19 op dergelijke regelingen. Daarnaast kent IAS 19 onduidelijkheden en inconsistenties, die in de praktijk tot verschillende verwerkingen en waarderingen van de pensioenverplichting (en kosten van pensioenopbouw) leiden. Hierna wordt verder ingegaan op de binaire classificatie en andere elementen van IAS 19 die als knelpunten of tekortkomingen van IAS 19 (kunnen) worden ervaren, mede vanuit het perspectief van de Nederlandse pensioensituatie.

2.4.2 Binaire classificatie: DB of DC

In de huidige binaire classificatie van pensioenregelingen van IAS 19, gelet op de eisen die worden gesteld aan DC (zie paragraaf 2.2), is de verwachting van de IASB dat veel hybride regelingen, op basis van de aanwezigheid van een ‘DB-element’, volgens de huidige IAS 19 als DB (moeten) worden geclassificeerd. Dat is met name aan de orde voor de pensioenregelingen met een rendementstoezegging met een gegarandeerd minimum (EFRAG 2019, Appendix A1.3). De IASB heeft daarnaast geconstateerd dat in de praktijk andere hybride regelingen, met name regelingen waarin sprake is van risicodeling, als DC-regeling worden verwerkt. Voor een beschrijving van genoemde hybride regelingen wordt verwezen naar paragraaf 2.3.

In Nederland hebben diverse auteurs in het MAB al gewezen op enkele conceptuele knelpunten of tekortkomingen van IAS 19 in deze, mede vanuit het perspectief van de Nederlandse pensioensituatie. Genoemd kunnen worden Laning (2006) en Ter Hoeven and Laning (2010); laatstgenoemde onder de veelzeggende titel ‘Het echec van IAS 19 in Nederland verklaard’. In hoofdlijnen zijn de volgende knelpunten van IAS 19 geïdentificeerd.

De classificatieregels van IAS 19 zijn geschreven vanuit de gedachte dat de onderneming een pensioentoezegging op basis van (een formule van) diensttijd en salarishoogte doet aan zijn werknemer en (daarmee) de volledige risicodrager is van deze door hem gedane pensioentoezegging, ongeacht het al dan niet aanwezig zijn (in welke vorm dan ook) van een uitvoeringsorganisatie tussen de onderneming en (oud)werknemer (Ter Hoeven and Laning 2010, p. 854). In de classificatieregels wordt geen rekening gehouden met situaties, in Nederland gebruikelijk, waarin het pensioenrisico is verdeeld over onderneming, deelnemers (bijvoorbeeld door het korten van aanspraken in geval van onvoldoende fondsbeleggingen) en verzekeraar. In de Nederlandse pensioensituatie is de pensioenuitvoerder een van de onderneming onafhankelijk (geen ‘control’) opererende organisatie waaraan, in het geval van een verzekeraar, verplichtingen tot het nakomen van pensioentoezeggingen kunnen zijn overgedragen. De waarde van de pensioenregeling vanuit het perspectief van de werknemer kan derhalve nadrukkelijk afwijken van de verplichting in de vorm van de bijdrage aan de pensioenuitvoerder die de onderneming in dat kader heeft. Voor de RJ is dit een belangrijke overweging geweest om in RJ 271.3 voor de verwerking van pensioentoezeggingen de ‘verplichtingen-benadering’ (verplichting aan de pensioenuitvoerder) centraal te zetten.

In het verlengde hiervan kan worden opgemerkt dat in de classificatieregels van IAS 19 geen overweging is opgenomen inzake de waarschijnlijkheid van pensioenrisico’s die door de onderneming worden gedragen. IAS 19 vereist classificatie en verwerking als DB-regeling zelfs als het onwaarschijnlijk is dat de onderneming meer zal gaan betalen dan de jaarlijkse premie. Ook als in een hybride pensioenregeling een minimumrendement wordt gegarandeerd dat historisch lager is dan het verwachte rendement op de fondsbeleggingen, en dit naar verwachting ook het geval zal blijven in de toekomst, dient de pensioenregeling volgens IAS 19 te worden geclassificeerd als DB-regeling. De mate van onzekerheid inzake de uitstroom dient onder IAS 19 te worden verwerkt in de waardering van de pensioenverplichting (zie hierna) en is niet relevant voor de classificatie (EFRAG 2019, par. 8.19). In 2011 is aan IAS 19 (paragraaf 28) wel toegevoegd dat als de pensioenrisico’s ‘in substance’ gedragen worden door de werknemer, de pensioenregeling als DC geclassificeerd wordt. Deze toevoeging is (echter) niet opgenomen in de classificatie/definitie van DC en een nadere uitwerking of toelichting ontbreekt. In de Nederlandse pensioensituatie wordt door de RJ (RJ 921.205) wel betekenis toegedicht aan IAS 19 paragraaf 28 voor de classificatie en verwerking van pensioenregelingen. De RJ was reeds in de ‘oude’ RJ 271 Personeelsbeloningen, die was gebaseerd op IAS 19, de mening toegedaan dat met de mate of omvang van pensioenrisico’s bij de werkgever rekening moest worden gehouden in de kwalificatie van de pensioenregeling (RJ 2008).

Tot slot wordt hier opgemerkt dat de classificatieregels van IAS 19 dienen te worden toegepast op de toezegging in de pensioenregeling als geheel. De huidige regels verhinderen dat DB- en DC-elementen (componenten) in een (hybride) regeling gesplitst worden verwerkt in de jaarrekening.

In dit verband kan nog wel worden gewezen op verduidelijkingen die de IASB in 2011 heeft doorgevoerd in IAS 19, waarvoor de RJ zich hard heeft gemaakt (RJ 2010), en die naar het oordeel van de RJ classificatie van pensioenregelingen als DC in de Nederlandse pensioensituatie ‘haalbaarder’ hebben gemaakt.4 De RJ (RJ 2019) noemt de verduidelijking dat een pensioentoezegging in de vorm van een formule gebaseerd op diensttijd en salarishoogte (‘salaris/diensttijd-toezegging’) onder IAS 19 op zichzelf niet leidt tot DB-classificatie (RJ 921.206). Een andere verduidelijking geeft volgens de RJ de mogelijkheid om bepaalde Nederlandse bedrijfstakbasisregelingen (rechtstreeks) als DC aan te merken (RJ 921.216). Ten slotte noemt de RJ dat het onderscheid in (de kosten van) de toezegging vanuit het perspectief van de onderneming versus die van de werknemer (RJ 921.309 e.v.) is verduidelijkt.

De mate waarin het binaire onderscheid DB/DC ‘knelt’, wordt bepaald door de verslaggevingsgevolgen ervan, oftewel in hoeverre de vereiste waarderingsmethode voor de pensioenverplichting en de kosten van pensioenopbouw, de economische risicopositie van de onderneming in de regeling adequaat weergeeft.

2.4.3 Pensioenverplichting (en de kosten van pensioenopbouw)

Zoals in paragraaf 2.2 aangegeven, is een kernvereiste van IAS 19 in geval van een DB-regeling de kosten verbonden aan in de toekomst hogere pensioenopbouw gelijkmatig te verdelen over de diensttijd van de werknemer (‘backload correction’). Beargumenteerd kan worden dat de toepassing van deze eis bij de verwerking van bepaalde pensioenregelingen ertoe leidt dat het economisch risico van de onderneming uit hoofde van de pensioenregeling niet juist wordt weergegeven.

Ter illustratie kan het volgende voorbeeld dienen. Als pensioenuitkeringen worden geprojecteerd met een verwacht hoger rendementspercentage (in bijvoorbeeld een regeling met een rendementstoezegging; zie paragraaf 2.3) dan het rendement van hoogwaardige ondernemingsobligaties waarmee de uitkeringen contant moeten worden gemaakt, ontstaat schijnbaar een ‘accounting mismatch’ door het verwerken van een nettopensioenverplichting (= pensioenverplichting minus fondsbeleggingen). Beargumenteerd kan worden dat in dat geval de waarde van de pensioenverplichting economisch gezien gekoppeld moet zijn aan de reële waarde van de fondsbeleggingen. Deze reële waarde van de fondsbeleggingen vertegenwoordigt immers de werkelijk behaalde rendementen en niet de geprojecteerde rendementen.

Ook in de Nederlandse pensioensituatie, in bijvoorbeeld regelingen met risicodeling (zie paragraaf 2.3), kan een vergelijkbare ‘accounting mismatch’ ontstaan. Bijvoorbeeld waarin sprake is van toeslagverlening (‘indexatie’) die in geval er voor rekening komt van de onderneming maar afhankelijk is gesteld van het bij de uitvoerder beschikbaar zijn van overrente (‘voorwaardelijke indexatie’). Het projecteren tegen een hoger rendement dan het rendement op hoogwaardige ondernemingsobligaties, als gevolg van geprojecteerde overrente (en dus indexatie), leidt door het toepassen van de ‘backload correctie’ tot een nettopensioenverplichting – en kosten. Echter, de onderneming heeft geen verplichting deze te betalen, of de kans daarop is zeer klein. De door de onderneming in de toekomst te betalen premies zijn lager dan de kosten van toekomstige pensioenopbouw (‘service costs’).

Voor dergelijke elementen van risicodeling kent IAS 19 bepalingen, waaronder paragraaf 76 (en de toelichting daarop in BC143-BC149) en paragraaf 91 (en de toelichting daarop in BC150). Laatstgenoemde wordt door de RJ wel aangeduid als ‘financieringsplafond’. Daaruit kan worden afgeleid dat als genoemde situatie zich voordoet, hiermee rekening moet worden gehouden in de hoogte van de pensioenverplichting en kosten van pensioenopbouw. In de Nederlandse pensioensituatie wordt het te projecteren rendement dan ook doorgaans op grond van genoemde bepaling beperkt tot het rendement waartoe de onderneming gehouden is te betalen. De pensioenverplichting (DBO) wordt alsdan beperkt (verlaagd) tot het niveau waarbij de nettopensioenverplichting gelijk is aan de contante waarde van de toekomstige werkgeversbijdragen verminderd met de werkgeverskosten van de toekomstige pensioenopbouw. Ter illustratie geldt het voorbeeld in table 4.

Tabel 4.

Voorbeeld van de beperking van de pensioenverplichting als gevolg van de toepassing van het financieringsplafond.

Hybride pensioenregeling (‘shared risk’) met indexatie gefinancierd uit overrente
Gegeven Rendement op hoogwaardige ondernemingsobligaties: 3%
Disconteringsvoet van het pensioenfonds: 2%
Verwacht rendement van het pensioenfonds: 4,5%
Beperking van de pensioenverplichting (DBO) als gevolg van het financieringsplafond Verwachte maximale indexatieruimte is 4,5%-2%=2,5%. Echter, van deze 2,5% wordt maar 3%-2%=1% gefinancierd door de onderneming. De indexatie uit verwacht overrendement (4,5%-3%=1,5%) wordt op grond van het financieringsplafond (IAS 19.91) niet meegenomen in de waardering van de pensioenverplichting, aangezien de onderneming hiervoor niet gaat betalen. Het wel rekening houden met 2,5% indexatie zou betekenen dat onder IAS 19, als gevolg van de ‘backload correction’, een pensioenverplichting wordt opgenomen tegen feitelijk een effectieve rente van 3%-2,5% dus 0,5%, terwijl de beleggingen onder IAS 19 feitelijk tegen 3% worden opgenomen. De in de pensioenverplichting te waarderen, door de onderneming gefinancierde, toezegging inzake indexatie is dus 3%-2%=1%.

De hiervoor beschreven toepassing van ‘financieringsplafond’ (IAS 19.91) lijkt internationaal echter weinig bekend. Geen van de vier grootste accountantskantoren (KPMG, PWC, EY en Deloitte) geven nadere duiding aan de paragraaf in hun IFRS-handboeken. Wel kan in dit verband worden opgemerkt dat de EFRAG in de DP constateert dat de IASB paragraaf 91 aan IAS 19 heeft toegevoegd om rekening te houden met beperkingen in de bijdrage van de onderneming in verband met voorwaardelijke indexatie en additionele stortingen (EFRAG 2019, par. 8.15 resp. 8.17). Verder wordt in de DP zelf een benadering voorgesteld om de pensioenverplichting te beperken, om zo de ‘accounting mismatch’ (het verwerken van een nettopensioenverplichting die er ‘economisch’ gezien niet is) te mitigeren. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 3.

3. Beperking van de DB-pensioenverplichting

3.1 Voorstellen 2019

Het in mei 2019 door de EFRAG gepubliceerde discussiestuk (Discussion Paper 2019, hierna: DP) “Accounting for Pension Plans with an Asset-return Promise” beschrijft enkele mogelijke benaderingen voor de verslaggeving van hybride pensioenregelingen waarin de onderneming aan de deelnemers pensioenuitkeringen toezegt die de hoogste zijn (‘higher of’) van het werkelijk behaalde rendement op de fondsbeleggingen en een bepaald minimum (hierna: regelingen met een rendementstoezegging). Voor een beschrijving van de algemene kenmerken van dergelijke regelingen wordt verwezen naar paragraaf 2.3. Het stuk volgt op eerder door de International Financial Reporting Interpretation Committee (IFRIC) gepubliceerde – en vervolgens ingetrokken – voorstellen (IFRIC 2004) en discussies binnen de IASB (IASB 2015a, b, c, d; ASAF 2018).

Het DP stelt het in IAS 19 gehanteerde onderscheid DB versus DC (zie paragraaf 2.1) niet ter discussie. Op grond van het door de onderneming toegezegde minimumrendement – feitelijk een garantie (een ‘DB-element’) – dienen dergelijke regelingen onder IAS 19 als DB te worden geclassificeerd en verwerkt. Centraal in de DP staat dan ook op welke wijze de pensioenverplichting en kosten van toekomstige pensioenopbouw (‘service costs’) van pensioenregelingen met een rendementstoezegging in de jaarrekening verwerkt en gewaardeerd moeten worden.

In paragraaf 2.3 is als belangrijk knelpunt van IAS 19 in dit verband genoemd de toepassing van de backload correction bij een pensioenregeling met een rendementstoezegging. De uiteindelijke pensioenaanspraken worden geprojecteerd met het verwachte rendement op de fondsbeleggingen, terwijl de pensioenverplichting contant wordt gemaakt met het rendement van hoogwaardige ondernemingsobligaties. Als dat verwachte rendement hoger is dan de disconteringsvoet voor de verplichting dient een (netto)pensioenverplichting te worden verwerkt onder IAS 19, zelfs als wordt verwacht dat de fondsbeleggingen voldoende zullen zijn om de pensioenuitkeringen te doen en daarmee de pensioenverplichting af te wikkelen. In een dergelijke situatie wordt geacht dat IAS 19 niet de juiste economische relatie tussen de fondsbeleggingen en de pensioenverplichting weergeeft.

Zoals aangegeven komen deze pensioenregelingen in Nederland feitelijk niet voor, maar wel bij dochtermaatschappijen in het buitenland (waaronder Duitsland, België en Zwitserland). Geconstateerd kan echter worden dat veel Nederlandse (hybride) pensioenregelingen ook bepalingen hebben waarin de pensioenuitkeringen afhankelijk zijn van het rendement op fondsbeleggingen: als dit rendement niet boven een afgesproken rente komt (geen overrente), dan worden geen toeslagen toegekend (‘voorwaardelijke indexatie’) en kan onder omstandigheden sprake zijn van korting van aanspraken. In die zin is interessant te bezien in hoeverre door de DP aangedragen benaderingen een oplossing zijn voor de in paragraaf 2.4 gesignaleerde knelpunten van het verwerken van een ‘economisch te hoge’ pensioenverplichting bij de waardering van Nederlandse (hybride) pensioenregelingen en deze benaderingen steun geven aan de RJ-‘interpretatie’ van IAS 19 in de Nederlandse pensioensituatie (RJ 2019).

In de DP worden de volgende benaderingen voor het bepalen van de pensioenverplichting en kosten van pensioenopbouw beschreven:

• ‘Beperkte pensioenverplichting’-benadering (‘Capped Asset Return Approach’)

• ‘Reële waarde’-benadering (‘Fair-Value Based Approach’);

• ‘Vervullingswaarde’-benadering (‘Fulfillment Value Approach’).

Bovenstaande benaderingen worden in paragraaf 3.2 (beperkte pensioenverplichting) en paragraaf 3.3 (reële waarde- en vervullingswaardebenaderingen) kort behandeld.

3.2 ‘Beperkte pensioenverplichting’-benadering

Volgens de ‘beperkte pensioenverplichting’-benadering wordt de pensioenverplichting (DBO) beperkt tot de hoogste van:

a. de pensioenverplichting gewaardeerd volgens IAS 19, waarbij echter het verwachte/geprojecteerde beleggingsrendement wordt beperkt (‘capped’) tot het rendement op hoogwaardige ondernemingsobligaties; en

b. de pensioenverplichting gewaardeerd volgens IAS 19, waarbij uitsluitend de toezegging van de minimumrendementsgarantie wordt gewaardeerd.

Indien het verwachte beleggingsrendement hoger is dan de disconteringsvoet, zal de toepassing van deze benadering een belangrijk knelpunt van IAS 19 (zie paragraaf 2.4) elimineren en zal er geen (netto)pensioenverplichting worden verwerkt. Door de voorgestelde ‘cap’ op het verwachte rendement wordt namelijk voorkomen dat er een verplichting wordt gepresenteerd, waar naar verwachting geen toekomstige betalingen door de werkgever tegenover staan. Als ander voordeel van deze benadering wordt in de DP genoemd dat de benadering relatief eenvoudig is toe te passen. Voorts wordt de pensioenverplichting uit hoofde van de toezegging van de minimumrendementsgarantie op eenzelfde manier gewaardeerd als andere niet onder de DP vallende pensioentoezeggingen (consistentie).

Anderzijds signaleert de DP dat de IAS 19-knelpunten niet in alle omstandigheden worden opgelost. Zo wordt geen nettopensioenverplichting opgenomen in situaties waarin de fondsbeleggingen naar verwachting onvoldoende zullen zijn om de pensioenuitkeringen te doen en wordt de economische relatie tussen de fondsbeleggingen en de pensioenverplichting niet in alle omstandigheden juist weergegeven. Daarnaast kan vanuit het perspectief van de werknemer worden opgemerkt dat zijn recht om een hoger rendement dan een minimum te ontvangen niet volledig wordt weergegeven (verwerkt).

Vanuit de Nederlandse pensioensituatie kan worden opgemerkt dat deze benadering als bevestiging kan worden gezien van de visie van de RJ (RJ 921) en de daarop gebaseerde toepassing in Nederland van enkele bepalingen van de huidige IAS 19, waaronder de bepalingen inzake het ‘financieringsplafond’ (IAS 19.91, zie paragraaf 2.4), om de pensioenverplichting van bepaalde hybride pensioenregelingen te beperken. Het mag dan ook geen verbazing wekken dat de RJ in zijn commentaarbrief op de DP zijn steun voor deze benadering heeft uitgesproken (EFRAG 2020).

3.3 Alternatieve benaderingen

Een alternatieve benadering die in de DP wordt beschreven is de reëlewaardebenadering (‘Fair-Value Based approach’). Volgens deze benadering wordt de pensioenverplichting (DBO) gewaardeerd als de som van de reële waarde van de fondsbeleggingen waarop het toegezegde rendement is gebaseerd en de reële waarde van de minimumrendementsgarantie. De methode kan worden gezien als een benadering (‘proxy’) van de reële waarde van de pensioenverplichting, welke de waarde zou vertegenwoordigen die de onderneming zou moeten betalen om de pensioenverplichting aan een onafhankelijke partij over te dragen.

Als derde (en laatste) methode behandelt de DP de zogenaamde ‘vervullingswaarde’-benadering. Volgens deze benadering is de pensioenverplichting (DBO) gelijk aan de contante waarde van het gewogen gemiddelde van alle toekomstige netto uitgaande kasstromen (‘fulfillment cash flows’) en de reële waarde van de minimumrendementsgarantie. Deze benadering vertoont gelijkenissen met de wijze waarop verzekeringscontracten onder IFRS 17 Insurance Contracts worden gewaardeerd; in de kern de waarde om de verplichting te vervullen richting de werknemer. De pensioenregeling wordt feitelijk gezien als een ‘verzekeringscontract met de deelnemer’.

Beide benaderingen wijken op de volgende twee punten fundamenteel af van de huidige IAS 19:

• De backload correction (zie paragraaf 2.2 en 2.4) wordt niet toegepast. Bij de twee methoden worden de lasten niet lineair toegerekend en vindt de balanswaardering feitelijk plaats op basis van de tot op dat moment door de werknemer opgebouwde rechten. De consequentie is in het algemeen dat de pensioenverplichting (substantieel) lager is dan wanneer (volgens IAS 19) de backload correction wel wordt toegepast.

• De (tijdswaarde) van de minimumrendementsgarantie, één element van de pensioentoezegging, wordt afzonderlijk gewaardeerd. Gevolg is dat ook al is op balansdatum het werkelijke rendement boven het gegarandeerde minimumrendement, en er een kans bestaat dat dit over de resterende looptijd van de regeling voor de opgebouwde rechten niet het geval zal zijn, deze ’verplichting’ (waarde van de garantie) toch door de werkgever tot waardering wordt gebracht. De waarde van deze verplichting wordt op een vergelijkbare manier bepaald als de tijdswaarde van financiële opties.

De benaderingen zijn in lijn met het Conceptual Framework (2018) en lossen volgens de DP enkele in paragraaf 2.4 beschreven conceptuele knelpunten of tekortkomingen in de waardering van de pensioenverplichting van IAS 19 op (EFRAG 2019, p. 13). Beide methoden kennen echter aanzienlijke complexiteiten, op grond waarvan de Accounting Standards Advisory Forum (ASAF) reeds in 2018 concludeerde dat de benaderingen voor pensioenregelingen niet tot voor gebruikers begrijpelijke informatie zal leiden (ASAF 2018, p. 39). Daarnaast lijkt het voorschrijven van deze methoden voor alleen de hybride regelingen die onderwerp zijn van de DP en niet op overige onder IAS 19 vallende pensioenregelingen, niet tot consistente verslaggeving van alle pensioenregelingen te leiden. In het kader van de door de IASB bedoelde beperkte aanpassing (‘limited scope amendment’) lijken deze benaderingen dan ook niet te passen. Het overwegen van deze methoden past meer in een fundamentele review van IAS 19.

4. Slotbeschouwing en conclusie

De afgelopen decennia is het aantal pensioenregelingen met zowel (gewenste of voorgeschreven) DB- als DC-elementen (hybride pensioenregelingen) sterk toegenomen, waardoor bij Europese beursgenoteerde ondernemingen hybride pensioenregelingen inmiddels net zo vaak voorkomen als traditionele of zuivere DB- en DC-regelingen. In Nederland gaat het met name om pensioenregelingen waarin de risico’s zijn verdeeld tussen werkgever en werknemer (bijvoorbeeld ‘CDC’-regelingen) en/of beperkingen in de werkgeversbijdrage zijn aangebracht; in andere landen gaat het bijvoorbeeld om pensioenregelingen waarin een minimumrendementstoezegging aan de deelnemer wordt gedaan.

Veel gebruikers van IFRS-jaarrekeningen en de IASB zelf hebben geconstateerd dat dergelijke hybride pensioenregelingen niet naadloos (zijn te) passen in het binaire onderscheid van DB of DC (‘DB or not DB’) in de huidige IAS 19. Met betrekking tot IAS 19 worden echter meer tekortkomingen of knelpunten ervaren, die in de praktijk tot verschillen in verwerking en waardering van de pensioenverplichting (en kosten van pensioenopbouw) bij met name hybride regelingen leiden.

In 2019 heeft de EFRAG voorstellen gepubliceerd inzake de verwerking en waardering van de pensioenverplichting (DBO) van bepaalde hybride pensioenregelingen, namelijk waarin sprake is van een minimumrendementstoezegging. Hoewel dergelijke pensioenregelingen in de Nederlandse pensioensituatie feitelijk niet voorkomen, kan wel worden geconstateerd dat veel Nederlandse (hybride) pensioenregelingen ook bepalingen hebben waarin de pensioenuitkering afhankelijk is van het rendement op fondsbeleggingen. Voor de Nederlandse pensioensituatie heeft de RJ in zijn Handreiking mogelijkheden in IAS 19 onderkend om de pensioenverplichting (DBO) van met name hybride pensioenregelingen te beperken en deze in overeenstemming met de economische realiteit te brengen.

Eén van de benaderingen die EFRAG voorstelt is om de pensioenverplichting van hybride regelingen waarin sprake is van een minimumrendementstoezegging te beperken door ter zake de geprojecteerde pensioenaanspraken op basis van de toezegging uit te gaan van het rendement op hoogwaardige ondernemingsobligaties. Door deze voorgestelde ‘cap’ op het (verwachte) rendement wordt voorkomen dat er een verplichting wordt gepresenteerd, waar naar verwachting geen toekomstige betalingen door de onderneming tegenover staan.

Het binaire onderscheid DB/DC knelt nog steeds, maar de EFRAG bevestigt door zijn voorstel de pensioenverplichting van (bepaalde) hybride regelingen te beperken, dat de huidige IAS 19 handvaten biedt om de impact daarvan te mitigeren. In die zin kan deze benadering/opvatting van EFRAG worden gezien als een bevestiging van de visie van de RJ om binnen IAS 19 pensioenverplichtingen van hybride regelingen in de Nederlandse pensioensituatie te beperken. De waardering van de pensioenverplichting van dergelijke regelingen is de echte vraag. Dit neemt niet weg dat de bezwaren verbonden aan IAS 19, waaronder het ‘DB of DC’-vraagstuk, door de komst van hybride regelingen actueler is geworden en derhalve de door diverse auteurs als Ter Hoeven and Laning (2010) reeds een decennium geleden gesignaleerde behoefte aan een fundamentele herziening van IAS 19 nog immer aanwezig is. In dit verband heeft de IASB aangegeven ‘te overwegen’ de fundamentele revisie van IAS 19 in 2021 op zijn agenda te plaatsen.

Drs. C. (Coen) Arnold RA is verbonden aan het Department of Professional Practice (DPP) van KPMG Accountants NV. Daarnaast is hij Associate Professor bij de postdoctorale opleiding tot RegisterController van de Vrije Universiteit in Amsterdam. Tevens is hij lid van de Werkgroep Pensioenen van de Raad voor de Jaarverslaggeving (RJ).

Noten

1

Ook andere landen als Canada en de Verenigde Staten (FASB), hebben in het veranderende landschap van pensioenregelingen aanleiding gezien te onderzoeken of de huidige pensioenverslaggevingregels nog wel passend zijn om deze adequaat te verantwoorden in de jaarrekening.

2

De risicobenadering van IAS 19 wijkt fundamenteel af van de verwerking van pensioenregelingen onder de Nederlandse pensioenverslaggevingsregels in RJ 271, paragraaf 3. De RJ heeft daarbij overwogen dat IAS 19 niet goed past in de Nederlandse pensioensituatie, waarbij sprake is van een separaat fonds en IAS 19 niet adequaat rekening houdt met in veel Nederlandse pensioenregelingen opgenomen elementen als risicodeling, beperkingen in bijdragen van de werkgever en werknemersbijdragen. Onder RJ 271.3 wordt daarom de verplichtingenbenadering gehanteerd, waarbij de jaarlijkse werkgeverspremie als last in de winst-en-verliesrekening wordt geboekt, aangevuld met een last uit hoofde van een per balansdatum aanwezige ‘aanvullende verplichting’.

3

Het aantal varianten van hybride pensioenregelingen is groot. Behandeling van alle vormen ligt buiten het bestek van deze bijdrage.

4

Arnold and Van Santen hebben in 2012 en 2014 in het MAB onderzoeken gepubliceerd naar de invloed van 2011-wijzigingen in IAS 19 op de jaarrekening van Euronext-fondsen (Arnold and Van Santen 2012; Arnold et al. 2014).

Literatuur

  • Arnold CA, Van Santen GM (2012) De wijziging van IFRS inzake pensioenen en de invloed daarvan op de jaarrekening. Het Jaar 2011 verslagen, Onderzoek jaarverslaggeving ondernemingen. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 86(12): 491–512. https://doi.org/10.5117/mab.88.31230
  • Arnold CA, Van Santen GM, Ossenblok A (2014) De wijziging van IFRS inzake pensioenen en de invloed daarvan op de jaarrekening. Het Jaar 2013 verslagen, Onderzoek jaarverslaggeving ondernemingen. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 88(12): 492–517. https://doi.org/10.5117/mab.88.31210
  • DNB (De Nederlandsche Bank) (2006) Pensioenmonitor 2006.
  • Kevelam W, Ter Hoeven RL, Laning A (2016) Werkelijke risicodeling binnen het Nederlandse pensioenstelsel: een empirisch onderzoek. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 89(10): 391–405. https://doi.org/10.5117/mab.90.31182
  • RJ (Raad voor de Jaarverslaggeving) (2010) Comment on Exposure Draft Defined Benefit Plans - Proposed amendments to IAS 19. 6 september 2010.
  • RJ (Raad voor de Jaarverslaggeving) (2019) Hoofdstuk 921 - Handreiking voor de toepassing van IAS 19R in de Nederlandse pensioensituatie. Wolters Kluwer (Deventer).
  • Standard & Poor’s (2016) Essential Intelligence: S&P Capital IQ Platform.
  • Swinkels L (2006) Zijn pensioenregelingen gewijzigd als gevolg van de introductie van IFRS? Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 80(11): 562–570. https://doi.org/10.5117/mab.80.12810
  • Ter Hoeven RL, Bout J (2009) Het fenomeen collectieve DC-regelingen in de context van de (inter)nationale verslaggevingsregels voor ondernemingen; Risicoverhulling of risicoreflectie in de jaarrekening van de werkgever? Tijdschrift voor Pensioenvraagstukken 2009(1, februari): 6–12.
  • Ter Hoeven RL, Laning A (2010) Het echec van IAS 19 in Nederland verklaard; een conceptuele en empirische duiding aan de hand van de ‘shared risk’-pensioenregelingen. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 84(12): 649–657. https://doi.org/10.5117/mab.84.13889
  • Van der Boom AH, Knoops CD (2011) Economische gevolgen van nieuwe verslaggevingsregels. In: Van der Boom AH, Hoogendoorn MN, Van der Wal R, Scholte LL (red.) Toezicht op inzicht. Liber amicorum, aangeboden aan Prof. dr. M.A. van Hoepen RA, bij zijn afscheid als hoogleraar Bedrijfshuishoudkunde en Accountancy aan de Erasmus School of Economics van de Erasmus Universiteit Rotterdam op 14 januari 2011. Erasmus School of Economics, Erasmus School of Accounting & Assurance (Rotterdam): 171–186.