Print
Effecten van IFRS 16 Leases op informatie in de jaarrekening
expand article infoJan Backhuijs, Renick van Oosterbosch§, Leo van der Tas|
‡ Unaffiliated, Amsterdam, Netherlands
§ PricewaterhouseCoopers Accountants N.V., Amsterdam, Netherlands
| Ernst & Young Accountants LLP, Rotterdam, Netherlands
Open Access

Samenvatting

Dit artikel onderzoekt effecten van de eerste toepassing van IFRS 16 op informatie gerelateerd aan leases in jaarrekeningen over 2019 bij lessees. IFRS 16 vereist meer informatie over leases waarvan een groot deel dikwijls wordt gegeven. Een ander deel echter, met name over toekomstige leasebetalingen, veel minder. Ook over gevolgen van door de invoering van IFRS 16 veranderde cijfers in de jaarrekening op impairment testing, alternatieve prestatiemaatstaven en bestuurdersbeloningen treffen we (heel) weinig informatie aan. Vaker besteden de controleverklaringen van de accountant bij de jaarrekening aandacht aan de invoering van IFRS 16. De grondslag voor verwerking van latente belastingposities als gevolg van IFRS 16 wordt weinig vermeld, is uiteenlopend en wacht op de aangekondigde regelgeving.

Trefwoorden

IFRS, Leases, Toelichting, Alternatieve prestatiemaatstaven, Controleverklaring

Relevantie voor de praktijk

De toelichting over leases onder IFRS 16 is bedoeld om gebruikers van de jaarrekening van een lessee inzicht te geven in het effect van leases op balans, winst-en-verliesrekening en kasstromen. Die informatie is daarom niet alleen feitelijk, maar ook toekomstgericht. De invoering van IFRS 16 kan ook gevolgen hebben voor andere informatie in de jaarrekening, zoals impairment testing, alternatieve prestatiemaatstaven, bestuurdersbeloningen en latente belastingposities. Die aspecten zijn vooralsnog onderbelicht. Ook voor de accountant kan het relevant zijn aan IFRS 16 in de controleverklaring bij de jaarrekening aandacht te besteden.

1. Inleiding

De nieuwe standaard IFRS 16 Leases heeft effect op de verslaggeving van vele ondernemingen. Waar het artikel van Arnold et al. (2020) ingaat op de effecten van de overgang van de oude (IAS 17 Leases) naar de nieuwe standaard op de jaarrekening van lessees, is het doel van dit artikel om na te gaan welke blijvende effecten IFRS 16 heeft op de jaarrekening van met name lessees. Zo is niet alleen de informatie over leases in de toelichting uitgebreid. Ook beschouwen we effecten op de wijze waarop bijzondere waardeverminderingen worden berekend, latente belastingen, beloning van het management en het gebruik van alternatieve prestatiemaatstaven (APMs). Voorts kan de toepassing van IFRS 16 gevolgen hebben voor de controleverklaring bij de jaarrekening.

Wij onderzoeken allereerst door IFRS 16 specifiek genoemde informatie die de lessee in zijn jaarrekening 2019 over leases verstrekt (in paragraaf 2). Vervolgens kijken we in paragraaf 3 naar informatie over gevolgen van de toepassing van IFRS 16 op andere aspecten van de jaarrekening. In paragraaf 4 onderzoeken we een relatie met de key audit matters (KAMs) in de controleverklaringen bij de onderzochte jaarrekeningen. Daarna bespreken we in paragraaf 5 enkele actuele ontwikkelingen. Paragraaf 6 sluit af met enkele conclusies.

De door ons onderzochte jaarrekeningen zijn dezelfde als die van Arnold et al. (2020)1. In de bijlage hebben we die populatie nader onderverdeeld naar land van herkomst van de onderneming, branche waarin de onderneming actief is, en of het effect van de eerste toepassing van IFRS 16 voor de desbetreffende jaarrekening boven of onder de mediaan van de populatie ligt. Bij het bespreken van de resultaten worden alleen die details genoemd indien daarin opvallende verschillen worden geconstateerd. Mogelijke oorzaken hiervoor zijn door ons niet onderzocht. Vooraf merken we op dat het niet vermelden van informatie niet inhoudt dat een lessee dat ten onrechte heeft gedaan. Zo kan het desbetreffende onderwerp niet van toepassing zijn, of kan het om redenen van materialiteit achterwege zijn gelaten.

2. Toelichting op leases en gekozen opties in IFRS 16

2.1 Inleiding

Ten opzichte van de onder IAS 17 vereiste informatie is die onder IFRS 16 aanzienlijk uitgebreid. Doelstelling van de International Accounting Standards Board (IASB) bij deze uitbreiding is geweest dat een lessee in de toelichting informatie vermeldt die, samen met de informatie in de balans, de winst-en-verliesrekening en niet-gerealiseerde resultaten en het kasstroomoverzicht, de gebruikers van de jaarrekening van een lessee in staat stelt te beoordelen welk effect leaseovereenkomsten sorteren op de financiële positie, de financiële prestaties en de kasstromen van de lessee (IFRS 16.51). Op basis hiervan noemt de standaard specifiek een aantal onderwerpen waarover de lessee informatie verschaft (IFRS 16.52-60).

2.2 Opties voor uitzondering van toepassing van IFRS 16

Met betrekking tot de verwerking op de balans heeft IFRS 16 voor twee soorten leaseovereenkomsten een uitzondering gemaakt: die van een korte duur (short term leases), en die van een onderliggend actief met een lage waarde (low value leases) (IFRS 16.52). Indien de lessee van deze opties gebruik maakt, vermeldt hij dat in de jaarrekening (IFRS 16.60). Daarnaast vermeldt de lessee de lasten met betrekking tot de leases waarvoor deze opties zijn gebruikt (IFRS 16.53 sub (c) respectievelijk (d)). Wij hebben de vermelding daarvan onderzocht. Zie tabel 1 voor short term leases en tabel 2 voor low value leases.

Tabel 1.

Short term leases.

Short term leases
Toepassing vermeld: n %
Ja: n %
Ook bedrag vermeld 41 57
Bedrag samengevoegd met low value leases 8 11
Alleen kwalitatief toegelicht als ‘onbelangrijk’ of een soortgelijke term 4 6
Geen nadere toelichting 10 14
Ja – totaal 63 88
Nee 9 12
Totaal 72 100

Uit tabel 1 komt naar voren dat 63 (88%) jaarrekeningen vermelden dat de short term lease-optie is toegepast. Negen (12%) jaarrekeningen vermelden niets over het al dan niet gebruiken van deze optie.

In aanvulling hierop blijkt uit ons onderzoek dat qua omvang bij 32 van deze 41 jaarrekeningen (78%) die een bedrag noemen, de lasten van short term leases minder dan 25%3 van de som van de afschrijvingen van right-of-use-activa en rente op leaseverplichtingen zijn. Slechts bij twee van deze 41 (5%) jaarrekeningen is die last meer dan 100%.

Uit tabel 2 blijkt dat 62 (86%) ondernemingen in de jaarrekening vermelden dat de low value lease-optie is toegepast. 10 (14%) jaarrekeningen vermelden niets over het al dan niet gebruiken van deze optie.

Tabel 2.

Low value leases.

Low value leases
Toepassing vermeld: n %
Ja: n %
Ook bedrag vermeld; 36 50
Bedrag samengevoegd met short term leases 8 11
Alleen kwalitatief toegelicht als ‘onbelangrijk’ of een soortgelijke term 5 7
Geen nadere toelichting 13 18
Ja – totaal 62 86
Nee 10 14
Totaal 72 100

Daarnaast zien we dat bij alle 36 jaarrekeningen (100%) die een bedrag noemen de lasten van low value leases minder dan 25% van de som van de afschrijvingen van right-of-use-activa en rente op leaseverplichtingen zijn.

2.3 Variabele leasebetalingen

In de boekwaarde van de right-of-use-activa en de leaseverplichtingen op de balans zijn niet de variabele leasebetalingen4 begrepen. Daarom vermeldt de lessee de lasten vanwege variabele leasebetalingen afzonderlijk in de jaarrekening (IFRS 16.53 onder (e)). Tevens verstrekt hij informatie over toekomstige uitstromen van kasmiddelen waaraan hij mogelijk is blootgesteld (IFRS 16.59 onder (b) sub i)). Onze bevindingen over variabele leasebetalingen in de jaarrekeningen staan in tabel 3.

Tabel 3.

Variabele leasebetalingen.

Variabele leasebetalingen
Kosten verslagjaar vermeld: n %
Wel: n %
Bedrag vermeld 33 46
Bedrag samengevoegd met short term en low value leases 2 3
Bedrag vermeld – totaal 35 49
Niet 37 51
Totaal 72 100
Toekomstige variabele leasebetalingen vermeld: n %
Wel: n %
Kwantitatief en kwalitatief 11 15
Alleen kwantitatief 4 6
Alleen kwalitatief 8 11
Wel – totaal 23 32
Niet 49 68
Totaal 72 100

Ongeveer de helft (49%) van de jaarrekeningen geeft informatie over de lasten van variabele leasebetalingen. Niet uit deze tabel maar wel uit ons onderzoek blijkt dat in het merendeel van de jaarrekeningen (74%) de omvang ervan beperkt is tot minder dan 25% van de som van de afschrijvingen van right-of-use-activa en rente op leaseverplichtingen. Vier van de zeven ondernemingen (57%) die in hun jaarrekeningen een last van meer dan 25% presenteren, zijn actief in de sector van de consumentenproducten (die 22% van de populatie vormt). Ook vermeldenswaardig is dat van die zeven ondernemingen vier (57%) hun thuisbasis in Frankrijk hebben (terwijl Franse ondernemingen 22% van de populatie vormen).

Uit tabel 3 blijkt voorts dat 32% van de ondernemingen in de jaarrekening iets vermeldt over toekomstige leasebetalingen. Opmerkelijk is, in aanvulling op tabel 3, dat van de 35 ondernemingen die kosten van variabele leasebetalingen in het verslagjaar vermelden, 19 (54%) niets over toekomstige variabele leasebetalingen in hun jaarrekeningen zeggen. Bij deze 19 ondernemingen lijkt het niet altijd om een immaterieel bedrag te gaan.

2.4 Toekomstige lasten vanwege leases

Naast deze informatie over toekomstige variabele leasebetalingen kan meer informatie over toekomstige uitstromen van kasmiddelen waaraan de lessee mogelijk is blootgesteld van belang zijn. Hiermee wordt zicht gekregen op de verplichtingen die de onderneming is aangegaan. IFRS 16 onderkent als dergelijke blootstellingen i) verlengings – en beëindigingsopties, ii) restwaardegaranties en iii) leaseovereenkomsten die nog niet zijn begonnen maar wel zijn afgesloten (IFRS 16.59 onder (b)). Wij hebben onderzocht of en hoe jaarrekeningen hierover iets toelichten. Zie tabel 4.

Tabel 4.

Informatie over mogelijke toekomstige kasuitstromen.

Informatie over mogelijke toekomstige kasuitstromen
i) Vanwege verlengings – en beëindigingsopties: n %
Wel: n %
Kwantitatief en kwalitatief 10 14
Alleen kwantitatief 3 4
Alleen kwalitatief 14 19
Wel – totaal 27 37
Geen 45 63
Totaal 72 100
ii) Vanwege restwaardegaranties:
Wel: n %
Kwantitatief en kwalitatief 0 0
Alleen kwantitatief 4 6
Alleen kwalitatief 14 19
Wel – totaal 18 25
Geen 54 75
Totaal 72 100
iii) Vanwege afgesloten leaseovereenkomsten die nog niet zijn begonnen:
Wel: n %
Kwantitatief en kwalitatief 12 17
Alleen kwantitatief 7 10
Alleen kwalitatief 2 3
Wel – totaal 21 30
Geen 51 70
Totaal 72 100

Uit deze tabel blijkt dat niet heel veel jaarrekeningen kwantitatief en kwalitatief informatie geven over toekomstige uitstromen van kasmiddelen als bedoeld in de onderhavige bepalingen. In de gevallen dat de jaarrekening wél informatie verstrekt, is die informatie in een beperkt aantal gevallen zowel kwantitatief als kwalitatief in overeenstemming met IFRS 16.

Ook is opmerkelijk dat veel jaarrekeningen helemaal geen informatie over mogelijke toekomstige kasuitstromen geven.

2.5 Andere baten (en lasten) uit leases

Naast lasten kunnen leases ook baten opleveren, bijvoorbeeld bij het subleasen van een right-of-use-actief. Daarom worden dergelijke inkomsten ook in de jaarrekening vermeld (IFRS 16.53 onder f)). Wij hebben onderzocht of dat gebeurt. Zie tabel 5.

Tabel 5.

Inkomsten uit subleases.

Inkomsten uit subleases
Inkomsten verslagjaar vermeld: n %
Wel: n %
Bedrag vermeld 21 29
Geen bedrag, wel vermeld als onbelangrijk 3 4
Wel 24 33
Niet 48 67
Totaal 72 100

Uit deze tabel komt naar voren dat 24 (33%) van de 72 onderzochte jaarrekeningen inkomsten uit subleases vermelden. De omvang van deze inkomsten hebben we daarnaast afgezet tegen de som van de in de jaarrekening gepresenteerde afschrijvingen van right-of-use-activa, rente op leaseverplichtingen en variabele leasebetalingen. De omvang van de inkomsten is bij vier (17%) van de 24 ondernemingen meer dan 10% van die lasten en bij één van deze vier bijna 100%.

In de loop van de achter ons liggende jaren zijn diverse vormen van financiering van ondernemingen ontstaan, waarbij een onderneming een of meer van haar materiële vaste activa verkocht aan een financierende partij en vervolgens terughuurde. Dat alles onder een grote diversiteit aan voorwaarden. Dergelijke sale-and-leaseback-transacties waren vooral populair als de onderneming bij de verkoop onmiddellijk een winst kon realiseren en het terughuren niet op haar balans hoefde te verwerken (sale-and-operating-leaseback). Onder IAS 17 werd aan de verwerking van en toelichting op dergelijke transacties al aandacht besteed, maar IFRS 16 heeft de wijze van bepalen van het resultaat bij een dergelijke transactie veranderd (zie IFRS 16.98-103).

Wij hebben het door de lessee in de jaarrekening vermelden van de winst (of het verlies) uit sale-and-leaseback-transacties (in overeenstemming met IFRS 16.53 onder (i)) onderzocht. Ook hebben we naar de aanvullende informatie (in overeenstemming met IFRS 16.59 onder (d)) gekeken. Onze bevindingen staan in tabel 6.

Tabel 6.

Sale-and-leaseback transacties.

Sale-and-leaseback transacties
Vermelding winst / verlies gedurende verslagjaar: n %
Wel 7 10
Niet 65 90
Totaal 72 100
Aanvullende toelichting: n %
Wel 11 15
Geen 61 85
Totaal 72 100

Ons valt op dat over 2019 slechts zeven (10%) van de 72 ondernemingen in hun jaarrekeningen een winst uit een sale-and-leaseback-transactie rapporteren. De (in alle gevallen) winsten uit de transactie, zo blijkt eveneens uit ons onderzoek, zijn altijd minder dan 25% in verhouding tot de som van de afschrijvingen van right-of-use-activa, rente op leaseverplichtingen en variabele leasebetalingen.

Al deze zeven ondernemingen geven in hun jaarrekening ook aanvullende toelichting. In aanvulling hierop valt ons op basis van de aangetroffen gegevens op dat daarnaast vier ondernemingen een aanvullende toelichting geven zonder een resultaat uit een dergelijke transactie te presenteren. Van de 11 (15%) ondernemingen die in hun jaarrekening een aanvullende toelichting geven zijn vijf afkomstig uit Duitsland (dat wil zeggen: 45% van de onderzochte Duitse jaarrekeningen).

2.6 Right-of-use-activa

De nieuwe verwerkingswijze van leases heeft een nieuw actief doen ontstaan, het right-of-use-actief. De toelichtende informatie over deze balanspost lijkt veel op die over materiële vaste activa, zoals opgenomen in IAS 165. Zo worden de toevoegingen aan deze activa in de jaarrekening gepresenteerd (IFRS 16.53 onder (h)), evenals de boekwaarde aan het einde van het verslagjaar per categorie van onderliggende activa (IFRS 16.53 onder (j)). De in dit verband in de jaarrekeningen vermelde gegevens zijn samengevat in tabel 7.

Tabel 7.

Right-of-use-activa.

Right-of-use-activa
Boekwaarde einde verslagjaar vermeld: n %
Per categorie onderliggend actief 56 78
Alleen totalen 16 22
Totaal 72 100
Toevoegingen toegelicht: n %
Wel 70 97
Niet 2 3
Totaal 72 100

Alle jaarrekeningen (100%) geven de boekwaarde van de right-of-use-activa aan het einde van het verslagjaar. Ruim driekwart (78%) doet dat per categorie onderliggend actief. Vrijwel alle jaarrekeningen (97%) presenteren de toevoegingen gedurende het verslagjaar. In een enkel geval wordt expliciet gezegd dat de toevoeging nihil was.

Op basis van de in de jaarrekeningen aangetroffen gegevens zien we voorts dat de grootte van de toevoegingen volgens 38 (54%) jaarrekeningen minder dan 100% van de afschrijvingen van de right-of-use-activa bedroeg. De mediaan ligt op 95%. Of dit betekent dat ondernemingen minder dan in het verleden zijn gaan leasen, valt naar onze mening op dit moment nog niet te zeggen. Zo leidt de dikwijls toegepaste beperkt-retrospectieve transitiemethode (zie Arnold et al. 2020, paragraaf 4.1) in de eerste jaren van IFRS 16 tot hogere afschrijvingslasten. Eén jaar van toepassing van de nieuwe standaard is daarom een te korte periode om een conclusie hierover te kunnen trekken. Overigens bedroegen volgens acht jaarrekeningen (12%) de toevoegingen aan de right-of-use-activa meer dan 200% van de afschrijvingslasten. Van deze acht was dit bij zes ondernemingen uit Nederland het geval (dus 24% van de onderzochte Nederlandse jaarrekeningen).

2.7 Andere informatie specifiek genoemd in IFRS 16

Om de doelstelling van de informatieverschaffing over leases (zie IFRS 16.51, hiervoor in paragraaf 2.1) te realiseren is in ieder geval aanvullende toelichting over nog twee onderwerpen volgens de IASB interessant, namelijk over de aard van de leasing activiteiten (IFRS 16.59 onder a)) en over beperkingen en clausules die door leaseovereenkomsten worden opgelegd (IFRS 16.59 onder d)). De informatie hierover in de jaarrekening hebben wij nader bekeken. Zie tabel 8.

Tabel 8.

Aanvullende toelichting.

Aanvullende toelichting over:
Aard leasing activiteiten: n %
Wel: n %
Uitvoerig en gekwantificeerd 9 12
Korte beschrijving 41 57
Wel – totaal 50 69
Geen 22 31
Totaal 72 100
Door leaseovereenkomsten opgelegde beperkingen en clausules: n %
Wel 6 9
Geen 66 91
Totaal 72 100

Uit deze tabel blijkt dat weliswaar 50 jaarrekeningen (69%) de aard van de leasingactiviteiten toelichten, maar dat slechts negen van de 50 (18%) dat uitvoerig en gekwantificeerd doen. Vijf van die negen jaarrekeningen zijn van ondernemingen uit het Verenigd Koninkrijk (met andere woorden: 42% van de Britse jaarrekeningen in de populatie). Deze toelichting vinden we relatief vaak in de jaarrekeningen waarin de impact van de invoering van IFRS 16 boven de mediaan ligt.

Voorts blijkt uit de tabel dat zes (9%) ondernemingen iets toelichten over beperkingen en clausules die leaseovereenkomsten opleggen. Vijf van die zes ondernemingen zijn gevestigd in Nederland (dat wil zeggen: 20% van de onderzochte Nederlandse jaarrekeningen vermeldt iets). We zien die toelichting relatief vaak in de jaarrekeningen waarin de impact van de invoering van IFRS 16 boven de mediaan ligt.

Qua inhoud lezen we in de onderzochte jaarrekeningen bij vier van die zes ondernemingen een afspraak inzake ‘frozen GAAP’6 aangaande convenanten waardoor de invoering van IFRS 16 geen effect heeft op het al dan niet voldoen aan de convenanten. Ook op andere plaatsen zijn we in 11 (15%) jaarrekeningen toelichtingen over de impact van de eerste toepassing van IFRS 16 op convenanten tegengekomen. Al deze jaarrekeningen waren van ondernemingen uit Nederland. In het merendeel betrof het ook hier ‘frozen GAAP’ afspraken.

3. Gevolgen voor andere informatie in de jaarrekening

3.1 Inleiding

De toepassing van IFRS 16 heeft niet alleen gevolgen voor de verwerking van leases in de jaarrekening. Andere gevolgen kunnen betrekking hebben op getallen in de jaarrekening zelf. Daarnaast kunnen de door de toepassing van IFRS 16 in de jaarrekening veranderde getallen impact hebben op andere afspraken van de lessee. Hierna bespreken we enkele van dergelijke gevolgen die we in ons onderzoek zijn tegengekomen.

3.2 Impairment testing

De implementatie van IFRS 16 heeft enkele consequenties voor de wijze waarop activa en kasstroomgenererende eenheden (cash generating units, CGUs) worden getest op bijzondere waardeverminderingen (impairments) in overeenstemming met IAS 36 Impairment of Assets (IAS 36). Te denken valt aan:

  • – Stijging van de boekwaarde als gevolg van het activeren van right-of-use-activa.
  • – Stijging van de verplichtingen als gevolg van het passiveren van leaseverplichtingen en dus een mogelijke invloed op de verhouding eigen-vreemd vermogen bij het bepalen van de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet (Weighted Average Cost of Capital, WACC).
  • – De vraag hoe om te gaan met toekomstige kasstromen uit leases om inconsistenties te voorkomen.

Het ligt voor de hand dat de invoering van een nieuwe accountingstandaard geen invloed heeft op het al dan niet impaired zijn van een CGU. Toch kan dit het geval zijn, met name bij een mechanische bepaling van de bedrijfswaarde (value in use, ViU) aan de hand van IAS 36 zonder rekening te houden met als gevolg van IFRS 16 benodigde aanpassingen.7

Zo leidt IFRS 16 er voor operationele leases toe dat deze als right-of-use-activa op de balans worden opgenomen en dus de boekwaarde van een CGU verhogen. De leaseverplichting wordt niet van die boekwaarde afgetrokken bij de bepaling van de ViU omdat de leaseverplichting onderdeel is van de financiering van de CGU. Bij de bepaling van de reële waarde verminderd met de kosten van afstoting (fair value less cost of disposal, FVLCD) wordt de leaseverplichting wel van de boekwaarde van de CGU afgetrokken maar alleen als bij een eventuele verkoop van de CGU de leases worden meeverkocht. De FVLCD is dan een nettowaarde en daarom wordt bij de vergelijking met de boekwaarde van de CGU de leaseverplichting van de boekwaarde afgetrokken. Indien het nodig is om ook de ViU te vergelijken met de FVLCD (om te bepalen welke de hoogste van de twee is) wordt de leaseverplichting voor hetzelfde bedrag van de ViU afgetrokken.

Dit heeft ook gevolgen voor de in de ViU mee te nemen kasstromen. Immers, indien de leaseverplichting niet van de boekwaarde wordt afgetrokken, worden bij het bepalen van de ViU de toekomstige leasekasstromen evenmin meegenomen en omgekeerd. Daarbij wordt tevens rekening gehouden met vervangende leases (vergelijkbaar met vervangingsinvesteringen).

Wij zagen in slechts zes (8%) jaarrekeningen (waaronder vier van Nederlandse ondernemingen; dat is in 16% van de onderzochte Nederlandse jaarrekeningen) een toelichting over hoe rekening wordt gehouden met de gevolgen van IFRS 16 bij de bepaling van boekwaarde, kasstromen en ViU. Een goed voorbeeld hiervan is Ahold Delhaize (zie figuur 1).

Figuur 1.

Illustratie van goodwill impairment testing: AholdDelhaize, Annual report 2019, note 14, p. 148. https://www.aholddelhaize.com/media/10197/ahold-delhaize-annual-report-2019.pdf

Een ander aspect om rekening mee te houden betreft de disconteringsvoet bij het bepalen van de ViU, de WACC. Bij het bepalen van de WACC gaat een entiteit namelijk niet uit van de verhouding eigen-vreemd vermogen in de eigen onderneming, maar de verhouding die voor dat type onderneming in die markt gebruikelijk is (IAS 36.A19). Hiermee wordt voorkomen dat het al of niet impaired zijn van een actief afhankelijk is van de wijze van financiering. Normaliter wordt de WACC bepaald op basis van actuele marktdata omtrent de verhouding eigen-vreemd vermogen. Die verhouding zou door de invoering van IFRS 16 voor de hele markt moeten zijn gewijzigd, maar daar kan enige vertraging in zitten. Het is dus van belang om bij de bepaling van de te hanteren WACC rekening te houden met de gewijzigde financieringsverhoudingen in de markt. Een bijstelling van deze verhouding verlaagt over het algemeen de WACC (en compenseert daarmee een van de effecten van IFRS 168).9 In de onderzochte jaarrekeningen wordt slechts in één geval het effect op de disconteringsvoet gekwantificeerd, de andere jaarrekeningen lichten dit kwalitatief toe door te vermelden dat bij het bepalen van de WACC rekening is gehouden met de invoering van IFRS 16. De onderneming die het effect op de WACC kwantificeert en daarmee als beter voorbeeld wordt genoemd, is KPN. Zie figuur 2.

Figuur 2.

Illustratie van impairment testing, effect op de WACC: KPN, Integrated annual report 2019, note 11, p. 127. https://ir.kpn.com/download/companies/koninkpnnv/Results/Integrated_Annual_Report_2019.pdf

3.3 Alternatieve prestatiemaatstaven (APMs)

De implementatie van IFRS 16 kan gevolgen hebben voor prestatiemaatstaven zoals die uit de jaarrekening blijken. Dergelijke financiële prestatiemaatstaven kunnen worden onderscheiden in twee groepen. Allereerst zijn er IFRS-maatstaven (zoals eigen vermogen en winst na belastingen); deze worden gedefinieerd in de IFRSs. Daarnaast doelen we op alternatieve prestatiemaatstaven (ook wel aangeduid als ‘non-GAAP measures’ of ‘Alternative Performance Measures’, hierna: APMs). Deze APMs (zoals operationele marge voor bijzondere baten en lasten, EBIT en EBITDA) zijn niet gebaseerd op IFRSs en dus ondernemings-specifiek. IFRS bevat (nog) geen nadere voorschriften voor APMs10, maar beurstoezichthouders zoals ESMA (2015, 2017) en IOSCO (2016) hebben wel principes ontwikkeld die beursgenoteerde ondernemingen moeten naleven.

Indien ondernemingen hun prestaties zoals zij deze via APMs presenteerden vóór IFRS 16 geheel of gedeeltelijk willen blijven presenteren, konden zij nieuwe APMs introduceren dan wel bestaande APMs herdefiniëren. Tabel 9 geeft een overzicht van wat we hebben aangetroffen in de 72 onderzochte jaarrekeningen en bestuursverslagen (hierna: jaarstukken). In totaal hebben 15 ondernemingen (21%), waarvan 8 (32%) uit Nederland en 7 (15%) uit de rest van de EU, 26 APMs geïntroduceerd of aangepast (zie tabel 9).

Tabel 9.

Nieuwe of aangepaste APMs als gevolg van IFRS 16.

Aantal keren dat wijziging/introductie wordt vermeld: Nederland Rest EU Totaal
Balans
(Financial) Net debt: exclusief leaseverplichtingen 2 3 5
(Financial) Net debt: inclusief leaseverplichtingen 1 1 2
Non-operating working capital: na aftrek kortlopende leaseverplichtingen 1 0 1
Winst-en-verliesrekening
Adjusted revenue: revenue exclusief effect IFRS 16 1 0 1
Return on Capital: lease right-of-use-ctiva meegenomen in capital employed 0 1 1
Adjusted EBITDA / EBITDA after leases, adjusted operating EBITDA: na aftrek afschrijving right-of-use-ctiva en rente leaseverplichting 4 2 6
Adjusted EBIT, inclusief afschrijving gebruiksrecht 1 1
Adjusted net income, inclusief afschrijving gebruiksrecht, exclusief rente leaseverplichting 1 1
Kasstroomoverzicht
(Benchmark) Free Cash Flow
a) adjusted for principal lease payments 0 1 1
b) after IAS 17 operating lease payments 1 0 1
c) after leasepayments 2 0 2
d) after net repayment of lease liabilities and lease receivables (both interest and principal) 1 0 1
Adjusted Operating cash flow: less repayments of lease liabilities and lease interest paid. 1 0 1
Ratios
Leverage ratio: verduidelijking dat net financial debt en EBITDA inclusief IFRS 16 zijn 0 1 1
Financing rate: kosten van net financial debt exclusief IFRS 16 gedeeld door gemiddelde net financial debt exclusief IFRS 16 0 1 1
Totaal 14 12 26

De meest aangetroffen wijziging betreft een EBITDA aangepast voor het effect van IFRS 16. Iets vergelijkbaars zien we bij de free/operating cash flows, waar echter op verschillende wijzen wordt gecorrigeerd voor IFRS 16. Sommige zoeken aansluiting bij de impact op de winst-en-verliesrekening en andere bij de daadwerkelijke leasekasstromen.

Een ook veel voorkomende aanpassing/verduidelijking van APM is de berekening van de netto schuldpositie (net debt). Daarbij valt op dat vijf ondernemingen in hun jaarstukken expliciet maken dat leaseverplichtingen voortaan geen onderdeel meer uitmaken van net debt terwijl twee ondernemingen expliciet aangeven leaseverplichtingen wél in net debt mee te nemen. We zijn daarom nagegaan voor alle 72 jaarstukken voor 2019 of de APM net debt (of financial net debt) is gehanteerd en daarbij rekening is houden met leaseverplichtingen. De resultaten zijn weergegeven in tabel 10.

Tabel 10.

Definitie (financial) net debt – inclusief/exclusief leaseverplichtingen.

Nederland Rest EU Totaal
n % n % n %
(Financial) Net debt: zowel inclusief als exclusief leaseverplichtingen 2 8 2 4 4 6
(Financial) Net debt: inclusief leaseverplichtingen 12 48 26 55 38 53
(Financial) Net debt: exclusief leaseverplichtingen 6 24 12 26 18 25
Onduidelijk of leaseverplichtingen wel of niet zijn meegenomen bij bepaling (financial) net debt 3 12 2 4 5 7
Geen gebruik term (financial) net debt 2 8 5 11 7 10
Totaal 25 100 47 100 72 100

Een kleine meerderheid (53%) laat de leaseverplichtingen onderdeel uitmaken van net debt. Maar er is ook een grote groep (25%) die de leaseverplichtingen buiten net debt houdt. Een kleine groep (7%) licht niet toe of leaseverplichtingen wel of niet zijn meegeteld.

ESMA (2015) en IOSCO (2016) bepalen dat bij een wijziging van een APM de vergelijkende cijfers worden aangepast. IFRS 16 staat echter toe dat de vergelijkende cijfers bij eerste toepassing van IFRS 16 aan de hand van de dikwijls gehanteerde beperkt-retrospectieve transitiemethode (zie Arnold et al. 2020, paragraaf 3.1) niet hoeven worden aangepast. In de jaarstukken van de 15 ondernemingen die één of meer APMs wijzigden of introduceerden als gevolg van IFRS 16 gaven zes (40%) aan wat de APM zou zijn geweest in het vergelijkende jaar en één (7%) wat de bedragen zouden zijn voor het nieuwe jaar volgens de oude APM.

Naast nieuwe en aangepaste APMs zijn er APMs waarvan de berekening niet is veranderd maar het effect van IFRS 16 zeer materieel kan zijn. Dan is een toelichting van belang voor de lezer. Tabel 11 geeft aan hoe informatie is verschaft over de impact van IFRS 16 op APMs die niet zijn gewijzigd. Dit kwam voor in 43 (60%) jaarstukken (waarvan 14 (56%) van ondernemingen uit Nederland en 29 (62%) uit de rest van de Europese Unie).

Tabel 11.

Toelichting invloed IFRS 16 op APMs.

Nederland Rest EU Totaal
n % n % n %
Kwalitatieve en kwantitatieve toelichting door toelichting en vermelding financieel effect 1 7 8 28 9 21
kwantitatieve toelichting door vermelding financieel effect 9 64 6 21 15 35
Kwalitatieve toelichting zoals richting effect 2 14 8 28 10 23
Geen toelichting 2 14 7 24 9 21
Totaal 14 100 29 100 43 100

Van deze 43 gaven 10 ondernemingen vergelijkende cijfers bij die APMs. Hiervoor is de belangrijkste reden dat in zes van deze 10 de volledig-retrospectieve transitiemethode is toegepast en reeds daarom alle vergelijkende cijfers zijn gewijzigd, dus ook de bijbehorende APMs. In totaal pasten negen ondernemingen de volledig retrospectieve methode toe, maar bij de overige drie was een aanpassing van de vergelijkende cijfers niet nodig omdat er geen aanpassing van een relevante APM was. Het is niet onbegrijpelijk dat bij toepassing van de beperkt-retrospectieve transitiemethode de vergelijkende cijfers van de APMs door veel ondernemingen niet zijn aangepast aangezien de vergelijkende IFRS cijfers evenmin voor IFRS 16 zijn gewijzigd.

3.4 Bestuurdersbeloningen

De bezoldiging van bestuurders kan, vaak via een bonusregeling, zijn gekoppeld aan uitkomsten in de jaarrekening. De verandering van die uitkomsten als gevolg van de eerste toepassing van IFRS 16 heeft dan direct invloed op de hoogte van de bonus. Op basis van een Richtlijn van de Europese Unie (2017)11 is een element in het bezoldigingsverslag van beursgenoteerde ondernemingen de wijze waarop financiële doelstellingen zijn toegepast bij de beloning.

Onderzocht is of de jaarrekening, het bestuursverslag en/of het remuneratieverslag melding maken van de impact van IFRS 16 op de bestuurdersbeloningen en/of ‘key management’-beloningen. Van de 72 onderzochte jaarrekeningen, bestuursverslagen en remuneratieverslagen doen dat slechts drie (4%) expliciet. In alle gevallen was dit in het remuneratieverslag. Tevens is hierbij vermeld dat de KPIs die de beloning bepalen zijn aangepast om de effecten van IFRS 16 te neutraliseren.

Als ‘best practice’-toepasser kan Unilever worden genoemd. In het remuneratieverslag zijn de aanpassingen van de onderneming in het bezoldigingsbeleid te lezen. Hierin staat wat – in kwalitatieve zin – het effect is geweest van IFRS 16 op ‘non-GAAP measures’ als ‘free cash flow’, ‘cumulative operating cash flow’ en ‘return on invested capital’ en dat hierop daarom aanpassingen zijn gedaan om de effecten van IFRS 16 te verwerken (zie figuur 3).

Figuur 3.

Illustratie van toelichting aanpassing in bezoldigingsbeleid: Unilever, Annual Report and Accounts 2019, p. 62. https://www.unilever.com/Images/unilever-annual-report-and-accounts-2019_tcm244-547893_en.pdf

4. De controleverklaring

De implementatie van IFRS 16 is voor veel ondernemingen een significante inspanning geweest. De controlerend accountant heeft niet alleen het eindresultaat maar ook het proces van dataverzameling, schattingen, onderbouwingen en keuzes beoordeeld. Deze paragraaf gaat over de vraag of de accountant (M/V) hiervan melding maakt in zijn controleverklaring en, zo ja, hoe. Bij de onderzochte jaarrekeningen hebben we alleen goedkeurende controleverklaringen aangetroffen. Echter, de accountant heeft een aantal instrumenten ter beschikking om ook bij een goedkeurende verklaring de aandacht te vestigen op aspecten in de jaarrekening dan wel op zaken die bij de controle meer aandacht van de accountant hebben gevraagd. De accountant kan in de verklaring een Key Audit Matter (KAM)12 opnemen. Daarnaast kan de accountant een Emphasis of Matter (EOM)-paragraaf13 opnemen.

Tabel 12 geeft een overzicht van de aangetroffen vermeldingen over IFRS 16 in de controleverklaringen bij de 72 onderzochte jaarrekeningen. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen de populatie Nederlandse ondernemingen en de rest. Opvallend is dat accountants van de jaarrekeningen van Nederlandse ondernemingen meer dan twee keer zo vaak (36% versus 17%) IFRS 16 als KAM vermelden als accountants bij niet-Nederlandse ondernemingen.

Tabel 12.

Vermeldingen in controleverklaring.

Nederland Rest EU Totaal
n % n % n %
KAM 9 36 8 17 17 24
EOM 0 0 6 13 6 8
Geen van beide 16 64 33 70 49 68
Totaal 25 100 47 100 72 100

In tabel 13 zoomen we hierop in. Bij de 36 jaarrekeningen waar de impact van de invoering van IFRS 16 boven de mediaan ligt heeft de accountant in 19 gevallen (53%) een KAM of EOM opgenomen terwijl bij de 36 jaarrekeningen waarin de invloed onder de mediaan ligt het percentage vermeldingen als KAM of EOM uitkomt op 11%. Dit lijkt te bevestigen dat de omvang van de impact mede bepaalt of de controleverklaring aandacht besteedt aan de impact van IFRS 16.

Tabel 13.

Relatie omvang impact IFRS 16 en vermelding in de controleverklaring.

Nederland Rest EU
Onder mediaan Boven mediaan Onder mediaan Boven mediaan
n % n % n % n %
KAM 0 0 9 47 1 3 7 41
EOM 0 0 0 0 3 10 3 18
Geen van beiden 6 100 10 53 26 87 7 41
Totaal 6 100 19 100 30 100 17 100

Voorts valt op dat bij de jaarrekeningen van Nederlandse ondernemingen waarin het effect van IFRS 16 boven de mediaan ligt, het percentage van de controleverklaringen dat KAMs bevatte 47% is, terwijl dat bij de rest van de EU 41% is. Als we bij de laatste ook de EOMs tellen dan bedraagt het zelfs 59%. Het hoge percentage Nederlandse controleverklaringen met KAMs blijkt dus te kunnen worden verklaard door het feit dat bij de Nederlandse jaarrekeningen het effect van IFRS 16 vaker boven de mediaan ligt dan bij de jaarrekeningen uit de rest van de EU.

Voorts valt op dat de accountant van zes ondernemingen uit de rest van de EU de implementatie van IFRS 16 niet als KAM maar als EOM opneemt. Van deze zes ondernemingen zijn vijf in Frankrijk gevestigd en één in België. Hier vinden we geen verband met de omvang van de impact van IFRS 16. De opvallende Franse praktijk blijkt te zijn veroorzaakt door een eis in het Franse Burgerlijk Wetboek14 volgens welke de accountant rapporteert omtrent elke stelselwijziging. Hoewel de inhoud en het toepassingsgebied van dat artikel verschillend worden geïnterpreteerd, zijn veel accountants de mening toegedaan dat dit artikel mede betrekking heeft op de geconsolideerde IFRS jaarrekening en op verplichte stelselwijzigingen.

Tabel 14 geeft de aspecten weer die de accountant in de KAM of EOM aan de orde stelt.

Tabel 14.

Aspecten in KAM of EOM in controleverklaring.

Nederland Rest EU Totaal
n % n % n %
KAM:
Disconteringsvoet 9 100 6 75 15 88
Leasetermijn incl. verlengings – en beëindigingsopties 9 100 6 75 15 88
Lease vs service (scope en componenten) 1 11 1 13 2 12
Dataverzameling en volledigheid bestand leasecontracten 2 22 3 38 5 29
Overall impact IFRS 16 3 33 0 0 3 18
Proces van implementatie 0 0 2 25 2 12
Redelijkheid van de uitkomsten 0 0 1 13 1 6
Totaal aantal KAMs 9 100 8 100 17 100
EOM:
Referentie aan toelichting in de jaarrekening waarin wordt aangegeven dat IFRS 16 voor het eerst is toegepast 0 6 100 6 100
Totaal aantal EOMs 0 6 100 6 100

Bij de KAMs zien we de bepaling van de disconteringsvoet en de leasetermijn als twee veel voorkomende aspecten van IFRS 16 waaraan de accountant veel aandacht heeft besteed tijdens de controle. Bij de EOMs was de accountant in alle gevallen van mening dat het essentieel is om aandacht te vragen voor het feit dat in 2019 voor het eerst IFRS 16 is toegepast.

Indien de accountant veel aandacht heeft besteed aan bepaalde aspecten van oordeelsvorming en schatting blijkend uit opname als KAM, is de vraag of dezelfde aspecten ook terugkomen in de toelichting op de oordeelsvormingen en schattingen van het management in de jaarrekening zelf. Tabel 15 geeft aan of de drie meest concrete aspecten van oordeelsvorming en schatting zoals genoemd in de KAMs ook in de sectie met belangrijke aspecten van oordeelsvorming en schatting in de jaarrekening staan.

Tabel 15.

Verband tussen KAMs en toelichting oordeelsvorming en schattingen in jaarrekening.

Nederland Rest EU Totaal
Aantal keren vermeld: In KAM Tevens in toelichting In KAM Tevens in toelichting In KAM Tevens in toelichting
Disconteringsvoet 9 5 6 2 15 7
Leasetermijn incl. verlengings – en beëindigingsopties 9 8 6 4 15 12
Lease vs service (scope en componenten) 1 1 1 0 2 1

Hieruit blijkt dat in een relatief groot aantal gevallen de accountant bij de controle veel aandacht besteedt aan een aspect van oordeelsvorming of schatting door het management, terwijl het management zelf dit niet als een belangrijk aspect van schatting of oordeelsvorming ziet. Dit geldt met name voor de bepaling van de disconteringsvoet, maar we zien het ook terug bij de twee andere onderzochte aspecten van IFRS 16.

5. Actuele ontwikkelingen15

5.1 Latente belastingen

Een vraagstuk dat door de introductie van IFRS 16 in de spotlight is komen te staan is wat te doen met latente belastingen bij een transactie zoals een lease die ten tijde van het aangaan niet leidt tot een belastbare winst of verlies en veelal evenmin tot een fiscaal actief en passief, terwijl de jaarrekening wel een actief en verplichting presenteert. Dit komt doordat de verslaggevingsregels van IFRS 16, met op de balans een right-of-use-actief en een leaseverplichting, niet overal ter wereld mogen worden gevolgd in de aangifte winstbelasting. Daarin wordt vaak een andere verwerking zoals van operating leases onder IAS 17 gevolgd. Het right-of-use-actief en de leaseverplichting, die normaliter initieel voor hetzelfde bedrag op de balans terecht komen, worden dan fiscaal niet op die wijze verwerkt.

Aangezien IAS 12 niet voorziet in die situaties, hebben ondernemingen bij de introductie van IFRS 16 hiervoor eigen grondslagen in hun jaarrekening geformuleerd. Deze grondslagen zijn als volgt te groeperen:

  • 1. Bruto-verwerking. Het right-of-use-actief leidt tot een belastbaar tijdelijk verschil en de leaseverplichting tot een verrekenbaar tijdelijk verschil. Deze worden separaat behandeld en initieel worden gelijke tegengestelde latente belastingposities op de balans verwerkt waarna beoordeeld wordt of deze volgens IAS 12 gesaldeerd mogen worden. Vervolgens muteren de beide latenties over de leasetermijn.
  • 2. Netto-verwerking. De leaseovereenkomst wordt als een enkele transactie gezien waarbij het actief en de verplichting integraal samenhangen. Daarom ontstaat geen tijdelijk verschil ten tijde van het aangaan van de leaseovereenkomst. Bij de vervolgverwerking (wanneer het right-of-use-actief en de leaseverplichting niet langer aan elkaar gelijk zijn) ontstaat een tijdelijk verschil met verwerking van een latente belastingpositie.
  • 3. Geen verwerking. De leaseovereenkomst valt onder de initial recognition exemption (IRE) van IAS 12.15 en 24. Zowel ten tijde van aangaan van de leaseovereenkomst als daarna wordt geen latente belastingpositie verantwoord omdat de leaseovereenkomst initieel geen impact heeft op de winst volgens de jaarrekening en de fiscale winst en evenmin voortvloeit uit een business combination.
  • 4. Verwerking afhankelijk van de beoordeling van de lease en de interactie met belastingen. Nagegaan wordt of de aftrekbare leasebetalingen horen bij het right-of-use-actief (in dat geval zijn er bij aanvang geen latenties maar kunnen deze wel ontstaan tijdens de leaseperiode) of bij de leaseverplichting (in dat geval zijn er twee latenties die beide onder de IRE vallen, en dus wordt geen latentie verantwoord). 16

Wij hebben onderzocht of jaarrekeningen een grondslag vermelden en, zo ja, welke. Zie tabel 16.

Tabel 16.

Latente belastingposities bij leases.

Latente belastingposities bij leases
Vermelding grondslag: n %
Wel: n %
Bruto verwerking (1) 10 14
Netto verwerking (2) 8 11
Geen verwerking (3) 0 0
Verwerking als combinatie van (2) en (3) (4) 0 0
Vermelding totaal 18 25
Geen vermelding 54 75
Totaal 72 100

In slechts 18 (25%) van de 72 onderzochte jaarrekeningen is een grondslag ten aanzien van latente belastingen bij leases toegelicht. Opvallend hierbij is dat deze jaarrekeningen alleen van ondernemingen uit Duitsland (drie jaarrekeningen ofwel 27% van de Duitse jaarrekeningen in de populatie), Frankrijk (negen jaarrekeningen ofwel 56% van de Franse jaarrekeningen in de populatie), Nederland (vijf jaarrekeningen ofwel 21% van de Nederlandse jaarrekeningen in de populatie) en Luxemburg (een jaarrekening ofwel 50% van de Luxemburgse jaarrekeningen in de populatie) zijn. In deze 18 jaarrekeningen kiezen er 10 (56%) voor een bruto-verwerking en acht (44%) voor een netto-verwerking. Geen enkele (0%) kiest voor de derde of vierde mogelijkheid.

Als ‘best practice’ op dit punt kan AkzoNobel worden genoemd (zie figuur 4). De gekozen grondslag wordt duidelijk toegelicht. Hieruit kan worden opgemaakt dat methode 2 is gevolgd. Daarnaast is in de transitie-tabel elders in de jaarrekening expliciet inzichtelijk gemaakt dat er geen impact is geweest op de latente belastingposities per 1 januari 2019.

Figuur 4.

Illustratie van impact op latente belastingvoorzieningen: AkzoNobel, Annual report 2019, pp. 75/76. https://www.akzonobel.com/en/node/42461

Inmiddels heeft IASB (2019a) onderkend dat een en ander als gevolg van de introductie van IFRS 16 een belangrijk vraagstuk is en daarom in juli 2019 ED 2019/5 Deferred Tax related to Assets and Liabilities arising from a Single Transaction uitgebracht. Bij het effectief worden van deze aanpassingen aan IAS 12 is alleen een variant van de bruto-verwerking (methode 1) nog toegestaan, weliswaar met enkele complexiteiten. De IASB heeft de verdere behandeling van dit onderwerp op het moment van het schrijven van deze bijdrage op de agenda staan voor het vierde kwartaal van 2020.

Overigens is in géén van de onderzochte jaarrekeningen iets vermeld over de impact van mogelijke wijzigingen van IAS 12 als gevolg van de genoemde exposure draft.

5.2 IFRIC Agenda decisions

IFRS 16 is een nieuwe standaard met een ingrijpende wijziging op de verwerking van leases in de jaarrekening. Bovendien omvat de standaard veel onderwerpen die voorheen minder tot geen aandacht kregen bij het opstellen van de jaarrekening. Het ligt daarom voor de hand dat aan de interpretatiecommissie van de IASB, de IFRIC, veel vragen worden gesteld over de uitleg van de bepalingen in IFRS 16. Naar aanleiding daarvan heeft de IFRIC tot februari 2020 meerdere Agenda decisions17 uitgebracht: IFRIC 6-2019 Subsurface rights, IFRIC 9-2019 Lessee’s incremental borrowing rate, IFRIC 11-2019 Lease term and useful life of leasehold improvements, en IFRIC 1-2020 Definition of a lease – Decision-making rights. We hebben in de onderzochte jaarrekeningen bekeken of en in hoeverre deze vier Agenda decisions worden genoemd. Zie tabel 17.

Tabel 17.

IFRIC Agenda decisions.

IFRIC Agenda decisions, al dan niet genoemd in jaarrekening 2019:
IFRIC 6-2019 Subsurface rights: n %
Wel 3 4
Niet 69 96
Totaal 72 100
IFRIC 9-2019 Lessee’s incremental borrowing rate:
Wel 1 1
Niet 71 99
Totaal 72 100
IFRIC 11-2019 Lease term and useful life of leasehold improvements:
Wel 7 10
Niet 65 90
Totaal 72 100
IFRIC 1-2020 Definition of a lease – Decision-making rights:
Wel 1 1
Niet 71 99
Totaal 72 100

In deze tabel valt onmiddellijk op dat aan de Agenda decisions van de IFRIC naar aanleiding van vragen uit de praktijk expliciet in de jaarrekeningen nauwelijks enige aandacht wordt gegeven. De enkele ondernemingen die in hun jaarrekeningen Agenda decisions noemen, zijn voornamelijk afkomstig uit Frankrijk en Nederland.

6. Conclusies

In deze bijdrage onderzoeken we in de jaarrekeningen 2019 van beursgenoteerde ondernemingen in Nederland en de rest van de EU enkele effecten van de implementatie van IFRS 16 op toelichting, andere aspecten van de jaarrekening, controleverklaring en actuele ontwikkelingen.

Allereerst in paragraaf 2 over informatie die IFRS 16 specifiek vraagt. Vaak kwamen we informatie over short term en low value leases tegen. Ook de boekwaarde van de right-of-use-activa ultimo jaar en de toevoegingen eraan gedurende het jaar worden (vrijwel) altijd gegeven. De aard van de leasingactiviteiten wordt eveneens dikwijls toegelicht.

Veel minder informatie hebben we aangetroffen over variabele leasebetalingen en sublease-inkomsten. Nauwelijks worden toekomstige variabele leasebetalingen en mogelijke toekomstige leasebetalingen toegelicht. Opvallend is dat in jaarrekeningen waarin de impact van IFRS 16 boven de mediaan ligt, hieraan nog iets minder aandacht wordt besteed dan in jaarrekeningen met een impact onder de mediaan.

Interessant is dat de toevoegingen aan de right-of-use-activa in minder dan de helft van de jaarrekeningen meer bedragen dan de afschrijvingslasten, en dat we slechts een beperkt aantal sale-and-leaseback-transacties hebben aangetroffen. Met name gezien de transitiebepalingen van IFRS 16 is het te vroeg om al iets te concluderen over een verandering bij ondernemingen met betrekking tot het afsluiten van leases.

Voorts hebben we de impact van de (soms forse) gevolgen (zie Arnold et al. 2020, paragraaf 4.3) van de invoering van IFRS 16 op andere aspecten van de jaarrekening onderzocht. Allereerst bij de impairmenttest voor de effecten op de boekwaarde, kasstromen en disconteringsvoet. Slechts weinig ondernemingen lichten die in hun jaarrekening toe. Nederlandse ondernemingen doen dat relatief wat meer en beter.

Met betrekking tot alternatieve prestatiemaatstaven in de jaarrekening en het bestuursverslag hebben we in een aantal gevallen nieuwe of veranderde APMs gezien. Ongewijzigde APMs kwamen we veel vaker tegen. In ieder geval kan de toelichting op de effecten van IFRS 16 op APMs naar onze mening worden verbeterd.

Voor wat betreft de bezoldiging van bestuurders heeft de impact van IFRS 16 op (het beleid inzake) de bestuurdersbezoldiging, of afwezigheid ervan, in slechts weinig gevallen tot nadere informatie geleid. Dit ondanks recente wetgeving die onder andere meer transparantie richting aandeelhouders over beloning van bestuurders en meer invloed op beloning van die bestuurders door de aandeelhouders wil realiseren.

Naast de impact van de invoering van IFRS 16 op de jaarrekening 2019 hebben we de gevolgen ervan voor de controleverklaring bij die jaarrekening onderzocht. In ruim een derde deel van de verklaringen krijgt IFRS 16 aandacht via een KAM of EOM, in Nederland iets vaker dan in de rest van de EU. Dit lijkt vooral veroorzaakt door de relatief grotere invloed van IFRS 16 bij de Nederlandse ondernemingen dan bij de ondernemingen uit de rest van de EU in de populatie. Zeer vaak zijn de disconteringsvoet en de leasetermijn (inclusief opties) de aandachtspunten in de KAMs. Opvallend is dat in de KAM’s genoemde belangrijke elementen van schatting en oordeelsvorming niet in alle gevallen door de onderneming zelf als zodanig worden onderkend en toegelicht.

Ten slotte hebben we bezien of de jaarrekeningen ingaan op actuele ontwikkelingen op het terrein van IFRS-regels. Zo zijn de IFRSs niet duidelijk over de verwerkingswijze van latente belastingposities vanwege het op de balans opnemen van right-of-use-activa en leaseverplichtingen. De grondslag daarvoor troffen we in slechts een kwart van de jaarrekeningen aan. Dat zou beter moeten kunnen. De wel vermelde grondslag is divers. Het is wachten op de omzetting door de IASB van concept-verwerkingsregels in definitieve.

Tot aan het verschijnen van de jaarrekeningen 2019 zijn meerdere IFRIC Agenda decisions over leases verschenen. Daaraan wordt in de onderzochte jaarrekeningen nauwelijks aandacht gegeven.

We sluiten af met twee opmerkingen. Allereerst dat we in ons onderzoek niet hebben kunnen nagaan of het niet vermelden van informatie terecht is. Wel lijkt nader onderzoek naar minder verstrekte informatie interessant. Vragen hierbij kunnen zijn of lessees überhaupt over die informatie beschikken, misschien immaterieel achten, of wellicht om andere redenen niet geven. Anderzijds zou onder gebruikers kunnen worden onderzocht in hoeverre ze die informatie missen. Een tweede opmerking betreft geconstateerde verschillen tussen jaarrekeningen naar land van herkomst van de onderneming, branche waarin de onderneming actief is, en het effect van de eerste toepassing van IFRS 16. De mogelijke oorzaken voor die verschillen hebben we niet onderzocht. Ook dat lijkt ons een interessant onderwerp voor nader onderzoek.

Mr. drs. J.B. Backhuijs RA was voorheen werkzaam op de vaktechnische afdeling van een accountantskantoor

R.J.J. van Oosterbosch MSc RA is als senior manager werkzaam op de vaktechnische afdeling van PricewaterhouseCoopers Accountants N.V. en als examinator Financiële Verslaggeving verbonden aan Tilburg University

Prof. dr. L.G. van der Tas RA is vaktechnisch partner bij Ernst & Young Accountants LLP en hoogleraar Financiële Verslaggeving aan Tilburg University

Dankwoord

De auteurs danken Souad Aghmir (PwC), Marnix Elferink (KPMG), Ra’ees Mahomed (PwC), Kurmanbek Meirkulov (EY), Jelmar Rozema (EY), Heinrich Stapelberg (KPMG) en Dino Tsafantakis (PwC) voor hun bijdrage aan het empirisch onderzoek.

Noten

1

De onderzoekspopulatie voor dit onderzoek bestaat uit de 50 grootste niet-financiële instellingen die op 31 december 2019 in de FTSEurofirst 100 index zijn opgenomen alsmede de (overige) Nederlandse beursvennootschappen uit de AEX en AMX die tevens waren opgenomen in de onderzoekspopulatie van Arnold en Tahtah (2017). De volgende ondernemingen zijn verwijderd uit de onderzoekspopulatie: (1) ondernemingen die IFRS 16 vervroegd hebben toegepast en (2) ondernemingen met een gebroken boekjaar waarvan de jaarrekening over het eerste jaar van toepassing van IFRS 16 nog niet was gepubliceerd op het moment van ons onderzoek. Aldus bestaat de onderzoekspopulatie uit de jaarrekeningen van 72 ondernemingen, waarvan 25 AEX en AMX fondsen die tevens waren opgenomen in het onderzoek van Arnold en Tahtah (2017, destijds 37 ondernemingen) en 47 overige Europese ondernemingen die zijn opgenomen in de FTSEurofirst 100 index. Verwezen wordt naar de bijlage voor een overzicht van de onderzochte jaarverslagen.

2

Nadere details over wat short term leases en low value leases zijn, staan in IFRS 16.A, B3–8 en BC91–104.

3

Het percentage van 25% is door ons hier en verder in dit artikel gekozen als de grens voor een sterke impact.

4

Dat zijn betalingen van de lessee aan de lessor voor het gebruik van het onderliggende actief die variëren als gevolg van veranderingen in feiten of omstandigheden die na de aanvangsdatum optreden en die niet met het verstrijken van de tijd verband houden (IFRS 16.27 sub b), 28 en A).

5

Zie IAS 16, Property, plant and equipment.

6

Een afspraak over ‘frozen GAAP’ houdt in dat de verslaggevingsgrondslagen van de onderneming op het moment van het opstellen van het convenant toegepast blijven worden voor het berekenen van de convenanten gedurende de looptijd van de lening. Ook als de onderneming tussentijds verslaggevingsgrondslagen wijzigt.

7

Dit is te meer van belang omdat de realiseerbare waarde veel vaker wordt bepaald aan de hand van de ViU in plaats van de Fair value less cost of disposal (FVLCD); zie bijvoorbeeld Backhuijs and Bosman (2010).

8

Normaliter is de WACC namelijk hoger dan de disconteringsvoet bij discontering van de leaseverplichting (tegen de impliciete rentevoet in de lease of de incrementele leenvoet). De boekwaarde van de CGU stijgt dus met een groter bedrag dan de ViU. Indien hiervoor niet wordt gecorrigeerd, kan dit leiden tot een impairment of verminderde headroom. Een dergelijke onbedoelde consequentie van IFRS 16 wordt ondervangen door de aangepaste WACC te hanteren.

9

Voor een uitgebreide analyse van de gevolgen van de invoering van IFRS 16 voor de bepaling van de disconteringsvoet wordt verwezen naar EY (2018), KPMG (2019) en PwC (2019).

10

IASB (2019b) heeft Exposure Draft ‘General Presentation and Disclosures’ gepubliceerd waarin bepaalde subtotalen zoals operating income worden gedefinieerd en nadere regels worden gesteld aan zogenaamde Management Performance Measures.

11

De bepalingen uit deze Richtlijn zijn per 1 december 2019 opgenomen in de Nederlandse wetgeving. Verschillende elementen uit deze wetgeving waren in Nederland al van toepassing op beursgenoteerde ondernemingen via de Corporate Governance Code.

12

KAMs zijn “Those matters that, in the auditor’s professional judgment, were of most significance in the audit of the financial statements of the current period” (ISA/COS 701, par. 8).

13

Een EOM is een “paragraph included in the auditor’s report that refers to a matter appropriately presented or disclosed in the financial statements that, in the auditor’s judgment, is of such importance that it is fundamental to users’ understanding of the financial statements” (ISA/COS 706 par. 7).

14

Zie artikel L123-17 van de Code de Commerce in Frankrijk.

15

In mei 2020 heeft de IASB gepubliceerd IFRS 16 COVID-19-Related Rent Concessions Amendment. Deze wijziging van IFRS 16 is in het voorjaar 2020 tot stand gekomen en daarom niet in deze bijdrage onderzocht.

16

Deze methode is volgens de IFRIC-staf de enig juiste interpretatie van de huidige IAS 12 (zie IFRIC Agenda paper 4, maart 2018). IFRIC is daarin niet meegegaan.

17

Een Agenda decision van de IFRIC geeft aan waarom een aan de IFRIC voorgelegde vraag niet op de agenda wordt gezet (dus niet zal leiden tot een voorstel voor een interpretatie of een aanpassing van de standaard). Daarbij wordt wel inhoudelijk ingegaan op de vraag en wordt aangegeven tot welk oordeel de lezing van de standaarden naar de mening van de IFRIC leidt. De IFRS Foundation (2020) heeft in augustus j.l. aangegeven dat de Agenda decisions moeten worden toegepast, maar dat ondernemingen enige tijd hebben om de implementatie ervan door te voeren.

Literatuur

  • Arnold C, Brouwer AJ, Tahtah J (2020) De adoptie van IFRS 16 door Europese ondernemingen. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 94(11/12): 343–353. https://doi.org/10.5117/mab.94.55540
  • IASB [International Accounting Standards Board] (2016) Leases. Londen, Januari 2016.

Bijlage 1

Ondernemingen waarvan de jaarrekening 2019 is onderzocht.

Naam Land van vestiging Branche Impact IFRS 16 x)
Aalberts Nederland Industrie Boven
Adidas Duitsland Consumentenproducten Boven
Ahold Delhaize Nederland Consumentenproducten Boven
Air Liquide Frankrijk Basismaterialen Boven
Airbus Frankrijk Industrie Onder
AkzoNobel Nederland Basismaterialen Onder
Altice Europe Nederland Telecommunicatie Boven
Anglo American Verenigd Koninkrijk Basismaterialen Onder
Anheuser-Busch InBev België Consumentenproducten Onder
Aperam Luxemburg Industrie Onder
Arcadis Nederland Zakelijke & consumenten dienstverlening Boven
ArcelorMittal Luxemburg Basismaterialen Onder
ASM International Nederland Technologie Onder
AstraZeneca Verenigd Koninkrijk Gezondheidszorg Onder
BAM Groep Nederland Industrie Boven
BASF Duitsland Industrie Onder
Bayer Duitsland Gezondheidszorg Onder
BE Semiconductor Industries Nederland Technologie Onder
BMW Duitsland Consumentenproducten Onder
Boskalis Nederland Zakelijke & consumenten dienstverlening Onder
BP Verenigd Koninkrijk Olie & gas Boven
British American Tobacco Verenigd Koninkrijk Basismaterialen Onder
Corbion Nederland Industrie Boven
Daimler Duitsland Consumentenproducten Onder
Danone Frankrijk Consumentenproducten Onder
Deutsche Boerse Duitsland Zakelijke & consumenten dienstverlening Onder
Deutsche Telekom Duitsland Telecommunicatie Boven
DSM Nederland Basismaterialen Onder
E.ON Duitsland Nutsbedrijven Onder
Enel Italië Nutsbedrijven Onder
Engie Frankrijk Nutsbedrijven Onder
Eni Italië Olie & gas Boven
EssilorLuxottica Frankrijk Consumentenproducten Boven
Experian Verenigd Koninkrijk Zakelijke & consumenten dienstverlening Onder
Fugro Nederland Zakelijke & consumenten dienstverlening Boven
Galapagos België Gezondheidszorg Onder
GlaxoSmithKline Verenigd Koninkrijk Gezondheidszorg Onder
GrandVision Nederland Consumentenproducten Boven
Heineken Nederland Consumentenproducten Boven
Iberdrola Spanje Nutsbedrijven Onder
IMCD Group Nederland Industrie Boven
Inditex Spanje Consumentenproducten Boven
Intertrust Nederland Zakelijke & consumenten dienstverlening Boven
Kering Frankrijk Consumentenproducten Boven
Koninklijke Philips Nederland Gezondheidszorg Boven
KPN Nederland Telecommunicatie Boven
London Stock Exchange Group Verenigd Koninkrijk Zakelijke & consumenten dienstverlening Onder
L’Oreal Frankrijk Consumentenproducten Boven
LVMH Frankrijk Consumentenproducten Boven
National Grid Verenigd Koninkrijk Nutsbedrijven Onder
OCI Nederland Basismaterialen Boven
Orange Frankrijk Telecommunicatie Boven
PostNL Nederland Zakelijke & consumenten dienstverlening Boven
Randstad Nederland Zakelijke & consumenten dienstverlening Boven
Reckitt Benckiser Group Verenigd Koninkrijk Consumentenproducten Onder
Rio Tinto Verenigd Koninkrijk Basismaterialen Onder
Safran Frankrijk Industrie Onder
Sanofi Frankrijk Gezondheidszorg Onder
SAP Duitsland Technologie Boven
Schneider Electric Frankrijk Industrie Boven
Shell Verenigd Koninkrijk Olie & gas Boven
TKH Group Nederland Technologie Boven
Total Frankrijk Olie & gas Onder
Unilever Nederland Consumentenproducten Boven
Veolia Environnement Frankrijk Nutsbedrijven Boven
Vinci Frankrijk Industrie Onder
Vivendi Frankrijk Zakelijke & consumenten dienstverlening Boven
Vodafone Group Verenigd Koninkrijk Telecommunicatie Boven
Volkswagen Duitsland Consumentenproducten Onder
Vonovia Duitsland Zakelijke & consumenten dienstverlening Onder
Vopak Nederland Olie & gas Boven
Wolters Kluwer Nederland Zakelijke & consumenten dienstverlening Onder