Print
Kwaliteit toelichting omzet in jaarrekening van Europese bouwondernemingen
expand article infoRoy van Duuren, Ralph ter Hoeven
‡ Rijksuniversiteit Groningen, Groningen, Netherlands
Open Access

Samenvatting

In dit artikel wordt de toepassing van IFRS 15 Revenue from Contract with Customers onderzocht voor een populatie van bouwondernemingen en projectontwikkelaars over de boekjaren 2018 en 2019. Het onderzoek richt zich op de informatiewaarde van de aan IFRS 15 gerelateerde toelichtingen en beoogt eventuele leereffecten te onderkennen in het tweede jaar van toepassing van IFRS 15. Om die reden zijn zowel de boekjaren 2018 als 2019 onderzocht.

De uitkomsten laten zien dat er beperkte leereffecten te onderkennen zijn en dat de kwaliteit van toelichtingen sterk varieert in de door ons onderzochte doelgroep. Op basis van best practices worden aanbevelingen geformuleerd ter verhoging van de kwaliteit.

Trefwoorden

IFRS 15, omzetverantwoording, bouwondernemingena

Relevantie voor de praktijk

De overgang van IAS 11 en 18 naar IFRS 15 heeft invloed gehad op sectoren met langjarige contracten en meerdere prestatieverplichtingen per contract. De bouw- en constructiesector behoort hiertoe. Met dit artikel wordt de toepassing van IFRS 15 onderzocht voor boekjaren 2018 en 2019 van ondernemingen binnen deze sector en wordt ook nagegaan in hoeverre er leereffecten optreden in de jaarrekening over 2019. De in het artikel opgenomen best practices en analyses hiervan kunnen als voorbeeld dienen voor een verdere verbetering van de kwaliteit.

1. Inleiding

De International Accounting Standards Board (IASB) publiceerde in mei 2014 IFRS 15 Revenue from Contracts with Customers. Als blijk van bewijs van de succesvolle samenwerking met de Amerikaanse Financial Accounting Standards Board (FASB) publiceerde de FASB nagenoeg dezelfde regels door middel van de invoering van Topic 606 in de Amerikaanse Accounting Standards Codification. IFRS 15 kent als doel om grondslagen te geven die ondernemingen dienen toe te passen met betrekking tot de aard, de omvang, het moment en de onzekerheden van de omzet en kasstromen voortkomende uit contracten met afnemers (customers). Zeker binnen US-GAAP en in mindere mate binnen IFRS waren in de loop van de tijd de bepalingen over omzetverantwoording verspreid opgenomen. Dat wil zeggen: er was geen gemeenschappelijke standaard en ook geen gemeenschappelijk beginsel omtrent omzetverantwoording binnen zowel US-GAAP als IFRS. Met de komst van IFRS 15 (en Topic 606) veranderde dat. IFRS 15 verving met ingang van boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2018 zowel de oude algemene standaard over omzetverantwoording (IAS 18) als ook IAS 11 (Construction Contracts; dus specifiek bedoeld voor bouwcontracten) en vier officiële interpretaties (onderdeel van IFRS) namelijk IFRIC 13, 15, 18 en SIC 31. De lange invoeringstijd (van mei 2014 tot januari 2018) heeft alles te maken met de inschatting van de IASB dat bedrijven tijd nodig zouden hebben om de nieuwe grondslagen goed te analyseren en te implementeren. De IASB verwachtte vooral op de volgende gebieden veranderingen ten opzichte van de oude regels1:

– het centrale beginsel van overdracht van beschikkingsmacht (control) als basis voor omzetverantwoording (in plaats van de risks and rewards bepaling van IAS 18);

– identificatie van prestatieverplichtingen in contracten met afnemers;

– allocatie van de transactieprijs naar de verscheidene prestatieverplichtingen;

– de bepaling van omzet; in het bijzonder de bepaling van de transactieprijs indien variabele vergoedingen zijn afgesproken.

Een sector die geconfronteerd werd met deze vier veranderingen betreft de bouwsector waartoe ook ontwikkeling van vastgoedprojecten behoort. Binnen deze sector wordt vaak gewerkt met langjarige contracten met verschillende prestatieverplichtingen. Tijdens de bouwfase treden dikwijls veranderingen (modificaties) op in het bestek waardoor de transactieprijs aan veranderingen onderhevig is. Ook de bepaling van het variabel deel van de transactieprijs (zoals prestatiebonussen en boetes bij te late oplevering) waarover in IFRS 15 veel specifieke regels zijn opgenomen, speelt in deze sector een rol. De sector paste vóór IFRS 15 de combinatie toe van IAS 11, IAS 18 en IFRIC 15 (Agreements for the Construction of Real Estate) voor de vraag of omzet over de contractperiode (naar rato van de voortgang van het project) of pas bij oplevering van het project moest worden genomen. Ook de aard van de activiteiten (dienstverlening, daadwerkelijke levering van goederen of een combinatie van beide) speelde daarbij een rol. Al deze regels zijn dus vervangen door IFRS 15 waardoor bouwbedrijven per contract moesten nagaan hoe de nieuwe omzetverantwoordingsregels moesten worden toegepast en met name hoe het nieuwe kernbeginsel van overdracht van beschikkingsmacht uitwerkte. Het is om deze reden dat we de bouwsector hebben geselecteerd voor ons onderzoek naar de kwaliteit van naleving van IFRS 15.

Hoewel IFRS 15 dus al moest worden toegepast over het boekjaar 2018 en aan dit onderwerp ook in de vorige themanummers Het jaar verslagenOnderzoek jaarverslagen al aandacht is besteed (Van der Kuij-Groenberg and Pronk 2019; Pronk and Roozen 2018), menen we dat dit artikel een toegevoegde waarde kan bieden om twee redenen. Allereerst is de aandacht in de voorgaande themanummers vooral uitgegaan naar de overgangseffecten van IFRS 152 op een algemene populatie van ondernemingen. Het aandachtsgebied ligt in dit artikel op de continuele toepassing van IFRS 15 en met name de toelichtingsvereisten van IFRS 15.110-129. In de tweede plaats willen we ook door middel van een vergelijking tussen de jaarrekeningen over het boekjaar 2018 en 2019 nagaan of ondernemingen, nu ze IFRS 15 voor de tweede maal in de jaarrekening toepassen, verbeteringen hebben aangebracht in hun toelichting over omzetverantwoording. Dit fenomeen vatten we samen onder de noemer leereffecten.

Ook de European Securities Market Authority (ESMA, 2019) onderkent als onderdeel van de prioriteiten voor de jaarrekening over het boekjaar 2019 het belang van een verbeterde toepassing van IFRS 15. Wij citeren: “ESMA notes that the introduction of IFRS 15 changed the way issuers and users of financial information apply and analyse the recognition of revenue, even where it did not have a significant quantitative effect on the amount of revenue recognised. ESMA acknowledges the efforts made by issuers in implementing IFRS 15 and in providing information in the first set of annual financial statements prepared under the new standard. However, given the prominence of revenue in the financial statements and its importance in reflecting the activities of the issuer, ESMA is of the view that the disclosures provided by entities should be further improved. This is of particular importance in industries where revenue recognition is subject to significant assumptions and judgements.

In de laatste zin van het citaat refereert de ESMA aan sectoren waarbij sprake is van significante assumpties en overwegingen in toepassing van IFRS 15. De bouwsector behoort hier zoals aangegeven ook toe.

Dit onderzoek is verder als volgt gestructureerd. In paragraaf 2.1 wordt de onderzoekspopulatie beschreven. De hierop volgende paragrafen zijn ingedeeld naar twee deelonderwerpen zoals opgenomen in de toelichtingsvereisten van IFRS 15. Deze deelonderwerpen hebben naar ons inzicht de hoogste informatiewaarde voor de gebruikers van de jaarrekening van de geselecteerde onderzoekspopulatie. Deze betreffen toelichtingen omtrent contracten met afnemers (2.2) en toelichtingen omtrent significante overwegingen (2.3). Binnen de geselecteerde deelonderwerpen is een onderverdeling gemaakt naar sub-paragrafen. Deze sub-paragrafen zijn bepaald op basis van de naar ons inziens meest relevante toelichtingsvereisten van IFRS 15. Een onderverdeling is gemaakt naar de sub-paragrafen impairment verliezen contractactiva (2.2.1), toelichting op significante ontwikkelingen contractactiva en -verplichtingen (2.2.2) en disaggregatie van omzetverantwoording (2.2.3). De toelichtingen omtrent significante overwegingen zijn opgedeeld naar significante overwegingen ten aanzien van nog te verrichten prestatieverplichtingen (2.3.1) alsmede significante overwegingen ten aanzien van omvang en timing van omzetverantwoording (2.3.2). Verder wordt in dit onderzoek ingegaan op de key-audit-matters zoals opgenomen in de uitgebreide controleverklaring van de accountant (2.4). In paragraaf 3 sluiten we af met conclusies en een aantal slotopmerkingen.

2. Empirisch onderzoek

2.1 Onderzoekspopulatie

Dit onderzoek richt zich op de kwaliteit van de in de jaarrekening opgenomen informatie met betrekking tot IFRS 15 aangaande een populatie van Europese bouwondernemingen en projectontwikkelaars (vanaf nu: bouwondernemingen). De kwaliteit van de toelichtingen bezien wij in het kader van dit onderzoek in het licht van de algemene doelstellingen zoals geformuleerd in IFRS 15.110. Kwalitatieve en kwantitatieve toelichtingen die naar ons inzicht de gebruiker beter in staat stellen een oordeel te vormen over de aard, omvang en onzekerheid van de opbrengsten en de daaruit voorkomende kasstromen, zijn onderkend als toelichtingen met een hoge informatiewaarde.

Onze selectie van ondernemingen hebben wij bepaald op basis van de grootste bouwondernemingen met een Europese beursnotering en is gebaseerd op een Orbis-database. Ten aanzien van de classificatie als bouwonderneming is de NACE-code3 gehanteerd waarbij ondernemingen met een codering 41 tot en met 43 in de populatie zijn betrokken. De 30 grootste ondernemingen, geselecteerd naar de omvang van de opbrengsten, die aan deze selectiecriteria voldoen zijn geselecteerd voor ons empirisch onderzoek. Vanwege de relevantie voor de lezersdoelgroep van het MAB is de populatie aangevuld met twee jaarrekeningen van Nederlandse beursgenoteerde bouwondernemingen, zijnde Heijmans N.V. (Heymans) en Koninklijke Boskalis Westminster N.V. (Boskalis). Het aantal Nederlandse ondernemingen in de populatie komt daarmee uit op vier omdat BAM en VolkerWessels al in de oorspronkelijke populatie waren geselecteerd.

Alle in de populatie opgenomen ondernemingen stellen hun jaarrekening op in overeenstemming met IFRS zoals goedgekeurd door de Europese Unie. Dit onderzoek richt zich op de informatiewaarde van de aan IFRS 15 gerelateerde toelichtingen en beoogt, zoals hiervoor aangegeven, na te gaan of er leereffecten zijn opgetreden. Om die reden zijn zowel de boekjaren 2018 en 2019 onderzocht. Leereffecten zijn onderkend indien ondernemingen additionele toelichtingen hebben opgenomen in de 2019 jaarrekening die de informatiewaarde verhogen dan wel indien verbeteringen zijn doorgevoerd in 2019 voor reeds toegelichte informatie in 2018. Ook voor dat tweede geldt dat de informatiewaarde als uitgangspunt is gehanteerd voor het identificeren van leereffecten.

Vier ondernemingen4 zijn uit de populatie verwijderd omdat omzetverantwoording overwegend geschiedt op basis van een point-in-time-omzetverantwoording. De bouwsector is, zoals in de inleiding gemotiveerd, geselecteerd vanwege de significante oordelen die in de toepassing van IFRS 15 gemaakt moeten worden in met name het patroon van omzetverantwoording over de periode van het contract. Bij point-in-time-omzetverantwoording ontbreekt dit element omdat het moment van overdracht van beschikkingsmacht (control) in de regel niet onderworpen is aan belangrijke oordeelsvorming en in lijn zal zijn met de voorgaande standaard IAS 18.

Verder zijn drie ondernemingen uit de populatie verwijderd vanwege verstrengelingen binnen de groep. In de oorspronkelijke lijst van ondernemingen kwam het namelijk drie keer voor dat zowel een moedermaatschappij als haar dochtermaatschappij (dus binnen de consolidatiekring van de moeder) in de populatie was opgenomen. Vanuit een stakeholderperspectief is de onderneming die overwegend de externe financiering heeft aangetrokken in de onderzoekspopulatie betrokken. Dientengevolge zijn drie jaarrekeningen5uit de populatie verwijderd. De onderzoekspopulatie bestaat daarmee uit een totaal van 25 jaarrekeningen voor de boekjaren 2018 en 2019. De lijst met onderzochte ondernemingen is opgenomen in de bijlage.

Tabel 1 en 2 onderstaand geven enkele kenmerken van de onderzoekspopulatie.

Tabel 1.

Gegevens omtrent balanstotaal en omzet.

2019 (x EUR 1.000) 2018 (x EUR.1000)
Gemiddeld balanstotaal 12.683.428 12.120.393
Gemiddeld omzet 10.251.233 9.642.604
N 25 25
Tabel 2.

Populatie verdeeld over landen van herkomst.

Aantal
België 1
Duitsland 2
Finland 1
Frankrijk 3
Italië 2
Nederland 4
Oostenrijk 2
Spanje 4
Verenigd Koninkrijk 3
Zweden 3
N 25

2.2 Contracten met afnemers

IFRS 15 bevat specifieke vereisten aangaande de toelichtingen omtrent contracten met afnemers. Onder meer schrijft IFRS 15 voor om significante mutaties in een contractactief (contract asset) dan wel een contractverplichting (contract liability) toe te lichten (IFRS 15.118). Een contractactief is een recht op vergoeding omdat overdracht van het goed of de dienst aan de afnemer al heeft plaatsgevonden terwijl de facturering aan de afnemer nog moet plaatsvinden. Een debetstand dus op het project dat in opdracht van de afnemer wordt uitgevoerd en waarbij naar rato van de voortgang van het project omzet wordt verantwoord. Bij een contractverplichting is deze situatie net andersom. Dan heeft de afnemer al betaald voordat de overdracht van goederen of diensten heeft plaatsgevonden (vooruitbetaling). De ESMA (2019) attendeert opstellers tevens op de toelichtingsvereisten ten aanzien van contractactiva en -verplichtingen. In dit onderzoek is aandacht besteed aan de kwaliteit van toelichtingen op dit gebied. Tabel 3 tot en met 6 geven de resultaten weer.

Tabel 3.

Separate presentatie overzicht van financiële positie.

2019 2018
N % N %
Opgenomen op de balans 13 52 13 52
Opgenomen in toelichting 11 44 11 48
Geen sprake van significante contract assets en/of liabilities 1 4 1 4

Evenals het geval was in IAS 11 mogen contractactiva en -verplichtingen niet worden gesaldeerd of op een netto-basis op de balans worden gepresenteerd. IFRS laat ondernemingen echter vrij in hun keuze om contractactiva en -verplichtingen separaat op de balans op te nemen of in de toelichting uit te splitsen.6 Uit tabel 3 blijkt dat ongeveer evenveel ondernemingen een separate balanspost opnemen als in de toelichting een verdere uitsplitsing geven.

2.2.1 Impairment-verliezen contractactiva

Omdat contractactiva rechten op vergoeding zijn (nog te factureren bedragen) vereist IFRS (IFRS 15.107 en IFRS 9.5.5.1) dat contractactiva op een waardevermindering worden getoetst conform het expected credit loss (ECL)-model van IFRS 9. Contractactiva worden in dit kader dus hetzelfde behandeld als debiteuren waarbij er een onvoorwaardelijk vorderingsrecht is ontstaan.

In de meeste gevallen wordt de door IFRS 15.118 (sub c) vereiste toelichting op impairment-verliezen aangaande contractactiva inbegrepen in de ECL-analyse voor handelsvorderingen. Uit tabel 4 blijkt dat de impairment voor het overgrote deel niet wordt toegelicht. Een mogelijke oorzaak is de beperkte (niet-materiële) omvang van de impairment -verliezen op contractactiva.7 Twee ondernemingen in de populatie hebben in hun jaarrekening specifiek toegelicht dat de impairment-verliezen nul of niet-materieel zijn.

Tabel 4.

Impairment contract assets (IFRS 15.118 sub C).

2019 2018
N % N %
Separaat toegelicht – tabelvorm 3 12 2 8
Separaat toegelicht – tekstueel 1 4 0 0
Separate toelichting niet-materiële impact van impairment verliezen 2 8 2 8
Niet separaat toegelicht 19 76 21 84

Twee ondernemingen in de populatie hebben hun toelichting verbeterd in die zin dat ze in 2018 geen separate toelichting gaven terwijl ze dat in 2019 wel doen. Er kan hier sprake zijn van een leereffect. Het aantal van 20 ondernemingen dat geen toelichting geeft op de waardevermindering achten we echter veel te hoog.

2.2.2 Toelichting op significante ontwikkelingen contractactiva en -verplichtingen

Zoals uit tabel 5 blijkt geeft slechts een deel (60%) van de ondernemingen een toelichting op de mutatie van de contractactiva en -verplichtingen gedurende de verslaggevingsperiode. Twee ondernemingen hebben in 2019 wel een toelichting opgenomen waar zij in 2018 geen toelichting hebben opgenomen. Spiegelbeeldig hebben echter in 2019 twee ondernemingen geen toelichting waar ze dat in 2018 nog wel deden. Een verklaring kan zijn gelegen in het ontbreken van een significante mutatie gedurende de verslaggevingsperiode. Zo schrijft IFRS 15 voor dat ondernemingen significante veranderingen in contractactiva en -verplichtingen op kwantitatieve en kwalitatieve basis dienen te verklaren. In enkele gevallen is geen toelichting opgenomen waar dit op basis van een relatieve mutatie van de contractactiva en -verplichtingen wel verwacht zou mogen worden. Tabel 6 geeft een overzicht van de belangrijkste verklaringen voor de mutaties in de contractactiva en -verplichtingen die bouwondernemingen geven. De resultaten laten zien dat ondernemingen overwegend ‘reguliere’ projectontwikkelingen (bijvoorbeeld operationele activiteiten of facturatie) als verklaring geven voor de ontwikkeling van de contractactiva en -verplichtingen. In drie gevallen wordt de ontwikkeling van de contractactiva en -verplichtingen verklaard vanuit individuele contracten. Op basis van de naar onze mening hoge informatiewaarde hebben we de jaarrekening van Salini Impregilo geselecteerd als best practice toelichting (figuur 1). Onderscheidend voor de jaarrekening van Salini Impregilo is de verklaring van de ontwikkelingen in contractactiva en -verplichtingen met verwijzing naar de meest relevante projecten die deze mutaties verklaren. Onder meer wordt in de toelichting de omvang van de variabele contractactiva (d.w.z. voortvloeiend uit additional considerations en claims) kwantitatief toegelicht alsmede op welke wijze is onderbouwd dat deze vergoedingen ‘zeer waarschijnlijk’ zijn.

Tabel 5.

Toelichting mutatie contract assets en liabilities.

2019 2018
N % N %
Wel toegelicht 15 60 15 60
Niet expliciet toegelicht 9 36 9 9
Geen sprake van significante contract assets en/of liabilities 1 4 1 4
Tabel 6.

Belangrijkste verklaringen mutatie contract assets en liabilities.

Oorzaak mutatie Aantal observaties
Productie gedurende het jaar/operationele activiteiten 8
Koersverschillen 6
Scope en consolidatiewijzigingen 6
Overboeking naar handelsvorderingen / facturatie 5
Vooruitgefactureerde bedragen 5
Verklaring vanuit individuele contracten 3
Gerealiseerde prestatieverplichtingen uit voorgaande jaren 2
Stelselwijziging (transitie-impact IFRS 15 in boekjaar 2018) 1
Impairment verliezen 1
Re-classificatie projectvoorziening (IAS 37) 1
Figuur 1.

Best practice toelichting contract assets: Salini Impregilo, 2019 Annual report, pp. 295–296. https://salini-pdf-archive.s3-eu-west-1.amazonaws.com/investitori/en/financial-reports/2019/eng_Annual+Report_2019_def.pdf

Naar onze mening stelt deze informatie de gebruiker beter in staat om een oordeel te vormen over de aard, omvang en onzekerheid van de opbrengsten en daaruit voorkomende kasstromen.8 Daarnaast valt de nadere disaggregatie naar geografisch gebied positief op in deze jaarrekening van Salini Impregilo.

Zoals hierboven beschreven dienen ontwikkelingen in contractactiva en -verplichtingen op basis van IFRS 15 zowel kwantitatief als kwalitatief toegelicht te worden. De jaarrekening van Balfour Beatty dient als een best practice op het gebied van de presentatie van het verloop van de stand van contractactiva en -verplichtingen in tabelvorm. In de toelichting zijn bovendien separaat in tabelvorm de impairment-verliezen aangaande contractactiva en -verplichtingen gepresenteerd.

Figuur 2.

Best practice toelichting contract assets: Balfour Beatty, Annual report and accounts 2019, p. 186. https://salini-pdf-archive.s3-eu-west-1.amazonaws.com/investitori/en/financial-reports/2019/eng_Annual+Report_2019_def.pdf

2.2.3 Disaggregatie van omzetverantwoording

Op basis van een door gebruikers van de jaarrekening uitgesproken wens heeft de IASB besloten om ondernemingen te verplichten een disaggregatie van de omzet op te nemen en toe te lichten hoe deze informatie zich verhoudt tot de gesegmenteerde informatie van IFRS 8. Van de onderzochte jaarrekeningen geeft 40% geen nadere disaggregatie van de opbrengsten. Deze ondernemingen presenteren de disaggregatie van de omzetverantwoording op basis van IFRS 8. Een nadere toerekening naar geografische gebieden is in onze analyse niet onderkend als additionele disaggregatie omdat dit een vereiste betreft die direct voortvloeit uit IFRS 8.9 Van de ondernemingen die één of meer additionele disaggregaties presenteren ziet de additionele disaggregatie in de meeste gevallen (twaalf observaties) toe op een nadere uitsplitsing van de aard van de opbrengst-genererende activiteit of een nadere uitsplitsing van de wijze van omzetverantwoording10 (zeven observaties) of disaggregatie naar type afnemer (drie observaties). De observatie dat slechts 60% een nadere disaggregatie opneemt in haar jaarrekening is opvallend laag.

Tabel 7.

Disaggregatie van omzetverantwoording.

2019 2018
N % N %
Geen verdere disaggregatie 10 40 10 40
1 additionele disaggregatie 9 36 9 36
2 additionele disaggregaties 5 20 5 20
3 additionele disaggregaties 1 4 1 4
Figuur 3.

Best practice toelichting segmentatie omzet: PEAB Annual and sustainability report 2019, p. 85. https://www.peab.com/pdfviewer/514174

Een best practice-toelichting van disaggregatie van de opbrengsten hebben we aangetroffen in de jaarrekening van PEAB (2019). In deze jaarrekening wordt nadrukkelijk invulling gegeven aan hoe de disaggregatie van de omzet zich verhoudt tot de gesegmenteerde informatie zoals vereist door IFRS 15.115. Door de additionele disaggregatie in de categorieën: geografie, type afnemer, wijze van omzetverantwoording alsmede aard van de opbrengstgenerende activiteit, zijn wij van mening dat in lijn met de in IFRS 15 opgenomen doelstelling11 relevante informatie aan de gebruikers van de jaarrekening wordt verstrekt.

Tabel 8.

Belangrijkste additionele disaggregaties.

Type additionele disaggregatie Aantal observaties
Aard van de opbrengst-genererende activiteit 12
Timing van omzetverantwoording 7
Type afnemer (bijvoorbeeld overheid versus non-overheid) 3

Uit het empirisch onderzoek blijkt verder dat slechts bij een beperkt aantal bouwondernemingen (16%) leereffecten te onderkennen zijn. Deze leereffecten zijn terug te leiden naar in 2019 additioneel opgenomen toelichtingen aangaande mutaties in contractactiva en -verplichtingen dan wel het separaat presenteren van impairment-verliezen op contractactiva.12 Wij merken op dat de geïdentificeerde leereffecten in bredere zin minimaal zijn.

Tabel 9.

Leereffecten contract assets en contract liabilities.

N %
Geen effect 21 84
Wel effect 4 16

2.3 Significante overwegingen

2.3.1 Significante overwegingen ten aanzien van nog te verrichten prestatieverplichtingen

IFRS 15 kent toelichtingsvereisten aangaande nog te verrichten prestatieverplichtingen. Deze toelichtingsvereisten zijn uitgewerkt in IFRS 15.119-122.

Contracten binnen de bouw zijn doorgaans langjarig waardoor per balansdatum nog niet voltooide prestatieverplichtingen ontstaan. De omvang van het werk dat reeds is aangenomen maar dat (deels) nog uitgevoerd moet worden, dient onder IFRS 15 toegelicht te worden. Deze toelichting dient kwantitatief dan wel kwalitatief opgenomen te worden in de jaarrekening. Ondernemingen wordt gevraagd om informatie te geven over de verwachte periode van de realisatie van de nog te verrichten prestatieverplichtingen. Om onder meer de incrementele kosten gepaard gaande met de toepassing van IFRS 15 te beperken, heeft de IASB enkele practical expedients toegelaten. Zo hoeven ondernemingen voornoemde informatie omtrent resterende prestatieverplichtingen niet op te nemen indien de prestatieverplichting onderdeel is van een contract met een initiële looptijd korter dan een jaar, dan wel, indien het recht op facturatie rechtstreeks correspondeert met de door een onderneming geleverde prestaties.13 Dit zal echter naar verwachting niet van toepassing zijn voor de geselecteerde bouwondernemingen omdat de sector zich kenmerkt door langjarige contracten en de totstandkoming van contractactiva en -verplichtingen als een gevolg van een tijdsverschil tussen het leveren van de prestatie en het recht op de vergoeding respectievelijk het moment van facturatie. Op basis van een beoordeling van de jaarrekeningen is onder de onderzoekspopulatie dan ook geen onderneming gevonden die gebruikt maakt van deze practical expedient. In de illustrative examples van IFRS 1514 zijn enkele voorbeelden opgenomen op welke wijze invulling kan worden gegeven aan de toelichtingsvereisten inzake de nog te verrichten prestatieverplichtingen. “Onder meer wordt geïllustreerd op welke wijze aan de hand van tijdsinvervallen (time bands) de timing van de realisatie van de nog te verrichten prestatieverplichtingen kan worden gepresenteerd. Tabel 10 geeft een overzicht van de disaggregatie van de timing van de resterende prestatieverplichtingen.

Tabel 10.

Disaggregatie timing van resterende prestatieverplichtingen.

2019 2018
N % N %
Niet toegelicht / niet expliciet te herleiden 0 0 1 4
1 time band 5 20 6 24
2 time bands 11 44 10 40
3 time bands 7 28 6 24
4 of meer time bands 2 8 2 8

In een enkel geval (één observatie in 2018) is de timing van de resterende prestatieverplichtingen niet toegelicht of niet expliciet te herleiden uit de jaarrekening. Uit de populatie van onderzochte bouwondernemingen blijkt dat over de boekjaren 2019 en 2018 respectievelijk 20% en 24% van de ondernemingen één tijdsinterval hanteren en in de meeste gevallen (44% en 40% van de observaties) worden twee tijdsintervallen gehanteerd. Skanska (best practice; figuur 4) heeft gekozen voor een onderverdeling in vijf tijdsintervallen. Verder is deze informatie nader onderverdeeld op het niveau van operationeel segment.

Figuur 4.

Best practice toelichting tijdsintervallen resterende prestatieverplichtingen: Skanska, Annual and sustainability report 2019, p. 134. https://group.skanska.com/496a54/siteassets/investors/reports-publications/annual-reports/2019/annual-and-sustainability-report-2019.pdf

Wij hebben eveneens geanalyseerd in hoeverre ondernemingen een nadere disaggregatie hebben opgenomen in de toelichting van de nog te verrichten prestatieverplichtingen (tabel 11) inclusief het optreden van leereffecten (tabel 12). In 56% van de gevallen wordt geen nadere disaggregatie gepresenteerd in de jaarrekening over 2019. In 2018 betrof dit 60% waarmee dus een zeer geringe verbetering zichtbaar is. Deze verbetering is te herleiden naar de jaarrekening van Fomento de construcciones Y contratas die de nog te verrichten prestatieverplichtingen in 2019 toelicht terwijl ze dat in 2018 nog niet deed.

Tabel 11.

Disaggregatie nog te verrichten prestatieverplichtingen.

2019 2018
N % N %
Geen additionele disaggregatie 14 56 15 60
1 additionele disaggregatie 10 40 9 36
2 of meer additionele disaggregaties 1 4 1 4

Een best practice-toelichting van een additionele disaggregatie van de nog te verrichten prestatieverplichtingen per balansdatum is geïdentificeerd in de jaarrekening van Hochtief. Deze onderneming heeft in haar toelichting van de nog niet verrichte prestatieverplichtingen een nadere disaggregatie opgenomen naar geografisch gebied alsmede aard van de ondernemingsactiviteiten (figuur 5). In lijn met de observaties uit het empirisch onderzoek als onderdeel van contracten met afnemers (2.2), zijn ook ten aanzien van de toelichtingen omtrent prestatieverplichtingen beperkte leereffecten te onderkennen (tabel 12). Naast de voornoemde opname van de nog te verrichten prestatieverplichtingen in de jaarrekening van Fomento de construcciones Y contratas zijn enkele geringe verbeteringen te onderkennen in de jaarrekening van Ackermans en Van Haaren alsmede in die van Morgan Sindall.

Tabel 12.

Leereffecten significante oordeelsvormingen nog te verrichten prestatieverplichtingen.

N %
Geen effect 22 88
Wel effect 3 12
Figuur 5.

Best practice toelichting nog te verrichten prestatieverplichtingen: Hochtief, Group report 2019. Combined annual financial and sustainability report, p. 177. https://www.hochtief.com/news-media/publications

2.3.2 Significante overwegingen ten aanzien van omvang en timing van omzetverantwoording

Eén van elementen waaromtrent IFRS 15 nadere toelichting geeft ten opzichte van haar voorgangerstandaarden betreft de bepaling en verwerking van de transactieprijs waarbij met name nadere regels zijn opgenomen hoe om te gaan met variabele vergoedingen. De totale transactieprijs kan bestaan uit vaste vergoedingen en variabele vergoedingen.15 In het bijzonder is dat laatste een gebied waar in de praktijk een hoge mate van oordeelsvorming mee gemoeid gaat. De bepalingen van IFRS 15 schrijven voor dat enkel variabele vergoedingen die ‘zeer waarschijnlijk’ zijn worden opgenomen in de contractprijs.16 De beoordeling of aan dit criterium wordt voldaan vraagt in de praktijk om de evaluatie van een verscheidenheid aan onzekere factoren. Bij uitstek is de bouwsector een sector waarin variabele vergoedingen in contractvormen zitten besloten. Denk daarbij aan bonus- en malus-bepalingen verband houdende met het moment van oplevering van een project.17 Tevens kenmerkt de sector zich door de veelvuldige aanwezigheid van contractmodificaties, waarvan de invloed op de transactieprijs op elke rapporteringsdatum beoordeeld dient te worden. De significante oordeelsvormingen gepaard gaande met dergelijke inschattingen dienen door ondernemingen te worden toegelicht.18 In een eerder door de Financial Reporting Council (FRC 2019) gepubliceerde themareview omtrent de kwaliteit van toelichtingen van IFRS 15, werd reeds opgemerkt dat toelichtingen omtrent dergelijke significante oordeelsvormingen verbeterd kunnen worden.

Vanuit dit kader hebben wij de significante oordeelsvormingen met betrekking tot de omvang en timing van omzetverantwoording van bouwondernemingen onderzocht. De empirische analyse heeft zich gericht op de aanwezigheid van significante oordeelsvormingen en de aanwezigheid van leereffecten. Tevens is onderzocht of ondernemingen als onderdeel van toelichting omtrent onzekerheden, oordelen en assumpties en schattingen die het meest relevant zijn geweest bij het opstellen van de jaarrekening (zoals vereist door IAS 119) oordeelsvormingen ten aanzien van omvang en timing van omzetverantwoording hebben benoemd.

Figuur 6.

Best practice toelichting significante oordeelsvormingen t.a.v. timing en omvang van omzetverantwoording: Heijmans, Jaarverslag 2019, pp. 171, 200–201. https://www.heijmans.nl/media/filer_public/a5/14/a5144fb3-8e13-4a39-99e0-b4b2b2e77437/hm_jv2019.pdf

De resultaten zijn opgenomen in de tabellen 13 tot en met 15. In vrijwel alle gevallen (92%) hebben de bouwondernemingen een toelichting opgenomen omtrent de significante oordeelsvormingen die zien op de bepaling van de omvang en timing van de omzetverantwoording. Slechts in 8% van de gevallen (twee observaties) konden de significante oordeelsvormingen niet direct herleid worden.

Tabel 13.

Significante oordeelsvormingen ten aanzien van omvang en timing van omzetverantwoording.

2019 2018
N % N %
Wel toegelicht 23 92 23 92
Niet expliciet te herleiden 2 8 2 8

Een geselecteerde best practice-toelichting betreft de jaarrekening van Heijmans (2019) waarin onder meer project-specifieke significante oordeelsvormingen zijn toegelicht in de jaarrekening. Onze bredere observatie is dat ondernemingen doorgaans huiverig zijn in het opnemen van dergelijke project-specifieke informatie. Daarnaast merken wij op dat in de jaarrekening van Heijmans op duidelijke wijze de onzekerheden en oordeelsvormingen omtrent variabele vergoedingen zijn toegelicht. Voorts merken wij op dat de jaarrekening van Porr op onderdelen zich als best practice onderscheidt. Zij hebben als onderdeel van de key assumptions and key sources of estimation uncertainty de belangrijkste gehanteerde assumpties uiteengezet. Zo heeft Porr ervoor gekozen om een sensitiviteitsanalyse van de belangrijkste gehanteerde assumpties op te nemen.20

Tabel 14.

Toelichting als onderdeel significante overwegingen en schattingen (IAS 1.22/125).

N (2019) N (2018)
Wel toegelicht als onderdeel significante overwegingen en schattingen 20 20
Niet toegelicht als onderdeel significante overwegingen en schattingen 5 5
N 25 25

Ondernemingen hebben in overwegende mate (20 observaties) significante oordeelsvormingen aangaande zowel de omvang en timing van de omzetverantwoording toegelicht als onderdeel van de onder IAS 1 vereiste toelichtingen van onzekerheden, oordelen en schattingen die het meest significant zijn geweest als onderdeel van het opstellen van de jaarrekening.

Tabel 15 geeft een overzicht van de belangrijkste significante oordeelsvormingen en schattingen die door bouwondernemingen worden toegelicht ten aanzien van de omvang en timing van omzetverantwoording21. In de meeste gevallen hangen de significante oordeelsvormingen samen met omzetverantwoording over tijd inclusief de hieraan gerelateerde schattingen omtrent de mate van voortgang van het project. Ook komen schattingen omtrent het projectresultaat (21 observaties) relatief vaak voor. Tevens wordt door bouwondernemingen frequent (elf observaties) verwezen naar significante oordeelsvormingen (en schattingen) omtrent variabele vergoedingen dan wel disputen die van materiële invloed kunnen zijn op de jaarrekening.

Tabel 15.

Toelichting van belangrijkste significante overwegingen en schattingen.

Aard van significante overwegingen en schattingen Aantal observaties
Oordeelsvormingen omtrent omzetverantwoording over tijd inclusief schattingen omtrent het projectresultaat 21
Oordeelsvormingen omtrent variabele vergoedingen of disputen 12
Oordeelsvormingen omtrent (het aantal) prestatieverplichtingen inclusief oordeelsvormingen omtrent ‘distinct’ 4
Oordeelsvormingen omtrent het identificeren van een contract onder IFRS 15 2
Oordeelsvormingen omtrent contractwijzigingen 1
Inbaarheid van vergoedingen voor verrichte prestatieverplichtingen 1
Significante oordeelsvormingen omtrent omzetverantwoording zonder nadere specificering 1

De resultaten (tabel 16) laten verder zien dat er geen sprake is van leereffecten waarbij we opmerken (tabel 13) dat op dit onderdeel veruit de meeste ondernemingen zowel in 2018 als in 2019 (92%) informatie over oordeelsvormingen hebben opgenomen. De resterende ruimte voor het leereffect is dus beperkt.

Tabel 16.

Leereffect ten aanzien van significant judgements.

N %
Geen effect 25 100
Wel effect 0 0
Figuur 7.

Best practice toelichting significante oordeelsvormingen: Porr, Yearly Financial Report 2019, p. 146. https://porr-group.com/fileadmin/s_porr-group/IR/Konzernberichte/2019/PORR_FY_Report_2019_EN.pdf

2.4 Key-audit-matters

Uit analyse van de onderzochte bouwondernemingen blijkt dat alle accountants omzetverantwoording in bredere of engere zin hebben onderkend als kernpunt (key-audit-matter) van de accountantscontrole. Een beperkt aantal accountants heeft in haar kernpunten van de accountantscontrole toeziend op de jaarrekening over 2018 de transitie naar IFRS 15 benoemd. Slecht één accountant heeft er voor gekozen separaat de transitie naar IFRS 15 als kernpunt van de controle te onderkennen naast het onderkennen van omzetverantwoording als kernpunt (BAM 2018). Dit beeld is in lijn met de uitkomsten van Van der Kuij-Groenberg and Pronk (2019). Een verklaring voor het niet opnemen van een separaat kernpunt als onderdeel van de uitgebreide controleverklaring toeziend op de transitie naar IFRS 15 is mogelijk gelegen in het ontbreken van een materieel effect op vermogen en resultaat van de transitie naar IFRS 15.

Tabel 17.

Key-audit-matters

N %
Nee 0 0
Ja – Waardering projecten en omzetverantwoording 25 100%

3. Conclusie en slotopmerkingen

In deze bijdrage is de informatiewaarde van toelichtingen omtrent de opbrengsten onder een populatie van Europese bouwondernemingen onderzocht. Op basis van de toelichtingsvereisten van IFRS 15 dienen ondernemingen informatie op te nemen in de jaarrekening waarmee gebruikers in staat worden gesteld de aard, omvang en onzekerheden van opbrengsten begrijpelijk te maken. De kwaliteit van de informatieverstrekking is onderzocht aan de hand van een aantal op de toelichtingsvereisten van IFRS 15 gebaseerde deelonderwerpen. In algemene zin blijkt dat bouwondernemingen geen tot geringe verbeteringen hebben doorgevoerd in de jaarrekening over 2019, ondanks de eerder door de ESMA uitgesproken oproep (ESMA 2019).

Bij het opstellen van de toelichtingsvereisten van IFRS 15 heeft de IASB er bewust voor gekozen om een betere aansluiting te vinden bij informatie die reeds op basis van andere IFRSs dient te worden toegelicht. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in het opstellen van een specifieke doelstelling omtrent de toelichtingsvereisten (IFRS 15.110).22 Met deze doelstelling wordt beoogd daadwerkelijk informatiewaarde voor de gebruikers van de jaarrekening toe te voegen. Dit heeft uiteindelijk ook geresulteerd in nadere bepalingen23 die aangeven dat ondernemingen de mate van detail in de toelichting dienen te bezien in het licht van de materialiteitsdefinitie (IFRS 15.111). De verwevenheid met andere in de jaarrekening toegelichte informatie zien we terug bij de bepalingen omtrent de disaggregatie van omzetstromen. In de meerderheid van de observaties (60%) stellen we vast dat ondernemingen één of meer additionele disaggregaties opnemen ten opzichte van de door IFRS 8 gevraagde informatie. Wij constateren dat de informatiewaarde met betrekking tot de disaggregatie van omzet sterk uiteenloopt. Additionele disaggregaties op het gebied van bijvoorbeeld de aard van de opbrengstgenererende activiteit, timing van de omzetverantwoording en type afnemer, sluiten naar onze mening naadloos aan bij de doelstellingen van IFRS 15 maar vinden we in veel jaarrekeningen niet terug.

Overwegend constateren wij dat bouwondernemingen (60%) wel toelichtingen geven over significante mutaties in contractactiva en -verplichtingen. We constateren echter ook dat de informatiewaarde van de verstrekte verklaringen beperkt is. We merken daarbij op dat de onderzochte bouwers vrijwel geen toelichtingen verstrekken op projectniveau. Een mogelijke verklaring zou hiervoor gelegen zijn in het niet-significante aandeel van individuele projecten op de totaalsaldi. Een andere verklaring zou kunnen zijn dat ondernemingen op basis van de (koers)gevoeligheid van deze informatie alsmede de onderhandelingspositie ten opzichte van de desbetreffende afnemers ervoor kiezen deze informatie niet op te nemen. Desalniettemin lijkt er ruimte tot verbetering met betrekking tot dit deel van de toelichting dat zonder meer door gebruikers zeer relevant zal worden gevonden.

Oordeelsvormingen en schattingen gepaard gaande met de omzetverantwoording worden in de meeste gevallen (80%) door bouwondernemingen geïdentificeerd als de meest belangrijke oordeelsvormingen en schattingen bij het opstellen van de jaarrekening. Desalniettemin observeren wij in brede zin dat de diepgang en informatiewaarde van toelichtingen omtrent opbrengstverantwoording uiteenlopen en dat ondernemingen in vrijwel alle gevallen ervoor kiezen om zich te beperken tot het geven van generieke informatie. In slechts een beperkt aantal gevallen hebben we meer specifieke informatie aangetroffen toeziend op individuele projecten of specifieke (geografische) opbrengst-genererende activiteiten. De verhoogde aandacht van de accountants (afgeleid van de in de uitgebreide controleverklaring genoemde key-audit-matters) heeft er niet toe geleid dat bouwondernemingen ruimhartig zijn geweest in het geven van specifieke toelichtingen omtrent opbrengstverantwoordingen. Derhalve sluiten we aan bij de in paragraaf 1 geciteerde bevinding van de ESMA:

ESMA is of the view that the disclosures provided by entities should be further improved. This is of particular importance in industries where revenue recognition is subject to significant assumptions and judgements

Ook met deze bijdrage roepen we ondernemingen op om daadwerkelijk relevante, ondernemingsspecifieke informatie op te nemen en roepen we toezichthouders en accountants op om op de naleving van de toelichtingsvereisten – die er echt toe doen in het licht van de doelstelling van IFRS 15 en de specifieke situatie van de onderneming – kritisch te zijn. Moge de best practices in deze bijdrage daaraan dienstbaar zijn.

R. (Roy) van Duuren MSc EMA RA is als manager werkzaam bij EY en is als universitair docent Externe Verslaggeving verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Prof. dr. R.L. (Ralph) ter Hoeven RA is partner op het vaktechnisch centrum van Deloitte Accountants en is als hoogleraar Externe Verslaggeving verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen.

De auteurs hebben deze bijdrage geschreven op persoonlijke titel.

Noten

1

IFRS 15 BC 463.

2

Zo concluderen Van der Kuij-Groenberg and Pronk (2019) op basis van onderzoek onder 66 Europese beursgenoteerde ondernemingen (exclusief financiële instellingen) dat voor het merendeel van de ondernemingen het IFRS 15-overgangseffect niet materieel is.

3

De NACE-CODE is een code die door de Europese Unie en haar Lidstaten toegekend wordt aan een bepaalde klasse van economische activiteiten. Ondernemingen met een NACE-Code 41 – Construction of buildings, 42 – Civil engineering, en 43 – Specialised construction activities zijn in de populatie betrokken.

4

Barrat Developments plc, Permission plc, Bellway plc en Berkely plc.

5

ACS Servicios, Colas SA en Compagne D’enterprises CFE SA

6

Contractactiva en -verplichtingen staan niet in het minimumlijstje van IAS 1.54. Daarin staan wel trade and other receivables alsmede trade and other payables waar ze onder kunnen worden geschaard.

7

In de praktijk observeren wij dat onzekerheid omtrent oninbaarheid van contractactiva doorgaans gelegen is in een vraagstuk of afnemers bereid zijn om te betalen anders dan de vraag of afnemers de financiële mogelijkheden hebben om te betalen. Dat eerste betreft een vraagstuk binnen de reikwijdte van IFRS 15 (bijvoorbeeld waardering van variabele vergoedingen) terwijl dat laatste binnen de ECL-bepalingen van IFRS 9 valt.

8

Dit sluit aan bij de algemene doelstellingen van de toelichtingsvereisten van IFRS 15 zoals geformuleerd in IFRS 15.110

9

IFRS 8.33a.

10

Hiermee doelen we op onderscheid tussen over-time- en at-a-point-in-time-omzetverantwoording. De criteria van IFRS 15.35 spelen hierbij een rol.

11

IFRS 15.110.

12

Paragraaf 2.2.1

13

Practical expedient op basis van IFRS 15.121. In IFRS 15 B16 wordt (inzake de laatste expedient) een voorbeeld gegeven dat binnen een dienstencontract elk gewerkt uur mag worden gefactureerd.

14

De illustrative examples maken geen integraal onderdeel uit van de IFRS en (zoals de naam impliceert) zijn voor illustratieve doeleinden. Desalniettemin kunnen de illustrative examples belangrijke richting geven aan opstellers van financiële overzichten in overeenstemming met IFRS.

15

IFRS 15.47

16

IFRS 15 heeft voor de bepaling een negatieve formulering gehanteerd waarbij enkel opbrengsten verantwoord worden indien het ‘zeer waarschijnlijk’ is dat er geen sprake zal zijn van een significante terugname van de reeds verantwoorde cumulatieve opbrengsten (IFRS 15.56). Hiermee is door de IASB beoogd aan te sluiten bij de informatiewaarde voor de gebruikers van de jaarrekening (IFRS 15 BC 206).

17

Dergelijke bonus- en malus-overeenkomsten dienen onder IFRS 15 verwerkt te worden als een variabele vergoeding. In de praktijk betekent dit dat positieve vergoedingen (bonuses) slechts in de transactieprijs dienen te worden begrepen op het moment dat het ‘zeer waarschijnlijk’ is dat er geen sprake zal zijn van een significante terugname van de reeds verantwoorde cumulatieve opbrengsten (IFRS 15.56). Voor negatieve vergoedingen (maluses) geldt dat het ‘zeer waarschijnlijk’ dient te zijn dat niet aan de voorwaarden van de malus-bepalingen zal worden voldaan voordat het boetebedrag niet in mindering dient te worden gebracht op de transactieprijs. In IFRS 15-terminologie wordt in dit geval gesproken over constraining estimates of variable consideration.

18

IFRS 15.126

19

Op basis van IAS 1.122 en IAS 1.125 dienen ondernemingen toelichtingen te geven over onzekerheden, oordelen en assumpties van schattingen die het meest belangrijk zijn geweest bij het opstellen van de jaarrekening.

20

Wij merken daarbij op dat de in de jaarrekening van Porr gepresenteerde sensitiviteitsanalyse toeziend op contractactiva, en de genoemde voorzieningen direct dan wel indirect verband houden met de hoogte van de verantwoorde omzet in de verslaggevingsperiode.

21

Ten aanzien van significante oordeelsvormingen en schattingen omtrent de omvang en timing van omzetverantwoording wordt gerefereerd aan de toelichtingsvereiste van IAS 1.122 en IAS 1.125 dan wel toelichtingen uit hoofde van IFRS 15.123 sub a en b.

22

Naast de algemene doelstelling die in IFRS 15.1 wordt gegeven.

23

IFRS 15.111 en IFRS 15.112.

Literatuur

  • Pronk M, Roozen CM (2018) Toelichting verwachte impact van IFRS 9 en IFRS 15. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 92(11/12): 309–328. https://doi.org/10.5117/mab.92.29609
  • Van der Kuij-Groenberg K, Pronk M (2019) Toelichting verwachte impact van IFRS 9 en IFRS 15. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 93 (11/12): 317–328. https://doi.org/10.5117/mab.93.39539

Bijlage 1

Onderzoekspopulatie

# Onderneming Land Onderzochte boekjaren NACE-Code
1 ACCIONA S.A. Spanje 2018, 2019 4120
2 ASTALDI Italië 2018, 2019 4120
3 ACKERMANS EN VAN HAAREN NV/SA België 2018, 2019 4299
4 BALFOUR BEATTY PLC Verenigd Koninkrijk 2018, 2019 4299
5 BILFINGER SE Duitsland 2018, 2019 4211
6 BOUYGUES SA Frankrijk 2018, 2019 4299
7 EIFFAGE Frankrijk 2018, 2019 4120
8 FERROVIAL, S.A. Spanje 2018, 2019 4299
9 FOMENTO DE CONSTRUCCIONES Y CONTRATAS SA Spanje 2018, 2019 4211
10 HEIJMANS NV Nederland 2018, 2019 4120
11 HOCHTIEF AG Duitsland 2018, 2019 4211
12 KONINKLIJKE BAM GROEP NV Nederland 2018, 2019 4120
13 KONINKLIJKE BOSKALIS WESTMINSTER NV Nederland 2018, 2019 4299
14 KONINKLIJKE VOLKERWESSELS N.V. Nederland 2018, 2019 4299
15 MORGAN SINDALL GROUP PLC Verenigd Koninkrijk 2018, 2019 4120
16 NCC AB Zweden 2018, 2019 4120
17 PEAB AB Zweden 2018, 2019 4120
18 PORR AG Oostenrijk 2018, 2019 4120
19 SACYR, S.A. Spanje 2018, 2019 4110
20 Salini IMPREGILO S.P.A. Italië 2018, 2019 4299
21 SKANSKA AB Zweden 2018, 2019 4120
22 STRABAG SE Oostenrijk 2018, 2019 4211
23 TAYLOR WIMPEY PLC Verenigd Koninkrijk 2018, 2019 4120
24 VINCI Frankrijk 2018, 2019 4120
25 YIT OYJ Finland 2018, 2019 4120