Print
De adoptie van IFRS 16 door Europese ondernemingen
expand article infoCoen Arnold§, Arjan Brouwer§, Jay Tahtah|
‡ KPMG, Amsterdam, Netherlands
§ Vrije Universiteit, Amsterdam, Netherlands
| PwC, Amsterdam, Netherlands
Open Access

Samenvatting

In dit artikel doen we verslag van onderzoek naar de implementatie van IFRS 16 door de grootste Europese en Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen. Uit het onderzoek blijkt dat veel ondernemingen gebruik hebben gemaakt van de praktische opties die IFRS 16 biedt om de overgang en de daarmee gemoeide kosten beheersbaar te houden. Het gevolg hiervan zal wel zijn dat dit de vergelijkbaarheid van en inzicht in de leaseverplichtingen en -activa nog een langere periode na de overgang zal beïnvloeden.

De invoering van IFRS 16 heeft bij veel ondernemingen een grote impact gehad op belangrijke financiële maatstaven. De impact blijkt bovendien groter te zijn dan in Arnold and Tahtah (2017) werd ingeschat op basis van de in 2016 jaarrekeningen opgenomen toelichtingsinformatie over de leaseverplichtingen. Dit wordt mogelijk verklaard door een robuustere interne beheersing ten aanzien van de in de primaire overzichten te verwerken bedragen dan ten aanzien van toelichtingsinformatie.

Trefwoorden

Leases, IFRS, IFRS 16

Relevantie voor de praktijk

IFRS 16 is een nieuwe standaard met grote impact op belangrijke financiële maatstaven bij veel ondernemingen. Een goed begrip van de impact van de invoering ervan is van belang voor stakeholders. Daarnaast geeft dit artikel inzicht in het nut van verwerking van informatie in de primaire overzichten ten opzichte van vermelding in de toelichting.

1. Inleiding

Met ingang van boekjaren die starten op of na 1 januari 2019 is IFRS 16 van toepassing op de verwerking van leasecontracten. IFRS 16 introduceert één model voor de verwerking van leases door lessees. Waar in het verleden operationele leases niet op de balans werden verwerkt en de verplichtingen uit hoofde van die leases alleen werden toegelicht, moeten op basis van IFRS 16 nagenoeg alle leaseverplichtingen op de balans worden verantwoord.

Met deze wijziging heeft de International Accounting Standards Board (IASB) voor lessees een einde gemaakt aan het enigszins arbitraire onderscheid tussen operationele en financiële leases die de vergelijkbaarheid van ondernemingen heeft bemoeilijkt. Naast een betere vergelijkbaarheid heeft de IASB met de aanpassingen beoogd dat investeerders een beter inzicht krijgen in de geleasde activa en leaseverplichtingen en de effecten van leases niet langer geschat hoeven te worden. Een schatting die volgens de IASB vaak leidt tot een overstatement van de leaseverplichtingen.1 Zie Arnold and Tahtah (2017) voor een schatting van de verwachte impact van IFRS 16 op basis van de jaarrekening 2016.

Uitgaande van de efficiënte markthypothese (Fama 1970) zou het niet uit moeten maken of informatie wordt opgenomen in de toelichting of in de primaire overzichten. De Incomplete Revelation Hypothesis (Bloomfield 2002) en de Limited Attention Theory (Hirshleifer and Teoh 2003) voorspellen echter dat informatie die in de toelichting is opgenomen minder snel zijn weg vindt naar de gebruikers van de jaarrekening dan informatie die is opgenomen in de primaire overzichten. Daarnaast is het mogelijk dat informatie die wordt opgenomen in de primaire overzichten betrouwbaarder is dan informatie in de toelichting doordat ondernemingen hier meer aandacht aan besteden en robuustere processen en interne controles inrichten voor informatie die op de balans of in de winst-en-verliesrekening wordt verantwoord dan voor toelichtingsinformatie. Clor-Proell and Maines (2014) concluderen op basis van een experiment dat managers van beursfondsen meer zorgvuldigheid in acht nemen en minder strategisch gedrag vertonen bij bedragen die in de primaire overzichten verwerkt worden dan voor toelichtingen. Cotter and Zimmer (2003) concluderen dat het verschil in waarderelevantie tussen verwerkte en toegelichte reële waardes niet met de verwerking als zodanig te maken heeft, maar met een lagere gepercipieerde betrouwbaarheid van toelichtingsinformatie. Müller et al. (2015) concluderen dat zowel informatieverwerkingskosten als betrouwbaarheidsverschillen van invloed zijn op de mate waarin gebruikers verwerkte respectievelijk toegelichte reële waardes meenemen in hun investeringsbeslissingen. Op basis van een literatuurstudie concluderen Barone et al. (2014) dat toegelichte leaseverplichtingen relevant zijn voor investeerders, maar dat gebruikers en accountants de kwaliteit en betrouwbaarheid van op de balans verantwoorde leaseverplichtingen hoger inschatten.

In dit artikel presenteren we de resultaten van onderzoek naar de eerste toepassing van IFRS 16 in de jaarrekening over het boekjaar 2019 van de grootste Nederlandse en Europese beursgenoteerde ondernemingen. In paragraaf 2 beschrijven we de onderzoekspopulatie. In paragraaf 3 presenteren we de resultaten van onderzoek naar gemaakte keuzes bij de overgang naar IFRS 16 en opgenomen toelichtingen alsmede de kwantitatieve impact die de overgang heeft gehad op belangrijke financiële maatstaven. Ten slotte onderzoeken we in hoeverre het inzicht dat nu via de verwerkte leaseactiva en verplichtingen wordt gegeven kon worden ingeschat op basis van de toegelichte leaseverplichtingen en het model dat is gehanteerd in Arnold and Tahtah (2017). We sluiten in paragraaf 4 af met een slotbeschouwing en conclusie.

2. De onderzoekspopulatie

De onderzoekspopulatie voor dit onderzoek bestaat uit de vijftig grootste niet-financiële instellingen die in de FTSEurofirst 100 index zijn opgenomen alsmede de (overige) Nederlandse beursvennootschappen uit de AEX en AMX en die tevens waren opgenomen in de onderzoekspopulatie van Arnold and Tahtah (2017), dit laatste mede ten behoeve van de vergelijking van de resultaten van dit onderzoek met de resultaten van Arnold and Tahtah (2017). De volgende ondernemingen zijn verwijderd uit de onderzoekspopulatie: (1) zes ondernemingen die IFRS 16 vervroegd hebben toegepast en (2) drie ondernemingen met een gebroken boekjaar waarvan de jaarrekening over het eerste jaar van toepassing van IFRS nog niet was gepubliceerd. Na toepassing hiervan bestaat de onderzoekspopulatie uit 72 ondernemingen, waarvan 29 AEX- en AMX-fondsen die tevens waren opgenomen in het onderzoek van Arnold and Tahtah (2017, destijds 37 ondernemingen) en 43 overige Europese ondernemingen die zijn opgenomen in de FTSEurofirst 100-index, zie Tabel 1. Verwezen wordt naar de Bijlage 1 voor een overzicht van de onderzochte jaarverslagen.

Tabel 1.

Onderzoekspopulatie.

AEX, AMX FTSEurofirst 100
Onderzoekspopulatie Arnold and Tahtah (2017) resp. 50 grootste Europese niet-financiële instellingen 37 50
Vervroegde toepassing IFRS 16 (5) (1)
Gebroken boekjaar, jaarrekening nog niet beschikbaar - (3)
Tevens opgenomen in AEX, AMX (4)
Niet langer opgenomen in AEX, AMX (3)
Onderzoekspopulatie 29 43

In Tabel 2 wordt inzicht gegeven in de marktkapitalisatie van de in de populatie opgenomen ondernemingen. Hieruit blijkt dat de in het onderzoek betrokken ondernemingen sterk variëren in omvang waarbij de AEX en AMX ondernemingen gemiddeld een veel lagere marktkapitalisatie hebben dan de FTSEurofirst 100-ondernemingen (EUR 14 miljard versus EUR 51 miljard). De totale marktkapitalisatie van de onderzochte ondernemingen bedraagt EUR 2.614 miljard.

Tabel 2.

Marktkapitalisatie van de onderzoekspopulatie.

(EUR miljoen) AEX, AMX FTSEurofirst 100 Totaal
Minimum 344 6.310 344
Maximum 155.260 191.910 191.910
Gemiddeld 14.723 51.153 36.299

3. Resultaten empirisch onderzoek

Bij de eerste toepassing van IFRS 16 maakt de onderneming een aantal keuzen. Hiervoor kent IFRS 16 uitgebreide overgangsbepalingen of -vrijstellingen (‘transition options’), waarin onder andere ‘praktische benaderingen’ (‘practical expedients’) zijn opgenomen, die de overgang kunnen vereenvoudigen. In paragraaf 3.1 wordt de toepassing van de overgangsmethode en enkele praktische benaderingen nader onderzocht.

3.1. Overgangsmethode

Leasedefinitie

De standaard geldt niet alleen voor alle nieuwe contracten vanaf 1 januari 2019, maar ook voor de dan reeds bestaande leaseovereenkomsten. De lessee heeft echter de praktische mogelijkheid om de leases over te nemen zoals voorheen bepaald onder IAS 17 en IFRIC 4 (IASB, 2016c) en de nieuwe definitie van een lease onder IFRS 16 alleen toe te passen op nieuwe leases die worden afgesloten vanaf de eerste toepassingsdatum (zogenaamde ‘grandfathering’).

Deze praktische mogelijkheid, bedoeld om de overgang naar IFRS 16 significant te vereenvoudigen, is door de overgrote meerderheid ook daadwerkelijk toegepast bij zowel AEX/AMX (79%) als FTSEurofirst (72%), zie Tabel 3.

Tabel 3.

Toepassing van de practical expedient ‘grandfathering leasedefinitie’.

AEX, AMX
(n = 29)
FTSEurofirst (n = 43) Totaal
(n = 72)
n % n % n %
Ja 23 79 31 72 54 75
Nee 5 17 8 19 13 18
Onbekend 1 3 4 9 5 7
Totaal 29 100 43 100 72 100

Overgangsmethode IFRS 16

Belangrijk is ook de keuze van de overgangsmethode om de effecten van IFRS 16 in het jaar van overgang te verwerken. IFRS 16 geeft daarbij de keuze tussen de overgangsmethoden volledig-retrospectief (‘full retrospective’ volgens IAS 8) of beperkt-retrospectief (‘modified retrospective’). De overgangsmethode volledig-retrospectief leidt tot een consistente verwerking van leases in de jaarrekening en er kan worden gesteld dat dit leidt tot een relatief goed inzicht in de financiële positie omtrent leases. Echter, slechts een beperkt deel van de ondernemingen (13%) heeft de overgangsmethode volledig-retrospectief toegepast. Dit is het gevolg van de significante implementatiekosten gemoeid met de toepassing van deze overgangsmethode. Hierbij dient IFRS 16 namelijk volledig met terugwerkende kracht te worden toegepast vanaf het moment van aangaan van de bestaande leases op eerste toepassingsmoment (alsof de bepalingen van IFRS 16 altijd zouden zijn toegepast). Tevens worden hierbij de vergelijkende cijfers aangepast over 2018 en wordt het cumulatieve effect verwerkt in het openingsvermogen van het vergelijkende jaar 2018. Het overgrote deel (87%) van de ondernemingen kiest voor de beperkt-retrospectieve overgangsmethode. Hierbij is voor alle leases de leaseverplichting op overgangsdatum (over het algemeen 1 januari 2019) bepaald op basis van de marginale rentevoet op dat moment en deze is per 1 januari 2019 opgenomen zonder de vergelijkende cijfers aan te passen, zie Tabel 4.

Tabel 4.

Gehanteerde overgangsmethode.

AEX, AMX
(n = 29)
FTSEurofirst (n = 43) Totaal
(n = 72)
n % n % n %
Volledig-retrospectief 5 17 4 9 9 13
Beperkt-retrospectief 24 83 39 91 63 87
Totaal 29 100 43 100 72 100

Voor de meeste sectoren is geen consistentie te vinden tussen de gehanteerde overgangsmethode, hetgeen de vergelijkbaarheid voor gebruikers niet ten goede komt. Uitzonderingen hierop zijn de olie en gas-, farmaceutische en technologiesectoren waar consistent de beperkt-retrospectieve overgangsmethode is gehanteerd.

Keuzes bij de beperkt-retrospectieve overgangsmethode

Bij de beperkt-retrospectieve overgangsmethode past de lessee de vergelijkende cijfers niet aan en verwerkt deze het cumulatieve effect in het openingsvermogen van 2019. De lessee bepaalt de leaseverplichting op basis van de contante waarde van de resterende betalingen vanaf 1 januari 2019 gebruikmakend van de marginale rentevoet (‘incremental borrowing rate’) van de lessee op deze overgangsdatum. De beperkt-retrospectieve methode geeft voor de eerste verwerking/waardering van het leaseactief twee opties, per leaseovereenkomst afzonderlijk te bepalen:

(i) alsof IFRS 16 altijd zou zijn toegepast, echter met gebruikmaking van de marginale rentevoet van de lessee op 1 januari 2019; of

(ii) de initiële waardering van het leaseactief is gelijk aan het bedrag van de leaseverplichtingen op 1 januari 2019.

De meest eenvoudige overgangsmethode is de beperkt-retrospectieve methode met initiële waardering van het leaseactief gelijk aan de leaseverplichting op 1 januari 2019 (optie ii). Deze methode is door de overgrote meerderheid toegepast bij leases, met name voor niet-significante leaseovereenkomsten. Deze methode geeft het minste inzicht in de financiële positie omtrent leases. Deze methode leidt namelijk tot inconsistente verwerking van leases in de jaarrekening, hetgeen zichtbaar blijft tot (ver) na 2019. Voordeel van deze methode is dat het geen negatief effect heeft op het eigen vermogen per 1 januari 2019 en dat de implementatiekosten lager zijn, nadeel van deze methode is dat deze leidt tot relatief hogere afschrijvingen na 2019. Het kan bij langlopende leasecontracten (dus) nog jaren duren alvorens dit overgangseffect is verdwenen.

Uit Tabel 5 blijkt dat de meeste (68%) ondernemingen hebben gekozen om voor alle leases de waarde van het leaseactief gelijk te stellen aan de leaseverplichting. Blijkbaar vonden zij de nadelen bij deze methode van minder belang dan de voordelen. Een beperkt deel van de populatie (11%) heeft bij deze overgangsmethode de keuze gemaakt om het leaseactief wel te herrekenen en niet gelijk te stellen aan de leaseverplichting op 1 januari 2019 en 16% heeft deze keuze gemaakt voor specifieke leases. Bij deze laatste is dit waarschijnlijk toegepast op (alleen) de grootste leaseovereenkomsten, dit om het effect van de hogere afschrijven na 2019 deels te elimineren, maar dat kan niet worden afgeleid uit de toelichting.

Tabel 5.

Bepaling van de waarde van het leaseactief.

AEX, AMX (n = 24) FTSEurofirst (n = 39) Totaal (n = 63)
n % n % n %
Gelijk aan leaseverplichting 15 63 28 72 43 68
Retrospectief 5 21 2 5 7 11
Op lease-by-lease basis 3 13 7 18 10 16
Onbekend 1 4 2 5 3 5
Totaal 24 100 39 100 63 100

Portfolio approach voor de bepaling van de disconteringsvoet

De beperkt-retrospectieve overgangsmethode bevat de praktische mogelijkheid om eenzelfde disconteringsvoet te bepalen voor een portfolio van leaseovereenkomsten met vergelijkbare kenmerken, in plaats van deze te bepalen per individuele leaseovereenkomst. Slechts 40% geeft aan gebruik te hebben gemaakt van deze praktische mogelijkheid. Dit is beperkt gezien de overwegend grote hoeveelheid individuele leaseovereenkomsten bij ondernemingen en de tijdrovende exercitie om een disconteringsvoet te bepalen voor individuele leaseovereenkomsten. Mogelijkerwijs zitten ook bij de ondernemingen die dit niet hebben toegelicht (33%) ondernemingen die wel deze praktische mogelijkheid hebben toegepast maar dit niet hebben toegelicht, zie ook Tabel 6.

Tabel 6.

Toepassing van de portfolio approach voor de bepaling van de disconteringsvoet.

AEX, AMX (n = 24) FTSEurofirst (n = 39) Totaal (n = 63)
n % n % n %
Ja 10 42 15 39 25 40
Nee 7 29 10 26 17 27
Onbekend 7 29 14 36 21 33
Totaal 24 100 39 100 63 100

Bijzondere waardeverminderingen en de voorziening verlieslatende leases op overgangsdatum

De eerste toepassing van IFRS 16 leidt tot de opname van extra activa op de balans. Dit betekent dat deze activa ook onderdeel worden van kasstroomgenererende eenheden die zijn onderworpen aan een beoordeling of test op bijzondere waardevermindering op basis van IAS 36. De beperkt-retrospectieve overgangsmethode bevat echter de praktische mogelijkheid om op de overgangsdatum een beoordeling op bijzondere waardevermindering achterwege te laten en te steunen op de bepaling van de voorzieningen voor verlieslatende contracten onder IAS 37. In dat geval wordt het bedrag dat bij toepassing van IAS 37 was opgenomen als voorziening voor verlieslatende contracten in mindering gebracht op de waarde van de leaseactiva op overgangsdatum. Slechts 16% heeft geen gebruik gemaakt van deze praktische mogelijkheid, 24% van de ondernemingen licht niet toe of wel of niet gebruik is gemaakt van deze mogelijkheid, zie Tabel 7. Bij de overgrote meerderheid van deze ondernemingen is verder geen toelichting verstrekt over de resultaten van een uitgevoerde beoordeling van bijzondere waardevermindering op overgangsdatum.

Tabel 7.

Praktische mogelijkheid om de voorziening voor verlieslatende contracten in mindering te brengen op de waarde van het leaseactief.

AEX, AMX (n = 24) FTSEurofirst (n = 39) Totaal (n = 63)
n % n % n %
Ja 14 58 24 61 38 60
Nee 5 21 5 13 10 16
Onbekend 5 21 10 26 15 24
Totaal 24 100 39 100 63 100

Leaseovereenkomsten met een resterende leasetermijn gelijk aan of korter dan 12 maanden

De beperkt-retrospectieve overgangsmethode bevat de praktische mogelijkheid om activa en verplichtingen die voortkomen uit leaseovereenkomsten op 1 januari 2019 met een resterende leasetermijn korter dan 12 maanden niet op te nemen en ‘off-balance sheet’ te blijven verwerken. Deze mogelijkheid is door een grote meerderheid toegepast (89%), ten einde hoge implementatiekosten te voorkomen voor het in kaart brengen van deze leaseovereenkomsten met een beperkt inzicht in de financiële positie gezien de korte resterende lease periode na 1 januari 2019, zie Tabel 8.

Tabel 8.

Toepassing van de uitzondering om leaseovereenkomsten met een resterende leasetermijn gelijk aan of korter dan 12 maanden ‘off balance sheet’ te verwerken.

AEX, AMX (n = 24) FTSEurofirst (n = 39) Totaal (n = 63)
n % n % n %
Ja 22 92 34 87 56 89
Nee 2 8 5 13 7 11
Onbekend 0 0 0 0 0 0
Totaal 24 100 39 100 63 100

Initiële directe leasekosten

De beperkt-retrospectieve overgangsmethode bevat de praktische mogelijkheid om leasekosten die toerekenbaar zijn aan het ontstaan van de leasetransactie, de zogenaamde initiële directe kosten, op 1 januari 2019 buiten beschouwing te laten in de eerste verwerking/waardering van het leaseactief. De meerderheid van ondernemingen heeft hiervan gebruik gemaakt (62%, zie Tabel 9), waarschijnlijk als gevolg van het ontbreken van informatie rondom de initiële directe leasekosten bij toepassing van deze overgangsmethode en het voorkomen van additionele afschrijvingslasten na 1 januari 2019.

Tabel 9.

Toepassing van de praktische mogelijkheid om initiële directe leasekosten buiten beschouwing te laten.

AEX, AMX (n = 24) FTSEurofirst (n = 39) Totaal (n = 63)
n % n % N %
Ja 15 63 24 62 39 62
Nee 6 25 8 21 14 22
Onbekend 3 13 7 18 10 16
Totaal 24 100 39 100 63 100

Achteraf herzien van de leasetermijn

De beperkt-retrospectieve overgangsmethode bevat de praktische mogelijkheid om achteraf op overgangsdatum de leasetermijn te herzien voor leaseovereenkomsten, bijvoorbeeld bij verlengingsopties, op basis van de informatie die beschikbaar is op overgangsdatum. Hiervan heeft ruim de helft van de ondernemingen gebruik gemaakt (57%, zie Tabel 10). Dat is opmerkelijk omdat het in de praktijk veelal ingewikkeld is om op basis van de werkelijkheid geen hindsight toe te passen bij de eerste verwerking/waardering op 1 januari 2019.

Tabel 10.

Achteraf herzien van de leasetermijn.

AEX, AMX (n = 24) FTSEurofirst (n = 39) Totaal (n = 63)
n % n % N %
Ja 13 54 23 59 36 57
Nee 7 29 9 23 16 25
Onbekend 4 17 7 18 11 18
Totaal 24 100 39 100 63 100

Bij de AEX/AMX- en FTSEurofirst-ondernemingen zijn geen significante verschillen te zien ten aanzien van de gehanteerde overgangsmethode en/of de toegepaste practical expedients.

3.2. Toelichting van de overgang

Zoals weergegeven in Tabel 11 heeft bijna een kwart van de ondernemingen (22%) de overgangstoelichting beperkt tot 1 pagina, dit betreft meestal de ondernemingen waar IFRS 16 een beperkte impact heeft gehad. Van de 11 ondernemingen met maximale toelichtingen qua aantal pagina’s, zijn 5 ondernemingen overgegaan met de volledig-retrospectieve methode waarbij de toelichtingsvereisten logischerwijs groter zijn.

Tabel 11.

Aantal pagina’s IFRS 16 overgangstoelichting.

AEX, AMX (n = 29) FTSEurofirst (n = 43) Totaal (n = 72)
n % n % n %
Minimum (1 pagina) 6 21 10 23 16 22
Maximum (4–7 pagina) 6 21 5 12 11 15
Gemiddeld (2–3 pagina) 17 58 28 65 45 63

Slechts 9 van de 72 ondernemingen heeft een aparte publicatie gewijd aan de overgang naar IFRS 16, zie Tabel 12. Van deze ondernemingen zijn drie ondernemingen overgegaan met de volledig-retrospectieve methode. De overgangsmethode lijkt niet direct bepalend te zijn voor de keuze wel of niet een aparte publicatie uit te brengen over de overgang naar IFRS 16. Ook zijn ondernemingen die wel een aparte publicatie doen in verschillende sectoren werkzaam en is geen consistent gedrag te zien per sector. In vier gevallen zijn de aparte publicaties zeer uitgebreid (meer dan 10 pagina’s).

Tabel 12.

Aparte publicatie met informatie over overgang naar IFRS 16.

AEX, AMX (n = 29) FTSEurofirst (n = 43) Totaal (n = 72)
n % n % n %
Ja 5 17 4 9 9 13
Nee 24 83 39 91 63 87

Gemiddelde marginale rentevoet

De gemiddelde marginale rentevoet (disconteringsvoet) varieert van de laagste rate 0,8% tot hoogste rate 7,2%, zie Tabel 13. De gemiddelde marginale rentevoet varieert significant en dit lijkt niet alleen te maken te hebben met de aard van de leaseovereenkomsten en wereldwijde operaties. Niet onwaarschijnlijk is ook sprake van interpretatieverschillen in de wijze van bepaling van de marginale rentevoet gezien de beperkte vereisten en handvatten hiervoor in IFRS 16.

Tabel 13.

Informatie over de gemiddelde marginale rentevoet.

AEX, AMX (n = 24) FTSEurofirst (n = 39) Totaal (n = 63)
n % N % n %
Gemiddelde marginale rentevoet toegelicht bij beperkt-retrospectief?
Ja 24 100 36 92 60 95
Nee 0 0 3 8 3 5
Gemiddelde marginale rentevoet
0–1% 1 4 1 3 2 3
1–2% 3 13 4 12 7 12
2–3% 8 33 10 29 18 31
3–4% 5 21 11 32 16 28
4–5% 5 21 4 12 9 16
>5% 2 8 4 12 6 10
Gemiddeld 3,2% 3,2% 3,2%

Aansluiting van de onder IAS 17 toegelichte leaseverplichting met de onder IFRS 16 op overgangsdatum verwerkte leaseverplichtingen

IFRS 16 schrijft voor dat ondernemingen die de beperkt-retrospectieve overgangsmethode hanteren een (kwantitatieve) aansluiting opnemen van de IAS 17-verplichting net voor overgang en de op de overgangsdatum opgenomen leaseverplichting. Bijna alle ondernemingen (94%, zie Tabel 14) hebben deze aansluiting opgenomen. Naast de discontering als aansluitverschil die geldt voor alle ondernemingen, zijn diverse andere aansluitverschillen opgenomen, zie Tabel 14. 42 van de 63 ondernemingen (bijna 70%, zie Tabel 14) rapporteert een aansluitverschil voor leases gelijk aan of korter dan 12 maanden waarvoor geen IFRS 16-leaseverplichting is opgenomen. Daarnaast rapporteert iets meer dan de helft van de ondernemingen (32 ondernemingen, 51%) een aanpassing van de leasetermijn als aansluitverschil. Dit is opmerkelijk aangezien de definitie van leasetermijn nagenoeg gelijk is in IAS 17 en IFRS 16. De vereisten en handvatten hiervoor in IFRS 16 zijn echter uitgebreid en niet onwaarschijnlijk is dat ook de robuustheid van bepaling van de leasetermijn is toegenomen als onderdeel van de IFRS 16-implementatie. Opmerkelijk is ook de leasedefinitie als aansluitverschil bij een kwart van de ondernemingen (16, zie Tabel 14). De definitie van een lease in IAS 17 en IFRS 16 verschilt enigszins, echter ook hier kan mogelijk een robuustere inventarisatie en beoordeling van leaseovereenkomsten als onderdeel van de implementatie geleid hebben tot meer leases onder IFRS 16. Door enkele ondernemingen is expliciet toegelicht dat de implementatie van IFRS 16 en bijbehorende inventarisatie geleid heeft tot meer leaseverplichtingen onder IFRS 16.

Tabel 14.

Informatie over de aansluiting van de IAS 17 leaseverplichting en IFRS 16.

AEX, AMX (n = 24) FTSEurofirst (n = 39) Totaal (n = 63)
n % N % n %
Aansluiting IAS 17 leaseverplichting met IFRS 16
Ja 23 96 36 92 59 94
Nee 1 4 3 8 4 6
Toegelichte aansluitverschillen
Leases gelijk aan of korter dan 12 maanden 18 26 24 25 42 25
Leasetermijn (o.a. verlengingsopties) 9 13 23 24 32 19
Leases van activa met een lage waarde 13 19 16 16 29 17
Leasedefinitie 7 10 9 9 16 10
Leases met de start na 1 januari 2019 4 6 8 8 12 7
Financiële leases 7 10 4 4 11 7
Overig 11 16 13 13 24 14
Totaal 100 100 100

Als best practice-toelichting voor de volledig-retrospectieve methode kan AholdDelhaize gezien worden. Hierin wordt uitgebreid ingegaan op de impact van IFRS 16, ook op de relevante group highlights in het strategic report welke ook retrospectief zijn aangepast in de vergelijkende cijfers voor de effecten van IFRS 16. Naast alle non-GAAP measures zijn tevens de gross en net debt retrospectief aangepast voor de impact van IFRS 16 en gaat de onderneming in op de gemaakte aanpassingen in de definities. Ook gaat de onderneming in op aanpassingen met lenders van de leverage ratio ten gevolge van IFRS 16 en wordt goed inzicht gegeven in de aanpassing van de free cash flow definitie en wordt een heldere aansluiting gegeven tussen oude en nieuwe definitie na IFRS 16. Deze onderneming heeft tevens een afzonderlijke en uitgebreide publicatie uitgebracht ten einde aandeelhouders en investeerders te helpen bij het begrip van de impact van de toepassing van IFRS 16. Als best practice-toelichting voor de beperkt-retrospectieve methode kan Arcadis worden gezien. Bij Arcadis is naast de vereiste toelichtingen, en ondanks het gebrek aan vergelijkende cijfers, in duidelijke tabellen inzicht gegeven in de impact van IFRS 16 door voor 2019 zowel IFRS 16, IAS 17 en de net impact weer te geven voor zowel balans, winst-en-verliesrekening en kasstroomoverzicht. Verder is inzicht geven in de impact van IFRS 16 op de bank convenant ratios. Ter illustratie hebben we onderdelen van de toelichtingen van AholdDelhaize (figuur 1) en Arcadis (figuur 2) opgenomen.

Figuur 1.

best practice ifrs 16 overgangstoelichtingen best practice volledig-retrospectieve overgangsmethode: aholddelhaize annual report 2019, pp. 188, 189. https://www.aholddelhaize.com/media/10197/ahold-delhaize-annual-report-2019.pdf https://www.aholddelhaize.com/en/investors/financial-information/annual-reports/

Figuur 1.

Continued.

Figuur 1.

Continued.

Figuur 1.

Continued.

Figuur 2.
Figuur 2.

Continued.

Figuur 2.

Continued.

3.3. De invloed van de eerste toepassing van IFRS 16 op de jaarrekening

Het gebruiksrechtenmodel dat centraal staat in IFRS 16 betekent dat de lessee in zijn balans een (lease)actief opneemt voor het recht om het actief te gebruiken en een (lease)verplichting in de balans verwerkt vanaf het moment dat de lessor het onderliggende actief aan de lessee voor het gebruik ter beschikking stelt.

De leaseverplichting heeft het karakter van een financiële of rentedragende verplichting, en dient initieel gewaardeerd te worden tegen de contante waarde van de nog niet-betaalde/toekomstige leasebetalingen over de leaseperiode. De vervolgwaardering dient te geschieden volgens de effectieve-interestmethode.

De (nieuw) verwerkte leaseverplichting maakt in de jaarrekening deel uit van belangrijke kengetallen als het totaal vreemd vermogen (kort en langlopend), de totaalschuld (kort en langlopend rentedragend) en de nettoschuld (‘net debt’). Deze laatste wordt doorgaans bepaald door de totale korte en langlopende (rentedragende) schuld te verminderen met de beschikbare geldmiddelen (‘cash and cash equivalents’) en geeft een indicatie in welke mate de onderneming in staat is met beschikbare geldmiddelen de verplichtingen uit hoofde van (rentedragende) schulden te voldoen.

Het leaseactief wordt initieel verwerkt tegen kostprijs, die gelijk is aan de initiële waardering van de leaseverplichting zoals hiervoor beschreven, verhoogd met eventuele betalingen die gedaan zijn voor de aanvang van de lease, initiële directe kosten en verwachte kosten voor opruiming/herstel van het geleasde actief. Het wordt verminderd met leasevoordelen ontvangen van de lessor (‘lease incentives’). De vervolgwaardering is (normaliter) de kostprijs verminderd met cumulatieve afschrijvingen (overeenkomstig IAS 16) en bijzondere waardeverminderingen (overeenkomstig IAS 36). Alternatieve waarderingsgrondslagen zoals het herwaarderingsmodel (IAS 16) en reëlewaardemodel (IAS 40) zijn onder voorwaarden mogelijk. De (nieuw) verwerkte leaseactiva maken in de jaarrekening deel uit van het belangrijke kengetal totaal activa.

De uit hoofde van het leasecontract te betalen leasetermijn dient te worden gesplitst in rentekosten over de leaseverplichting volgens de effectieve rentemethode en aflossing van de leaseverplichting (saldo). In de winst-en-verliesrekening worden derhalve naast de afschrijvingskosten en bijzondere waardeverminderingen van het leaseactief, tevens de rentekosten op de leaseverplichting verwerkt. Onder IAS 17 werd de volledige (operationele) leasebetaling als (operationele) last in de winst-en-verliesrekening verwerkt en als operationele kastroom in het kasstroomoverzicht. Het resultaat vóór aftrek van interest, belastingen, afschrijvingen op materiële vaste en immateriële vaste activa (‘Earnings Before Interest, Taxes, Depreciation and Amortisation’, of: EBITDA) wordt in de praktijk, ook door veel van de onderzochte ondernemingen, gehanteerd en/of gepubliceerd omdat dit kengetal beschouwd wordt als een goede weergave of schatting van de operationele kasstroom van de onderneming. Daar de operationele leasekosten dus geen deel uitmaken van EBITDA, neemt dit kengetal toe als gevolg van toepassing van IFRS 16.

De impact van de IFRS 16-overgang op genoemde kengetallen in de balans (overgangsdatum 1 januari 2019), de winst-en-verliesrekening 2019 en het kasstroomoverzicht 2019 van de onderzochte ondernemingen is vermeld in Tabel 15. Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat deze impact (mede) beïnvloed is door de mate waarin de onderzochte ondernemingen gebruik hebben gemaakt van de overgangsvrijstellingen, waaronder praktische benaderingen (‘practical expedients’), bij eerste toepassing.

Voor wat betreft de (kengetallen in de) balans blijkt uit Tabel 15 dat de eerste toepassing van IFRS 16 een forse impact heeft gehad. Op overgangsdatum 1 januari 2019 is door de onderzochte Europese ondernemingen voor in totaal circa 156 miljard euro aan leaseverplichtingen opgenomen, verdeeld over circa 40 miljard euro bij de AEX- en AMX-fondsen en circa 116 miljard bij de FTSEurofirst-fondsen. Gemiddeld steeg hierdoor het totaal vreemd vermogen met 8% en de totaal schuld met 24% bij de onderzochte ondernemingen. De relatieve impact blijkt voor AEX- en AMX-fondsen groter dan voor de FTSEurofirst-fondsen.

Tabel 15.

De invloed van de IFRS 16 overgang op de jaarrekening 2019.

AEX, AMX (n = 29) FTSEurofirst (n = 43) Totaal (n = 72)
Bedragen in miljoenen euro n % n % n %
Impact op totaal vreemd vermogen
Totaal 39.700 10% 116.341 7% 156.041 8%
0–1% 0 0 4 9 4 6
1–2% 1 3 15 35 16 22
2–5% 9 31 8 19 17 24
5–10% 10 34 7 16 17 24
10–20% 6 21 5 12 11 15
>20% 3 10 4 9 7 10
29 100 43 100 72 100
Impact op totaal schuld
Totaal 39.700 28% 116.341 21% 156.041 24%
0–5% 1 3 15 35 16 22
5–10% 6 21 11 26 17 24
10–20% 10 34 7 16 17 24
20–50% 7 24 5 12 12 17
50–100% 2 7 1 2 3 4
>100% 3 10 4 9 7 10
29 100 43 100 72 100
Impact op nettoschuld
Totaal (exclusief ondernemingen met een negatieve nettoschuld) 36.022 68% 106.833 32% 142.855 46%
Negatieve nettoschuld 5 17 4 9 9 13
0–5% 0 0 14 33 14 19
5–10% 3 10 6 14 9 13
10–20% 8 28 4 9 12 17
20–50% 8 28 9 21 17 24
50–100% 3 10 3 7 6 8
>100% 2 7 3 7 5 7
29 100 43 100 72 100
Impact op totaal activa
Totaal 36.464 6% 117.688 4% 154.152 5%
0–1% 1 3 11 26 12 17
1–2% 7 24 14 33 21 29
2–5% 9 31 9 21 18 25
5–10% 9 31 3 7 12 17
10–20% 2 7 5 12 7 10
>20% 1 3 1 2 2 3
29 100 43 100 72 100
Impact op EBITDA
Totaal 11.556 17% 33.775 10% 45.331 13%
0–5% 5 17 18 42 23 32
5–10% 8 28 15 35 23 32
10–20% 7 24 6 14 13 18
20–50% 4 14 3 7 7 10
50–100% 3 10 1 2 4 6
>100% 2 7 0 0 2 3
29 100 43 100 72 100
Impact op operationele kasstroom
Totaal 13.292 24% 26.030 8% 39.322 14%
0–5% 6 21 17 40 23 32
5–10% 11 38 16 37 27 38
10–20% 6 21 7 16 13 18
20–50% 5 17 3 7 8 11
50–100% 0 0 0 0 0 0
>100% 1 3 0 0 1 1
29 100 43 100 72 100

De verwerking van deze leaseverplichtingen heeft bij de AEX- en AMX-fondsen een stijging van gemiddeld 10% van het totaal vreemd vermogen betekend. Voor 34% (n = 10) van de AEX- en AMX-fondsen is de impact tussen 5–10% en bij 31% (n = 9) werd een stijging van 10% of meer vastgesteld. De impact bij de onderzochte FTSEurofirst-fondsen blijkt beperkter; er is sprake van een gemiddelde stijging van 7% van het vreemd vermogen. Voor 35% van de FTSEurofirst-fondsen (n = 15) is de impact van IFRS 16 op het totaal vreemd vermogen beperkt tot 1–2%; voor 21% (n = 9) is de stijging meer dan 10%.

De impact van de verwerking van leaseverplichtingen op het totaal schuld (korte en lange termijn) is procentueel groter dan de impact op het totaal vreemd vermogen. Voor AEX- en AMX-fondsen stijgen de schulden met gemiddeld 28%, voor de FTSEurofirst-fondsen is dat 21%. Voor relatief de grootste groep AEX- en AMX-fondsen (34%) is het totaal van de schuld tussen 10–20% gestegen. Voor een vergelijkbare groep FTSEurofirst-fondsen (35%) geldt dat de totale schuld slechts tussen 0–5% is toegenomen.

Voorts blijkt uit ons onderzoek dat bij negen van alle onderzochte ondernemingen (13%) sprake is van een zodanig ‘ruime’ kaspositie dat door de verwerking van de leaseverplichtingen nog steeds sprake is van een negatieve nettoschuld (‘net debt’). De beschikbare geldmiddelen van de desbetreffende ondernemingen zijn hoger dan de totale schuld, inclusief leaseverplichtingen, in de balans. Voor deze ondernemingen heeft IFRS 16 in die zin een beperkte invloed dat zelfs met verwerking van de leaseverplichtingen de onderneming in staat is met beschikbare geldmiddelen de verplichtingen uit hoofde van de schulden te voldoen. Bij de onderzochte ondernemingen waarbij geen sprake was van een negatieve nettoschuld, nam de totale nettoschuld toe met circa 143 miljard euro (een stijging van circa 46%), verdeeld over circa 36 miljard euro (stijging van circa 68%) bij de AEX- en AMX-fondsen en circa 107 miljard euro (een stijging van 32%) bij de FTSEurofirst-fondsen. Ook hier een fors hogere impact bij de AEX- en AMX-fondsen dan de overige Europese (FTSEurofirst) onderzochte ondernemingen. Bij 28% (n = 8) van de AEX- en AMX-fondsen is sprake van een toename van 10–20%; bij eenzelfde aantal ondernemingen was het effect zelfs 20–50%. Vorengenoemde impact werd bij relatief minder FTSEurofirst- fondsen gevonden: een impact van 10–20% werd bij 9% (n = 4) van de FTSEurofirst-ondernemingen gevonden en bij 21% (n = 9) een impact van 20–50%. Bij 33% (n = 14) van de FTSEurofirst-ondernemingen was de impact van de verwerking van leaseverplichtingen op de nettoschuld beperkt tot tussen 0 en 5%. Hierbij wordt opgemerkt dat het weergeven van de impact van IFRS 16 als percentage van een saldo, in dit geval de nettoschuld, inherent een beperktere betekenis heeft dan het weergeven van de impact op een kengetal (zoals totale activa of totale schulden) dat geen saldo is.

Op overgangsmoment is voor in totaal circa 154 miljard euro aan leaseactiva verwerkt in de jaarrekeningen van de onderzochte Europese ondernemingen, verdeeld over circa 36 miljard euro voor de AEX- en AMX-fondsen en circa 118 miljard voor de FTSEurofirst-fondsen. Gemiddeld nam hierdoor het totaal activa met 5% toe bij de onderzochte Europese ondernemingen. Ook hier blijkt de impact voor AEX- en AMX-fondsen groter dan voor de FTSEurofirst-fondsen.

De verwerking van de leaseactiva heeft bij de AEX- en AMX-fondsen voor een stijging van gemiddeld 6% van het totaal activa gezorgd bij deze ondernemingen. Bij 31% (n = 9) van de AEX- en AMX-ondernemingen was sprake een impact van 2–5% en bij eenzelfde percentage nam het totaal aan activa toe met 5–10%. De impact bij de onderzochte FTSEurofirst-fondsen blijkt beperkter; er is sprake van een gemiddelde stijging van 4% van de totale activa bij deze ondernemingen. Bij een ruime meerderheid (59%) van de FTSEurofirst-ondernemingen (n = 25) is de impact op het totaal activa echter beperkt gebleven tot maximaal 2%.

Voorts kan op basis van Tabel 15 worden geconcludeerd dat voor alle onderzochte ondernemingen bij de overgang naar IFRS 16 sprake is van een toename van zowel de operationele kasstroom, zoals afgeleid uit het 2019 kasstroomoverzicht als van de EBITDA afgeleid uit de 2019 winst-en-verliesrekening. Dit is in lijn met de verwachting. De EBITDA 2019 is in totaal voor alle onderzochte ondernemingen toegenomen met ruim 45 miljard euro (een toename van gemiddeld 13%), verdeeld over de onderzochte AEX- en AMX -fondsen met circa 11 miljard euro (toename van gemiddeld 17%) en de onderzochte FTSEurofirst-fondsen met circa 34 miljard euro (een toename van gemiddeld 10%). Uit de Tabel blijkt dat voor meer dan 30% (n = 9) van de onderzochte AEX- en AMX-fondsen zelfs sprake is van een toename van EBITDA van meer dan 20%. Voor de FTSEurofirst geldt dat voor minder dan 10% (n = 4) van de onderzochte ondernemingen.

Ten slotte kan op grond van Tabel 15 conclusies worden getrokken over de ‘terugbetalingscapaciteit’ van de operationele kasstroom door toepassing van IFRS 16. Zoals aangegeven in Arnold and Tahtah (2017), wordt in de praktijk deze capaciteit wel beoordeeld aan de hand van de ‘Net-Debt-to-EBITDA’-ratio, berekend als de rentedragende verplichtingen minus beschikbare liquide middelen, gedeeld door de EBITDA. Een toename van deze ratio, bijvoorbeeld als de nettoschuld relatief sterker toeneemt dan de EBITDA als gevolg van IFRS 16, geeft een indicatie dat een onderneming er langer over zal doen om zijn rentedragende schulden af te lossen met de operationele kasstroom die de onderneming genereert en dat er derhalve sprake is van een verslechtering van de terugbetalingscapaciteit. Uit Tabel 15 kan worden afgeleid dat als gevolg van IFRS 16 de nettoschuld bij de totale onderzochte populatie (gemiddeld +46%), als ook bij de AEX- en AMX-fondsen (gemiddeld +68%) en de FTSEurofirst-fondsen (gemiddeld +32%) relatief groter is dan de toename van EBITDA bij respectievelijk de totale onderzochte populatie (gemiddeld +13%), de AEX- en AMX -fondsen (gemiddeld +17%) en de FTSEurofirst-fondsen (gemiddeld +10%). Geconcludeerd kan derhalve worden dat de toepassing van IFRS 16 geleid heeft tot een duidelijke verslechtering van de terugbetalingscapaciteit bij de onderzochte AEX- en AMX- en FTSEurofirst-fondsen indien deze wordt uitgedrukt in een ‘Net-Debt-to-EBITDA’-ratio.

3.4. De invloed van de eerste toepassing van IFRS 16 op de jaarrekening ten opzichte van de verwachte invloed (HJV 2017)

Zoals vermeld in de Inleiding, hebben Arnold and Tahtah (2017) in “Het jaar 2016 verslagen” een onderzoek gepubliceerd naar de verwachte gevolgen van de eerste toepassing van IFRS 16 op de jaarrekening van AEX- en AMX-fondsen (‘nulmeting’). Dat onderzoek ging uit van toepassing van IFRS 16 vanaf 1 januari 2016 en was gebaseerd op de op grond van IAS 17 vermelde leaseverplichtingen in de jaarrekening 2016 (inclusief de informatie over het vergelijkende boekjaar 2015). De leaseverplichtingen volgens de toelichting werden ingevoerd in een model volgens de benadering van de ‘contante-waarde-van-de-(vermelde)-toekomstige leasebetalingen’ (zie Arnold and Tahtah 2017, paragraaf 3). Voor het maken van deze modelmatige schatting van de impact van IFRS 16 ontbrak in de jaarrekeningen over 2016 een aantal informatie-elementen. Hiervoor zijn (onderbouwde) veronderstellingen gehanteerd. Een belangrijke veronderstelling betrof de per 1 januari 2016 per onderneming te hanteren marginale rentevoet als disconteringsvoet. Deze zijn destijds ontleend aan de financiële database Bloomberg, aangepast met de credit spread op basis van de credit rating per onderneming en voor zover deze niet beschikbaar was, is BBB als credit rating verondersteld (zie Arnold and Tahtah 2017, paragraaf 5, veronderstelling 5, Tabel 4).

Om een indicatie te krijgen in hoeverre het bij toepassing van IAS 17 mogelijk was om een goede inschatting te maken van de leaseverplichtingen hebben we de werkelijke impact van de toepassing van IFRS 16 vergeleken met de door Arnold and Tahtah (2017) gemaakte inschatting. Om de impact van de wijziging van rentevoeten te elimineren hebben we in dit model de door ondernemingen vermelde, per overgangsdatum 1 januari 2019 gehanteerde, disconteringsvoeten ingevoerd. De uitkomsten van deze vergelijking voor de (kengetallen) totaal schuld (rentedragend), totaal activa en EBITDA zijn vermeld in Tabel 16. In dit onderzoek zijn uitsluitend de 24 AEX- en AMX -fondsen betrokken die de beperkt-retrospectieve overgangsmethode in 2019 hebben toegepast.

In het model gehanteerd door Arnold and Tahtah (2017, Tabel 4) is voor 76% (n = 28) van de onderzochte ondernemingen een disconteringsvoet ingeschat van maximaal 2%. Uit Tabel 13 in paragraaf 3.2 blijkt dat in werkelijkheid in 2019 83% van de ondernemingen een disconteringsvoet hoger dan 2% heeft gehanteerd, met voor alle onderzochte AEX- en AMX -fondsen een gemiddelde disconteringsvoet van 3,2%.

Op basis van deze hogere werkelijke disconteringvoet (dan ingeschat) ligt een lager werkelijk effect van IFRS 16 ten opzichte van het verwachte of geschatte effect in de lijn der verwachting. Uit Tabel 16 blijkt echter voor alle daarin opgenomen kengetallen dat de werkelijke impact van de IFRS 16-overgang op de jaarrekening voor verreweg de meeste onderzochte AEX- en AMX- fondsen (soms beduidend) groter is geweest dan de geschatte impact volgens het model gehanteerd in 2017. Zo was voor de helft (50%) van de onderzochte ondernemingen het ‘schattingsverschil’ op de totaal schuld meer dan 25%, bij 21% (n = 5) zelfs meer dan 100%. Een vergelijkbare conclusie kan worden getrokken voor de afwijking op de totaal activa en voor de afwijking in de werkelijke impact op EBITDA ten opzichte van de geschatte impact.

Tabel 16.

Invloed van de eerste toepassing (‘werkelijke invloed’) versus de geschatte invloed van IFRS 16 (Arnold and Tahtah (2017), Tabel 5, 8 en 9).

AEX, AMX
(n = 24)
n %
Werkelijke invloed versus geschatte invloed op totaal schuld (rentedragende verplichtingen)
> 100% hoger 5 21
51–100% hoger 7 29
0–50% hoger 6 25
0–50% lager 6 25
51–100% lager 0 0
> 100% lager 0 0
24 100
Werkelijke invloed versus verwachte invloed op totaal activa
> 100% hoger 6 25
51–100% hoger 8 33
0–50% hoger 8 33
0–50% lager 2 9
51–100% lager 0 0
> 100% lager 0 0
24 100
Werkelijke invloed versus geschatte invloed op EBITDA
> 100% hoger 6 25
51–100% hoger 6 25
0–50% hoger 8 33
0–50% lager 3 13
51–100% lager 1 4
> 100% lager 0 0
24 100

Zoals in de inleiding is aangegeven is de interne controle ten aanzien van (onder IAS 17) toegelichte leaseverplichtingen mogelijk minder dan ten aanzien van de (onder IFRS 16) in de balans te verwerken leaseverplichtingen (Barone et al 2014). In de aanloop naar IFRS 16 zijn ondernemingen mogelijk robuuster naar de juistheid en volledigheid van de in de toelichting opgenomen toekomstige leasebetalingen en -verplichtingen gaan kijken en zijn als onderdeel van de voorbereiding op de IFRS 16-overgang ‘aanvullende’ leases en/of langere leaseperioden onderkend (anders gesteld, de toegelichte leasebetalingen ‘op orde gebracht’). Hierdoor kon immers worden voorkomen dat bij de eerste toepassing van IFRS 16 de onderneming en gebruikers van jaarrekeningen worden ‘verrast’ en geconcludeerd zou moeten worden dat toelichtingen in voorgaande jaarrekeningen niet juist of volledig waren. Voorts zou dan voorkomen kunnen worden dat in het te presenteren overzicht van de aansluiting tussen de onder IAS 17 vermelde leaseverplichtingen en de onder IFRS 16 verwerkte leaseverplichtingen de tekortkoming aan het licht zou (moeten) komen (in bijvoorbeeld ‘overige aansluitverschillen’, zie Tabel 14).

Om een indicatie te krijgen in hoeverre in de aanloop van IFRS 16-onderzochte ondernemingen ‘robuuster’ naar hun toegelichte leaseverplichtingen zijn gaan kijken en op grond daarvan hun toelichtingen hebben uitgebreid, zijn vijf jaarrekeningen over 2018 (toegelichte leaseverplichtingen) en 2019 (werkelijke leaseverplichtingen) van de AEX- en AMX- fondsen nader onderzocht. Het betrof die ondernemingen waarbij de werkelijke impact van IFRS 16 op het totaal van de schuldpositie meer dan het dubbele (>100%) was dan de geschatte impact volgens het model uit 2017 (zie Tabel 16). Voor deze ondernemingen is verondersteld dat hun lease-intensiteit (totale leaseverplichtingen ten opzichte van totaal activa) in de periode 2016–2019 naar de aanloop van IFRS 16 niet belangrijk is gewijzigd. Uitgaande van een constante lease-intensiteit in de periode 2016–2019 (totaal leaseverplichtingen ten opzichte van totaal activa) zou bij deze vijf ondernemingen gemiddeld een toename van (onder IAS 17) de toegelichte leaseverplichtingen van gemiddeld 17% worden verwacht. Bij de vijf ondernemingen zijn de toegelichte leaseverplichtingen in deze periode echter gestegen met gemiddeld 140% (variërend van 104% tot 182%).

Dat kan het gevolg zijn geweest van een toename van de lease intensiteit (relatief meer leases als financiering van de activa) over de periode 2016–2019 bij de onderzochte ondernemingen. Zoals aangegeven lijkt het ons inziens echter weinig aannemelijk dat deze ondernemingen, met het zicht op de overgang naar IFRS 16, hun lease intensiteit belangrijk hebben gewijzigd en relatief (significant) meer zijn gaan leasen. Een vermindering van leases ligt meer voor de hand, aangezien leasing door het verdwijnen van het ‘off-balance sheet’ effect door IFRS 16 minder aantrekkelijk is geworden.2

De resultaten in Tabel 16 lijken derhalve aan te sluiten bij de beschreven ‘verwachting’ dat ondernemingen in de aanloop naar IFRS 16 in hun jaarrekening de te vermelden leaseverplichtingen ‘op orde hebben gebracht’. Het geeft een indicatie dat de interne controle van de toelichtingen over leaseverplichtingen onder IAS 17 bij deze ondernemingen minder is geweest dan de interne controle ten aanzien van de onder IFRS 16 op de balans op te nemen leaseverplichting. Voorts is bij deze ondernemingen op overgangsmoment (1 januari 2019) geen significant verschil gebleken tussen de op basis van de jaarrekening 2018 geschatte leaseverplichting en de werkelijke impact van IFRS 16 volgens de jaarrekening 2019.

4. Conclusies en slotbeschouwing

Voor de meeste ondernemingen was 2019 het eerste boekjaar waarin ze IFRS 16 hebben toegepast. In dit artikel doen we verslag van de eerste toepassing van IFRS 16, de kwantitatieve invloed en maken we een vergelijking met de invloed zoals die op basis van de toelichting van de toekomstige verplichte leasebetalingen in de 2016 jaarrekeningen van ondernemingen werd ingeschat. Uit het onderzoek blijkt dat de overgrote meerderheid van de ondernemingen heeft gekozen voor de beperkt- retrospectieve methode en daarbij de waarde van het actief voor alle of een deel van de leases gelijk heeft gesteld aan de leaseverplichting. Ook hebben veel ondernemingen gebruik gemaakt van meerdere praktische mogelijkheden in IFRS 16 om de overgang te vereenvoudigen. Deze keuzes zullen echter nog een aantal jaren de vergelijkbaarheid van en inzicht in de leaseverplichtingen en leaseactiva voor gebruikers beïnvloeden, maar hebben er wel voor gezorgd dat de overgang en de daarmee gemoeide kosten beheersbaar bleven.

De invoering van IFRS 16 heeft bij veel ondernemingen een grote invloed gehad op belangrijke financiële maatstaven als totaal activa, totaal (netto)schuld en EBITDA. De toepassing van IFRS 16 heeft geleid tot een duidelijke verslechtering van de terugbetalingscapaciteit bij de onderzochte ondernemingen indien deze wordt uitgedrukt als Net debt to EBITDA-ratio. Verder blijkt de invloed groter te zijn dan in 2017 werd ingeschat op basis van de in 2016-jaarrekeningen opgenomen toelichtingsinformatie over de leaseverplichtingen. Dit wordt mogelijk verklaard doordat de interne beheersing rondom bedragen die worden verwerkt in de primaire overzichten robuuster is dan de interne beheersing rondom toelichtingsinformatie waardoor in het proces gericht op de implementatie van IFRS 16 een vollediger inzicht is verkregen in de leaseovereenkomsten en -termijnen van ondernemingen.

Drs. C. (Coen) Arnold RA is verbonden aan het Department of Professional Practice (DPP) van KPMG. Daarnaast is hij Associate Professor bij de postdoctorale opleiding tot RegisterController van de Vrije Universiteit in Amsterdam, en doceert hij International Financial Reporting ten behoeve van het internationale IFRS Diploma aan de postdoctorale opleiding Financial Executive Education (FEE) van diezelfde universiteit.

Prof. dr. A.J. (Arjan) Brouwer RA is partner bij PwC en hoogleraar externe verslaggeving aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Drs. J. (Jay) Tahtah RA is partner bij PwC en adviseert internationale ondernemingen over de toepassing van complexe verslaggevingsregels. Hij geeft leiding aan het team dat zich bezighoudt met advies aan internationale bedrijven over de implementatie van nieuwe IFRS-standaarden.

Dankwoord

De auteurs danken Souad Aghmir, Marnix Elferink, Ra’ees Mahomed, Kurmanbek Meirkulov, Jelmar Rozema, Heinrich Stapelberg en Dino Tsafantakis voor hun ondersteuning bij de dataverzameling.

Noten

2

Uit een survey van de European Financial and Reporting Advisory Group (EFRAG) onder Europese beursgenoteerde ondernemingen bleek dat één van de belangrijkste overwegingen voor operationele leasing van vastgoed was het ontbreken van impact op de solvabiliteit (EFRAG 2017, p.23).

Literatuur

  • Arnold C, Tahtah J (2017) De invloed van IFRS 16 Leases op de jaarrekening van lessees. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 91(11/12): 376–391. https://doi.org/10.5117/mab.91.24065
  • Clor-Proell SM, Maines LA (2014) The impact of recognition versus disclosure on financial information: A preparer’s perspective. Journal of Accounting Research 52(3): 671–701. https://doi.org/10.1111/1475-679X.1205

Bijlage 1

Lijst van onderzochte ondernemingen

AEX, AMX FTSEurofirst 100 FTSEurofirst 100
1 Aalberts 30 Adidas 52 Iberdrola
2 Ahold Delhaize 31 Air Liquide 53 Inditex
3 Akzo Nobel 32 Airbus 54 Kering
4 Altice Europe 33 Anglo American 55 London Stock Exchange Group
5 Aperam 34 Anhueser-Busch InBev 56 L’Oreal
6 Arcadis 35 AstraZeneca 57 LVMH
7 ArcelorMittal 36 BASF 58 National Grid
8 ASM International 37 Bayer AG 59 Orange
9 BAM Groep 38 BMW 60 Reckitt Benckiser Group
10 BE Semiconductor Ind. 39 BP 61 Rio Tinto
11 Boskalis 40 British American Tobacco 62 Safran
12 Corbion 41 Daimler AG 63 Sanofi
13 DSM 42 Danone 64 SAP
14 Fugro 43 Deutsche Boerse 65 Schneider Electric
15 Galapagos 44 Deutsche Telekom 66 Total
16 GrandVision 45 E.ON 67 Veolia Environnement
17 Heineken NV 46 Enel 68 Vinci
18 IMCD Group 47 Engie 69 Vivendi
19 Intertrust 48 Eni 70 Vodafone Group
20 Koninklijke Philips 49 EssilorLuxottica 71 Volkswagen Pfd
21 KPN 50 Experian 72 Vonovia SE
22 OCI 51 GlaxoSmithKline
23 PostNL
24 Randstad
25 Shell
26 TKH Group
27 Unilever
28 Vopak
29 Wolters Kluwer