Print
De toelichting over impairment testing onder NL GAAP
expand article infoArjan Brouwer, Gijs de Graaff§, Renick van Oosterbosch|
‡ Vrije Universiteit, Amsterdam, Netherlands
§ KPMG, Amstelveen, Netherlands
| TIE Kinetix, Rotterdam, Netherlands
Open Access

Samenvatting

In dit artikel doen we verslag van de informatieverschaffing over impairment testing onder NL GAAP. Het onderzoek is uitgevoerd onder grote ondernemingen met een relatief hoog bedrag aan immateriële vaste activa. De verwachting was dat de COVID-19-crisis en de resultaatontwikkeling bij een groot deel van de onderzochte ondernemingen aan te merken is als een aanwijzing dat activa aan een bijzondere waardevermindering onderhevig kunnen zijn. Echter, we treffen in veel gevallen geen of beperkte informatie aan over de uitgevoerde triggering events-analyse en de uitgevoerde impairment tests. Het lijkt er dan ook op dat niet veel ondernemingen de toelichting in de jaarrekening 2020 hebben aangepast naar aanleiding van de in 2020 ontstane situatie.

De ondernemingen die de meest omvangrijke impairments hebben verantwoord in 2020 hebben wel een meer uitgebreide toelichting opgenomen over de uitgevoerde impairment tests, inclusief de gehanteerde veronderstellingen. Op basis van het onderzoek concluderen wij dat ondernemingen meer aandacht kunnen besteden aan de belangrijke schattingen die in een specifiek jaar relevant zijn voor het begrip van de in de jaarrekening opgenomen bedragen.

Trefwoorden

Impairment, bijzondere waardevermindering, RJ 121

Relevantie voor de praktijk

Goede informatie over belangrijke schattingen in het algemeen en, meer specifiek, over impairment testing is van belang voor een goed begrip van de in de jaarrekening opgenomen bedragen. In dit artikel doen we verslag van en geven we voorbeelden van best practices over deze toelichting in de jaarrekeningen over 2020, een jaar waarin het belang hiervan bij veel ondernemingen groter zal zijn geweest dan in andere jaren.

1. Inleiding

De Nederlandse en wereldwijde economie zijn in 2020 zwaar getroffen door de effecten van COVID-19. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) rapporteerde1 in 2020 een economische krimp van Nederland van 3,8%, een krimp van 3,5% voor de Verenigde Staten en een krimp van 6,2% voor de Europese Unie met een aantal zeer zwaar geraakte sectoren zoals horeca, toerisme en vervoer.

In het kader van de halfjaarverslaggeving van beurgenoteerde ondernemingen wees de European Securities and Markets Authority (ESMA) in mei 2020 dan ook op het feit dat de COVID-19-situatie voor veel ondernemingen waarschijnlijk kwalificeert als een indicator die aanleiding geeft tot uitvoering van een impairment test: “ESMA reminds issuers that (…..) they should assess whether there are any indications that an asset may be impaired on the basis of a set of internal and external sources of information. In making this assessment, issuers should carefully consider the effects of the COVID-19 outbreak which, in ESMA’s view, would most likely constitute a strong basis to conclude that one or more of the impairment indicators in IAS 36 have been triggered (……)” (ESMA 2020a, p. 4). In oktober 2020 werd deze boodschap nog eens herhaald in relatie tot de jaarrekening over het boekjaar 2020 (ESMA 2020b, p. 5): “It continues to be ESMA’s view that the adverse impact of COVID-19 provides a strong indication that one or more of the impairment indicators in IAS 36 have been triggered for many issuers.

De impact van COVID-19 op de vooruitzichten van Nederlandse ondernemingen beperkt zich uiteraard niet tot beursgenoteerde ondernemingen. Ook andere grote en middelgrote Nederlandse ondernemingen ondervonden hiervan de negatieve gevolgen. De UWV NOW Factsheets laten bijvoorbeeld zien dat ongeveer 7.500 ondernemingen met meer dan 50 werknemers over de NOW-1-periode een NOW-voorschot hebben ontvangen vanwege een verwachte omzetdaling van meer dan 20%.2 Bij de ondernemingen die een NOW-voorschot ontvingen werkten in totaal meer dan 2,6 miljoen werknemers wat overeenkomt met bijna 30% van de Nederlandse werkzame beroepsbevolking. Voor NOW-2 gaat het om ongeveer 2.000 ondernemingen3 en voor NOW-3 en -4 om ongeveer 3.000 ondernemingen.4 In Het Financieele Dagblad van 26 november 2020 (Pols 2020) wordt er dan ook op gewezen dat niet alleen de beursgenoteerde ondernemingen een impairment test moeten uitvoeren, maar dat dit ook geldt voor een groot aantal niet-beursgenoteerde ondernemingen. De in december 2020 aangekondigde nieuwe lockdown en onzekerheden over middellange- en langetermijneffecten van bepaalde gedragsveranderingen dragen bij aan onzekerheden ten aanzien van de toekomstige verdiencapaciteit van bepaalde activiteiten. En niet alleen COVID-19 zorgt voor onzekerheden. Ook vraagstukken rondom klimaatverandering, overheidsmaatregelen om deze te beperken en de impact hiervan op ondernemingen leiden tot onzekerheden voor ondernemingen over de mate waarin de boekwaardes van activa nog kunnen worden terugverdiend.

Hoewel deze ontwikkelingen in veel gevallen aanleiding zullen zijn om een impairment test uit te voeren, betekent dat niet dat van een impairment ook daadwerkelijk sprake is. Bij het uitvoeren van de impairment test moet het management van een ondernemingen schattingen maken en de uitkomst van de test is afhankelijk van veronderstellingen over bijvoorbeeld groei, marges en de te hanteren disconteringsvoet. Waardering is geen exacte wetenschap en een range van uitkomsten kan aanvaardbaar zijn. Vergoossen (2004) geeft aan dat de uitkomsten van een impairment test in grote mate kunnen worden beïnvloed door kleine variaties in de gehanteerde veronderstellingen en schattingen. Om die reden is niet alleen informatie over de uitkomst van de impairment test en de resulterende waardering op de balans relevant voor de gebruiker van de jaarrekening, maar ook informatie over de gehanteerde veronderstellingen en de sensitiviteit van de uitkomsten voor wijzigingen in veronderstellingen. Backhuijs and Roelofsen (2014) noemen de paragraaf over kritische grondslagen en schattingsonzekerheden dan ook het wellicht belangrijkste onderdeel van de (IFRS)-jaarrekening na de primaire overzichten. Paugam and Ramond (2015) onderzoeken de relatie tussen de kwaliteit van de toelichting over uitgevoerde impairment tests en de cost of capital en analyst forecast errors voor een populatie Franse ondernemingen. Zij concluderen op basis van het onderzoek dat betere toelichtingen zorgen voor een verlaging van de onzekerheid bij investeerders. Ook ESMA (2020a en 2020b) benadrukt het belang van een adequate toelichting over de uitgevoerde impairment tests, bijvoorbeeld (ESMA 2020b, p. 6): “ESMA reminds issuers to provide adequate transparency of the estimates and key assumptions (and changes therein during the year) underlying the impairment assessment (…..) detailed disclosure of the sensitivity of the recoverable amounts of cash-generating units (CGU) to significant changes in key operational and financial assumption(s) affected by COVID-19 may be required”.

Op basis van onderzoek onder AEX- and AMX-fondsen en de vijftig grootste andere ondernemingen uit de FTSE 100 stellen Backhuijs and Roelofsen (2014) vast dat 54% van de ondernemingen informatie opneemt over bijzondere waardeverminderingen in de paragraaf over kritische grondslagen en schattingsonzekerheden waarmee dit het vierde meest voorkomende onderwerp is (na pensioenen, voorzieningen en belastingen). Op basis van onderzoek onder 44 AEX- en AMX-fondsen stellen Brouwer et al. (2016) vast dat 28 ondernemingen de goodwillwaardering en 30 ondernemingen de waardering van overige (im)materiële activa rapporteren als kritische schatting en dat bij 25 ondernemingen de waardering van goodwill en bij 17 onderneming de waardering van overige (im)materiële activa wordt aangemerkt als kernpunt in de controleverklaring. Backhuijs and Roelofsen (2014) concluderen echter ook dat heel weinig kwantitatieve analyse van schattingsonzekerheden wordt gegeven in de toelichting bij de jaarrekening.

In aanvulling op de algemene bepalingen ten aanzien van de toelichting van schattingsonzekerheden vereisen ook de standaarden/richtlijnen specifieke toelichtingen over de veronderstellingen die zijn gehanteerd in een impairment test. Backhuijs and Bosman (2010) onderzochten in een vorige crisisperiode de door AEX- en AMX-fondsen opgenomen toelichting over de uitgevoerde impairment tests en stellen dat het juist in tijden van economische crisis voor gebruikers van jaarrekeningen van belang is inzicht te krijgen in de veronderstellingen over toekomstige kasstromen die ten grondslag liggen aan de waarde van goodwill. Vergelijkbaar met Backhuijs and Roelofsen (2014) concluderen ze dat relatief weinig informatie wordt verstrekt over de belangrijkste veronderstellingen en de gevoeligheid voor mogelijke toekomstige wijzigingen in de belangrijkste veronderstellingen. Ook op basis van onderzoek onder FTSE 100 ondernemingen concluderen Ter Hoeven and Kuiper (2013) dat de kwaliteit van de toelichtingen over bijzondere waardeverminderingen sterk verschilt tussen ondernemingen en spreken hierover, en specifiek over de kwaliteit van de gevoeligheidsanalyses, hun zorg uit.

De hiervoor genoemde onderzoeken zijn gericht op de impairment tests en toelichtingen bij beursgenoteerde ondernemingen die rapporteren op basis van IFRS. Doordat die in veel gevallen verplicht zijn om jaarlijks een (goodwill) impairment test uit te voeren zal over het algemeen meer informatie over impairment tests zijn opgenomen in de jaarrekening dan bij ondernemingen die rapporteren op basis van NL GAAP. NL GAAP kent immers het model van afschrijving van goodwill waarbij alleen bij het optreden van een impairment indicator een test dient te worden uitgevoerd.5 Het meest recent gepubliceerde onderzoek naar informatieverschaffing over impairment testing onder NL GAAP waarmee wij bekend zijn dateert van 2004 (Knoops and Huij 2004) en is uitgevoerd onder beursgenoteerde ondernemingen. In dat onderzoek concluderen de auteurs dat de gegevensverstrekking in veel gevallen tekortschiet. Gegeven de hiervoor geschetste situatie mag echter worden verwacht dat bij het opstellen van de jaarrekening 2020 ook veel ondernemingen met een relatief hoog bedrag aan goodwill en andere immateriële vaste activa, die op basis van NL GAAP rapporteren, een impairment test hebben uitgevoerd, c.q. een toelichting opnemen over de door hen uitgevoerde triggering events-analyse. Daarom wordt in dit artikel verslag gedaan van onderzoek naar de verantwoording over impairment tests in de jaarrekening 2020 van Nederlandse niet-beursgenoteerde ondernemingen die rapporteren op basis van NL GAAP.

In paragraaf 2 wordt de onderzoekspopulatie beschreven. In paragraaf 3 presenteren we de resultaten van het empirisch onderzoek. Het artikel wordt in paragraaf 4 afgesloten met de conclusies uit het onderzoek.

2. De onderzoekspopulatie

Op basis van de Orbis Europe database van Bureau van Dijk is een selectie gemaakt van Nederlandse rechtspersonen (ongeacht het type rechtspersoon) – hierna aangeduid als ondernemingen - die rapporteren onder NL GAAP en voldoen aan de volgende criteria:

  • De gegevens uit hun 2019-jaarrekening waren uiterlijk 31 juli 2020 opgenomen in de database (in verband met benodigde tijdige beschikbaarheid van de jaarrekening 2020 voor dit onderzoek);
  • Over 2019 bedroeg de omzet minimaal EUR 25 miljoen en het totaal activa minimaal EUR 50 miljoen.

Primair is dit bepaald op basis van de geconsolideerde jaarrekening, en indien er geen consolidatie plaatsvindt, op basis van de enkelvoudige jaarrekening. Van deze ondernemingen is de verhouding tussen de immateriële activa en totaal activa per 1 januari 2020 bepaald en zijn de 250 ondernemingen geselecteerd met het hoogste percentage immateriële vaste activa. Voor dit selectiecriterium is gekozen omdat impairment testing naar verwachting een relevanter vraagstuk is voor ondernemingen waarbij de post immateriële vaste activa relatief omvangrijk is ten opzichte van het balanstotaal. Voor de geselecteerde ondernemingen is in dit onderzoek overigens gekeken naar impairments van zowel immateriële vaste activa als van materiële vaste activa, aangezien de gevolgen van COVID-19 zich niet alleen zouden beperken tot de waardering van immateriële vaste activa. In de populatie zijn zowel ondernemingen opgenomen die in het afgelopen jaar een daling van omzet en winstgevendheid hebben laten zien als ondernemingen die in deze periode een stijging lieten zien. Voor ondernemingen die een daling lieten zien is het impairment vraagstuk naar verwachting relevanter. Binnen de populatie zou daarom voor dit deel naar verwachting de impairment test en toelichting een prominenter vraagstuk in de jaarrekening zijn. De gehanteerde grenzen zijn hierbij door de auteurs arbitrair bepaald om tot een voldoende representatieve doch praktisch werkbare onderzoekspopulatie te komen. Het onderzoek is uitgevoerd onder de ondernemingen uit deze populatie waarvan uiterlijk op 31 juli 2021 de jaarrekening 2020 beschikbaar was via Company.info. Dit heeft geresulteerd in een definitieve onderzoekspopulatie van 78 ondernemingen.

Een kanttekening bij de beschikbaarheid van de jaarrekeningen in het kader van dit onderzoek is dat het zo zou kunnen zijn dat de ondernemingen waarbij grotere onzekerheid speelt rondom de waardering van immateriële vaste activa – en wellicht ook onzekerheid over andere zaken zoals de continuïteitsveronderstelling – in 2021 later dan in 2020 hun jaarrekening over het voorafgaande boekjaar opmaken en openbaar maken, en daarmee buiten de onderzoekspopulatie zouden vallen. Voor de populatie onderzochte jaarrekeningen geldt echter dat van de 78 ondernemingen er 41 hun jaarrekening over het boekjaar 2020 op een eerdere datum in 2021 hebben opgemaakt dan hun jaarrekening over het boekjaar 2019 in 2020, met een mediaan van een datum van opmaken die één dag eerder ligt dan in het voorgaande jaar.

Zoals uit Tabel 1 blijkt hebben de onderzochte ondernemingen gezamenlijk EUR 31 miljard activa waarvan EUR 9,2 miljard immateriële vaste activa en EUR 5,6 miljard goodwill. Het percentage immateriële vaste activa ten opzichte van het totaal activa is gemiddeld 40% en de mediaan is 35%.

Tabel 1.

Kenmerken van de onderzoekspopulatie.

Totaal Gemiddeld Mediaan
Totaal activa 2020 (EUR miljoen) 30.805 395 127
Totaal activa 2019 (EUR miljoen) 30.328 389 126
Totaal immateriële activa 2020 (EUR miljoen) 9.243 119 51
Totaal immateriële activa 2019 (EUR miljoen) 9.867 126 55
Goodwill 2020 (EUR miljoen) 5.569 73 36
Goodwill 2019 (EUR miljoen) 6.042 79 37
Omzet 2020 (EUR miljoen) 36.171 464 148
Omzet 2019 (EUR miljoen) 35.724 458 139
Aantal omzetstijging 49 (63%)
Aantal omzetdaling 29 (37%)
EBIT 2020 (EUR miljoen) 1.332 17 5
EBIT 2019 (EUR miljoen) 1.560 20 6
Aantal EBIT stijging 47 (60%)
Aantal EBIT daling 31 (40%)
Aantal EBIT positief 57 (73%)
Aantal EBIT negatief 21 (27%)

Deze ondernemingen realiseerden gezamenlijk in 2020 een omzet van EUR 36 miljard wat neerkomt op een gemiddelde omzet van EUR 464 miljoen per onderneming. Opvallend is dat de gemiddelde omzet over 2020 licht (1,3%) hoger is dan de omzet over het boekjaar 2019. Van de onderzochte ondernemingen hebben 49 (63%) ondernemingen een omzetstijging en 29 (37%) een omzetdaling gerapporteerd. Het resultaat voor rente en belastingen (EBIT) is voor de onderzochte groep gedaald, waarbij 60% een EBIT-stijging en 40% een EBIT-daling rapporteert. Uit Tabel 1 blijkt daarnaast dat voor 27% van de onderzochte ondernemingen de EBIT in 2020 negatief was.

3. Resultaten empirisch onderzoek

3.1. Grondslagen en veronderstellingen

Op grond van richtlijn voor de jaarverslaggeving 300.103 dient de toelichting minimaal een uiteenzetting van de grondslagen van waardering van de activa en passiva en van de resultaatbepaling te bevatten, uiteraard voor zover dit van belang is voor het inzicht in en begrip van de in de jaarrekening opgenomen informatie. Uit Tabel 2 blijkt dat 61 ondernemingen (78%) in de jaarrekening een grondslag hebben opgenomen voor het uitvoeren van een impairment test. Het percentage immateriële activa bij de 17 ondernemingen die geen grondslag hebben toegelicht varieert ultimo 2020 van 8% tot 78% van het balanstotaal waarbij dit voor elf ondernemingen 25% of meer is. Onder deze 17 ondernemingen bevinden zich bovendien acht ondernemingen met een EBIT-daling en vier ondernemingen waarvan de EBIT negatief is. Op basis van deze informatie mag worden verwacht dat voor een groot deel van deze 17 ondernemingen de grondslag voor het uitvoeren van een impairment test relevant is voor het begrip van de in de jaarrekening opgenomen informatie.

Tabel 2.

Informatie over grondslagen en veronderstellingen.

n %
Grondslag opgenomen voor impairment tests 61 78
Waardering activa / impairment test genoemd als belangrijke schatting 18 23
Aard van de schatting toegelicht 8 10
Informatie verstrekt over uitgevoerde triggering events analyse 10 13
Toegelicht of impairment test is uitgevoerd 22 28
Waarvan impairment test uitgevoerd 19 24
Waarvan impairment verantwoord 11 14
Informatie verstrekt over de belangrijkste veronderstellingen 7 9
Waarvan impairment verantwoord 3
Waarvan geen impairment verantwoord 4
Belangrijkste veronderstellingen gekwantificeerd 5 8
Waarvan impairment verantwoord 2
Waarvan geen impairment verantwoord 3

Op grond van RJ 110.129 dient de rechtspersoon de aard van oordelen en schattingen die een belangrijke invloed hebben op de in de jaarrekening opgenomen bedragen, inclusief de bijbehorende veronderstellingen, toe te lichten. Als voorbeeld van zo’n schatting wordt gegeven “het bepalen van de omvang van een bijzondere waardevermindering” (ofwel impairment test) als deze schatting niet evident is.

Tien ondernemingen (13%) hebben informatie verstrekt over uitgevoerde triggering events-analyses en 18 ondernemingen (23%) hebben impairment testing vermeld als belangrijke schatting. Over de belangrijkste veronderstellingen wordt in een beperkt aantal gevallen informatie verstrekt (7 ondernemingen waarvan 5 gekwantificeerd). Weliswaar is het aantal ondernemingen dat een omvangrijke afwaardering heeft verwerkt beperkt (zie paragraaf 3.2), maar op basis van de kenmerken van de onderzochte populatie zou wel worden verwacht dat voor meer ondernemingen de uitvoering van een triggering events-analyse en impairment test een van de belangrijke oordelen en schattingen is.

Van de 54 ondernemingen die zowel geen informatie hebben opgenomen over de uitgevoerde triggering event­s-analyse, als die impairment testing ook niet hebben toegelicht als kritische schatting, bedraagt bij 37 ondernemingen het percentage immateriële activa 25% of meer en bij 18 ondernemingen is dit zelfs meer dan 50%. Bovendien is bij 21 ondernemingen sprake van een EBIT-daling en bij 14 onderneming is de EBIT negatief. Bij tien ondernemingen is zowel sprake van een dalende als een negatieve EBIT. Van deze laatste groep (dalende en negatieve EBIT) bedraagt het gemiddeld percentage immateriële activa 40% met een maximum van 86% van het balanstotaal. Bij deze ondernemingen zou verwacht worden dat de uitvoering van de triggering events-analyse en de uitvoering van de impairment test aan te merken zijn als belangrijke oordelen en schattingen. Op grond van richtlijn 121, paragrafen 203 en 205 zijn bijvoorbeeld de volgende zaken aan te merken als indicaties voor een bijzondere waardverminderingen die op grond van richtlijn 121.202 dienen te leiden tot het uitvoeren van een impairment test:

  • belangrijke veranderingen met een nadelig effect op het terrein van techniek, markt, economie of wette­lijke verplichtingen;
  • actuele nettokasstromen of operationele resultaten, die beduidend slechter zijn dat hetgeen werd gebudgetteerd;
  • een belangrijke terugval in de gebudgetteerde nettogeldstroom of operationele resultaten, of een belang­rijke toename in het verwachte verlies; of
  • bedrijfsverliezen of negatieve nettokasstromen uit het actief bij optelling van de cijfers over de lopende periode en de gebudgetteerde cijfers voor de toekomst.

In Tabel 3a en 3b wordt meer inzicht gegeven in het verschil in kenmerken tussen de ondernemingen die wel en niet een grondslag voor impairment testing respectievelijk impairment testing als belangrijke schatting toelichten.

Uit Tabel 3a en 3b blijkt dat het wel of niet toelichten van een grondslag of belangrijke schatting voor impairment testing niet in belangrijke mate wordt verklaard door de relatieve omvang van de immateriële activa, de winstgevendheid of de resultaatontwikkeling van de onderzochte ondernemingen. De verschillen in de relatieve omvang van de immateriële vaste activa en goodwill tussen ondernemingen die de informatie wel en niet opnemen is beperkt en bij de ondernemingen die impairment testing niet toelichten als belangrijke schatting is het percentage immateriële vaste activa zelfs hoger (40%) dan bij de ondernemingen die dat wel doen (38%). Het percentage ondernemingen met een EBIT-daling is lager (38% om 47%) bij ondernemingen die een grondslag voor impairment testing toelichten en hoger (44% om 38%) bij ondernemingen die impairment testing als belangrijke schatting toelichten. Alleen het percentage ondernemingen met een negatieve EBIT ligt aanzienlijk hoger bij ondernemingen die impairment testing als belangrijke schatting aanmerken dan ondernemingen die dat niet doen (39% om 23%).

Tabel 3a.

Kenmerken ondernemingen die wel respectievelijk geen grondslag voor impairment testing toelichten.

Grondslag toegelicht (n=61) Grondslag niet toegelicht (n=17)
Gemiddeld percentage immateriële activa 40 37
Waarvan gemiddeld percentage goodwill 25 24
Percentage ondernemingen met EBIT daling 38 47
Percentage ondernemingen met negatieve EBIT 28 24
Tabel 3b.

Kenmerken ondernemingen die impairment testing wel respectievelijk niet vermelden als belangrijke schattingл

Belangrijke schatting Totaal Grondslag Geen Grondslag Geen belangrijke schatting Totaal Grondslag Geen Grondslag
(n=18) (n=15) (n=3) (n=60) (n=46) (n=14)
Gemiddeld percentage immateriële activa 38 38 38 40 41 37
Waarvan gemiddeld percentage goodwill 27 27 26 25 26 24
Percentage ondernemingen met EBIT daling 44 33 100 38 39 36
Percentage ondernemingen met negatieve EBIT 39 40 33 23 24 21

De hiervoor beschreven informatie suggereert dat voor een aanzienlijk aantal ondernemingen impairment testing een relevant onderwerp is geweest voor de jaarrekening 2020 terwijl zij hierover niet de relevante informatie hebben opgenomen. De bevindingen suggereren ook dat veel ondernemingen zich bij de keuze voor de in de jaarrekening op te nemen informatie niet of niet voldoende laten leiden door de specifieke feiten en omstandigheden in het desbetreffende boekjaar.

Een aantal ondernemingen heeft wel relevante informatie opgenomen over impairment testing. Koninklijke Ahrend B.V. benoemt expliciet dat COVID-19 is geïdentificeerd als triggering event, maar dat de uitgevoerde test niet heeft geleid tot een impairment (zie Figuur 1).

Figuur 1.

Best practice van toelichting triggering events analyse: Koninklijke Ahrend B.V. Annual reporting 2020, pagina 26.

At balance sheet date we analyse whether there are any indicators of assets being subject to impairments. The impact of COVID-19 on our business is considered to be a trigger to perform an impairment analysis. However, based on the analysis performed no impairments are deemed needed as per 31 December 2020.

Ignition Topco B.V. heeft een gedetailleerde grondslag opgenomen voor impairment testing en tevens de belangrijkste veronderstellingen toegelicht zoals die zijn gehanteerd bij de uitgevoerde test (Figuur 2)

Figuur 2.

Best practice van toelichting grondslag en gehanteerde veronderstellingen impairment test: Ignition Topco B.V. Annual report 2020, pagina 20 en pagina 29/30.

Impairments of fixed assets
For tangible and intangible fixed assets and financial fixed assets over which the Company can exercise significant influence, an assessment is made as of each balance sheet date as to whether there are indications these assets are subject to impairment. If there are such indications, then the recoverable amount of the asset is estimated. The recoverable amount is the higher of the value in use and the net realizable value. If it is not possible to determine the recoverable amount of an individual asset, then the recoverable amount of the cash flow generating unit to which the asset belongs is assessed.
If the carrying value of an asset (or a cash flow generating unit) is higher than the recoverable value, an impairment loss is recognized for the difference between the carrying amount and the recoverable amount. In case of an impairment loss of a cash flow generating unit, the loss is first allocated to goodwill that has been allocated to the cash flow generating unit. Any remaining loss is allocated to the other assets of the unit in proportion to their book values.
In addition, an assessment is made on each balance sheet date whether there is any indication that an impairment loss that was recorded in previous years has decreased. If there is such indication, then the recoverable amount of the related asset (or cash flow generating unit) is estimated. Reversal of an impairment loss that was recorded in the past only takes place in case of a change in the estimates used to determine the recoverable amount since the recognition of the last impairment loss. In such case, the carrying amount of the asset (or cash flow generating unit) is increased up to the amount of the estimated recoverable amount, but not higher than the carrying amount that would have applied (after depreciation) if no impairment loss had been recognized in prior years for the asset (or cash flow generating unit). Impairment of goodwill cannot be reversed.
(…..)
Intangible fixed assets
(…..) Management projects cash flows based on past trends and estimate of future market developments, cost developments and investment plans. These projections also factor in market conditions, and improvement opportunities in terms of commercial- and operational excellence. Starting 2019, market pricepressure exists in part of our business resulting in margin contraction. Since the current discounted cash flow projections deviate from the projections made in 2018, the value in use of the company has been reassessed, resulting in an impairment loss of EUR 31.7 million for goodwill. Key assumptions in the calculation of value in use are the growth rate applied in the calculation of the terminal value and the discount rate used. An average annual growth rate of 7.2% is used in the first 10 years of the forecast, which is slightly above the market growth rate of around 6% to reflect above average growth in markets where we have low market shares. The pre-tax discount rate used in the calculation is 9.85% (2019: 8.94%) and is determined by an external valuator. The terminal value growth rate is set at the risk free rate of 0.12% and the effective tax rate used is 25%.

3.2. Verantwoorde afwaarderingen

Van de 78 onderzochte ondernemingen hebben 11 ondernemingen een impairment verantwoord. Gezamenlijk hebben zij EUR 100 miljoen aan impairments verantwoord wat betekent dat het gemiddelde verantwoorde impairment-bedrag EUR 9 miljoen bedraagt (zie Tabel 4). De mediaan ligt op EUR 1 miljoen. Vijf verantwoorde impairments zijn hoger dan EUR 1 miljoen en lopen uiteen van EUR 8 miljoen tot EUR 38 miljoen en hebben gezamenlijk een omvang van EUR 98 miljoen. De verantwoorde impairments bedragen gemiddeld 0,9% van het balanstotaal en de verantwoorde goodwill impairments 2,8% van de waarde van de goodwill. De relatief omvangrijkste impairment was 4,5% van het balanstotaal en 9,6% van het opgenomen goodwill bedrag.

Tabel 4.

Informatie over verantwoorde impairments.

Totaal Gemiddeld Mediaan
Totale impairment last (EUR miljoen) 100 9 1
Totale goodwill impairment last (EUR miljoen) 52 9 3
Impairment als percentage van totaal activa 0,9% 0,4%
Goodwill impairment als percentage goodwill 2,8% 1,4%

In dit onderzoek is tevens geanalyseerd of impairments vaker voor zijn gekomen in bepaalde sectoren dan in andere, hetgeen gebaseerd is op de verwachting dat de COVID-19-crisis bepaalde sectoren harder financieel heeft geraakt dan anderen. Op basis van zowel het aantal impairments in relatie tot de populatie als de spreiding over verschillende sectoren bleken geen opvallende concentraties.

In Tabel 5 wordt de omzet- en resultaatinformatie weergegeven voor de ondernemingen die wel respectievelijk geen impairment hebben verantwoord. Uit Tabel 5 blijkt dat de groep ondernemingen die een impairment heeft verantwoord relatief veel ondernemingen bevat die in 2020 te maken hebben gehad met een omzetdaling, maar dat bij deze groep niet vaker sprake is geweest van een EBIT-daling of verlies. Dit blijft ook zo wanneer de EBIT wordt gecorrigeerd voor het impairment verlies over 2020.

Tabel 5.

Omzet en resultaat van ondernemingen met en zonder impairment.

Ondernemingen met impairment Ondernemingen zonder impairment
n % n %
Totaal 11 67
Aantal met omzetstijging 4 36 45 67
Aantal met omzetdaling 7 64 16 24
Aantal met EBIT stijging 7 64 40 60
Aantal met EBIT daling 4 36 27 40
Aantal met EBIT positief 9 82 48 72
Aantal met EBIT negatief 2 18 19 28

In Tabel 6 wordt weergegeven welk percentage van de onderzochte ondernemingen informatie opneemt over de grondslagen voor impairment testing en impairment testing toelicht als belangrijke schatting, uitgesplitst naar ondernemingen die wel en geen impairment hebben verantwoord.

Uit Tabel 6 blijkt dat ondernemingen die een impairment hebben verantwoord niet vaker de grondslag voor impairment testing opnemen, maar wel relatief vaker de toelichting over belangrijke schattingen opnemen voor impairment testing. Hierbij is wel zichtbaar dat ook van de ondernemingen die een impairment hebben verantwoord een beperkt deel impairment testing aanmerkt als een belangrijke schatting (36%) en informatie opneemt over de belangrijkste veronderstellingen (27%). Hierbij merken we wel op dat de ondernemingen met de drie grootste impairments die gezamenlijk voor EUR 83 miljoen (83% van het totaalbedrag aan impairments in de populatie) aan impairments hebben verantwoord impairment testing hebben aangemerkt als belangrijke schatting en dat de ondernemingen met de twee grootste impairments (gezamenlijk EUR 71 miljoen) ook de belangrijkste veronderstellingen hebben vermeld en gekwantificeerd.

Tabel 6.

Informatie over impairment grondslag en schattingen opgenomen door ondernemingen met respectievelijk zonder impairment.

Ondernemingen met impairment Ondernemingen zonder impairment
n % n %
Totaal 11 67
Grondslag opgenomen voor impairment tests 8 73 53 79
Waardering activa / impairment test genoemd als
belangrijke schatting
4 36 14 21
Aard van de schatting toegelicht 2 18 6 9
Informatie verstrekt over de belangrijkste veronderstellingen 3 27 4 6
Belangrijkste veronderstellingen gekwantificeerd 2 18 3 4

Eén van de weinige ondernemingen die geen impairment hebben verantwoord, maar toch informatie hebben verstrekt over de bij het uitvoeren van de impairment test gehanteerde veronderstellingen is Sophia 247 Bidco.

Figuur 3.

Best practice van toelichting gehanteerde veronderstellingen zonder impairment verlies: Sophia 247. Bidco jaarverslag 2020, pagina 35.

Door de uitbraak van het coronavirus is de onzekerheid in de schattingen toegenomen. Op basis van de feiten en omstandigheden bij het opmaken van de jaarrekening wordt ervan uitgegaan dat er sprake is van een tijdelijke terugval in omzet en het oorspronke1ijke business plan en groeipad intact blijven. Het betreffen inherente onzekerheden die met de waardering van immateriële vaste activa gepaard gaan. Prognoses, disconteringsvoet en inputvariabelen zijn onzekerder geworden aangezien de duur van het coronavirus en de aard en omvang van de impact niet bekend zijn.
Per ultimo 2020 is de realiseerbare waarde van de immateriële vaste activa geschat op basis van haar bedrijfswaarde. Hieruit is geb1eken dat geen bijzondere waardevermindering dient te worden doorgevoerd. Bij de schatting van de rea1iseerbare waarde ultimo 2020 is rekening gehouden met een disconteringsvoet (WACC) van 9,99%. De kasstroomprognoses zijn gebaseerd op de meest recente budgetten die intern zijn goedgekeurd door de directie. Deze budgetten beslaan een periode van 5 jaar (jaren 2021 tot en met 2025). Voor de periode daarna zijn de geprognosticeerde kasstromen gebaseerd op een extrapolatie van de kasstromen voor de eerste 5 jaar, rekening houdend met een constante groeivoet van 1% per jaar.

Op grond van RJ 121.805 wordt voor afwaarderingen die van materieel belang zijn de volgende informatie vermeld in de jaarrekening:

  1. a. de belangrijkste gebeurtenissen of omstandigheden die geleid hebben tot de verantwoording of terugneming van het bijzonder waardeverminderingsverlies;
  2. b. het bedrag van het bijzonder waardeverminderingsverlies dat is verantwoord of teruggenomen;
  3. c. voor een individueel actief:
  4. 1. de aard van het actief; en
  5. 2. het te rapporteren segment waartoe het actief behoort.
  6. d. voor een kasstroomgenererende eenheid:
  7. 1. een beschrijving van de kasstroomgenererende eenheid (bijvoorbeeld productlijn, fabriek, be­drijfsonderdeel, geografisch gebied, een segment waarover wordt gerapporteerd);
  8. 2. het bedrag van het verantwoorde of teruggenomen bijzonder waardeverminderingsverlies per categorie van activa en per verslaggevingssegment; en
  9. 3. indien de samenstelling van activa voor het identificeren van de kasstroomgenererende eenheid gewijzigd is sinds de vorige schatting van de realiseerbare waarde, een beschrijving van de eerdere en de actuele samenvoeging van activa alsmede de reden voor het wijzigen van de manier waarop de kasstroomgenererende eenheid is bepaald.
  10. e. of de opbrengstwaarde of de bedrijfswaarde van toepassing is;
  11. f. indien de realiseerbare waarde de opbrengstwaarde is, de basis waarop deze is bepaald (bijvoorbeeld onder verwijzing naar een actieve markt); en
  12. g. indien de realiseerbare waarde is gebaseerd op kasstroomprognoses, een beschrijving van de metho­de en de belangrijke veronderstellingen waarop de kasstroomprognoses zijn gebaseerd, zoals de periode en de disconteringsvoet(en) gehanteerd bij het schatten van de huidige en de vroegere bedrijfswaarde (indien van toepassing).

In Tabel 7 wordt weergegeven welke ondernemingen uit de onderzochte populatie de belangrijkste toelichtingselementen hebben opgenomen in de jaarrekening.

Tabel 7.

Informatie over impairments.

Goodwill (n=6) Overig (n=9)
n %1 %2 n %1 %2
Belangrijkste gebeurtenissen en omstandigheden vermeld 3 50 95 6 67 76
Beschrijving kasstroom genererende eenheid opgenomen 3 50 35 4 44 82
Basis realiseerbare waarde vermeld (bedrijfswaarde versus opbrengstwaarde) 2 33 88 2 22 50
Methode bepaling kasstroomprognoses toegelicht 2 33 88 1 9 49
Belangrijkste veronderstellingen toegelicht 2 33 88 0 0 0
Prognoseperiode toegelicht 2 33 88 0 0 0
Groeivoet gedurende prognoseperiode toegelicht 1 17 61 0 0 0
Terminale groeivoet toegelicht 2 33 88 0 0 0
Disconteringsvoet toegelicht 2 33 88 0 0 0
Scenario’s toegelicht 0 0 0 0 0 0

Een klein percentage van de ondernemingen die een impairment heeft verantwoord neemt hierover de in RJ 121.805 genoemde informatie op. Hierbij moet echter worden opgemerkt dat dit in de meeste gevallen gerechtvaardigd zal zijn gezien de materialiteit van de verantwoorde impairments. Hoewel de helft of minder van de ondernemingen die een goodwill impairment heeft verantwoord de in RJ 121.805 gevraagde toelichtingen opneemt betreft het hier voor de meeste toelichtingen de twee ondernemingen die samen EUR 46 miljoen goodwill impairment hebben verantwoord, wat 88% van de totale goodwill impairment van alle ondernemingen in de populatie samen is. Voor de overige (anders dan goodwill) impairments wordt kwalitatieve informatie opgenomen door/voor een behoorlijk percentage van de ondernemingen/impairments, maar wordt door geen van de ondernemingen kwantitatieve informatie verstrekt over de belangrijkste veronderstellingen.

Een goede toelichting van de belangrijkste veronderstellingen en sensitiviteit van de uitkomsten voor wijzigingen in die veronderstellingen is opgenomen door Byzantium Acquisition Topco B.V.

Figuur 4.

Best practice van toelichting sensitiviteit belangrijkste veronderstellingen: Byzantium Acquisition Topco. B.V. Annual report 2020, pagina 41/42.

The COVID-19 crisis and the impact of mobility restrictions on our performance and financial results are considered to be an indicator of a potential impairment of the book value of long-lived assets. As a result, a goodwill impairment test was performed to determine the realisable value of the different cash generating units (CGUs) which is off-set against the carrying value as included in the balance sheet. CGUs are defined based on the different countries in which the Group operates. The realisable value is determined based on a value in use cash flow model in which cash flows are derived from past performance and growth expectations including the impact of the COVID-19 crisis. The cash flow model comprises of a 5 year cash flow projection plus a terminal value, discounted using the weighted average cost of capital (WACC). The average pre-tax WACC for the Group as applied in this model amounts to 7.5% with a terminal growth assumption of 2.0%. Based on the test performed a Goodwill impairment of EUR 14.5 million was recognised. The following table shows the sensitivity of changes in key parameters inc1uded in the test:
WACC Terminal value
growth assumptions
Change in operating
cash flow assumptions
(x EUR million) 0.5% -0.5% 0.25% -0.25% 10.0% -10.0%
Impact on impairment result -23.2 14.5 11.3 -10.3 14.5 -88.4

4. Conclusies en slotbeschouwing

In dit artikel doen we verslag van de informatieverschaffing over impairment testing onder NL GAAP. De COVID-19-crisis in 2020 en de overheidsmaatregelen naar aanleiding daarvan, waaronder de nieuwe lockdown die inging in december 2020, alsmede de resultaatontwikkeling van de onderzochte ondernemingen (37% met een omzetdaling en 40% met een EBIT-daling) zullen voor veel van de onderzochte ondernemingen zijn aan te merken als een aanwijzing dat activa aan een bijzondere waardevermindering onderhevig kunnen zijn hetgeen de uitvoering van een impairment test vereist. De onderzochte ondernemingen hebben een relatief omvangrijk bedrag aan immateriële vaste activa (gemiddeld 40% van het balanstotaal) waardoor informatie over deze impairment tests in veel gevallen ook relevant zal zijn voor de gebruiker van de jaarrekening.

Ondanks het te verwachten belang van impairment testing bij een groot deel van de onderzochte populatie (ook als dit niet heeft geleid tot de verantwoording van impairments) wordt in een beperkt aantal gevallen informatie opgenomen over de uitgevoerde triggering event analyses en de belangrijkste veronderstellingen in de uitgevoerde impairment tests. Hierbij valt op dat het al dan niet opnemen van een toelichting voor de grondslag voor impairment testing of toelichting van impairment testing als belangrijke schatting nauwelijks een relatie lijkt te hebben met de relatieve omvang van de op de balans opgenomen immateriële activa en de resultaatontwikkeling van de onderzochte ondernemingen. Het lijkt er dan ook op dat niet veel ondernemingen de toelichting in de jaarrekening 2020 met betrekking tot impairment hebben aangepast naar aanleiding van de in 2020 ontstane situatie. Dit kan aanleiding geven voor de regelgever om de effectiviteit van de toelichtingsvereiste van RJ 110.129 inzake de belangrijkste oordelen en schattingen tegen het licht te houden. Deze bepaling vereist nu enkel toelichting indien dit noodzakelijk voor het inzichtsvereiste van artikel 2:362 lid 1. Het zou kunnen dat ondernemingen in de praktijk moeite ervaren met bepalen wanneer dit het geval is.

De ondernemingen die de meest omvangrijke impairments hebben verantwoord in 2020 hebben wel een meer uitgebreide toelichting opgenomen over de uitgevoerde impairment tests, inclusief de gehanteerde veronderstellingen.

Op basis van het onderzoek concluderen wij dat ondernemingen meer aandacht kunnen besteden aan de belangrijke schattingen die in een specifiek jaar relevant zijn voor het begrip van de in de jaarrekening opgenomen bedragen. Ondernemingen zouden zich bij het opstellen van de toelichtingen naast de vereiste in RJ 110.129 kunnen laten inspireren door een aantal van de best practice voorbeelden uit deze publicatie en bijvoorbeeld toelichten of een test is gedaan dan wel waarom is geconcludeerd dat er geen sprake was van bijzondere waardevermindering.

Prof. dr. A.J. (Arjan) Brouwer RA is partner bij PwC en hoogleraar externe verslaggeving aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Drs. G.J. (Gijs) de Graaff CFA RC is director bij KPMG Accounting Advisory Services.

R.J.J. (Renick) van Oosterbosch MSc RA is reporting manager bij TIE Kinetix en als examinator Financiële Verslaggeving verbonden aan Tilburg University

De auteurs danken Marnix Elferink, Sabine Kleinjan, Jeroen Simons en Stefan Schoenmakers voor hun ondersteuning bij de dataverzameling.

Noten

Literatuur

  • Backhuijs J, Roelofsen E (2014) Kritische grondslagen en schattingsonzekerheden in de jaarrekening. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 88(12): 479–491. https://doi.org/10.5117/mab.88.31209
  • Brouwer A, Eimers P, Langendijk H (2016) De kernpunten uit de uitgebreide controleverklaring in relatie tot risico’s in het bestuursverslag en de schattingen en oordelen in de toelichting. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 90(11): 503–502. https://doi.org/10.5117/mab.90.31207
  • Knoops CD, Huij J (2004) Bijzondere waardevermindering van vaste activa. Verslag van een empirisch onderzoek van jaarverslagen 2001 en 2002. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 78(6): 277–281. https://doi.org/10.5117/mab.78.17512
  • Paugam L, Ramond O (2015) Effect of impairment-testing disclosures on the cost of equity capital. Journal of Business, Finance & Accounting 42(5): 583–618. https://doi.org/10.1111/jbfa.12113
  • Pols M (red.) (2020) , ‘Hoe maak je jaarcijfers op in coronatijd: blijmoedig voort, of een Big Bath?’, Het Financieele Dagblad 26 november 2020.
  • Ter Hoeven R, Kuiper I (2013) Bijzondere waardeverminderingen in de jaarrekening. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 87(12): 507–524. https://doi.org/10.5117/mab.87.13902
  • Vergoossen R (2004) Bijzondere waardevermindering van vaste activa in de regelgeving. Maandblad voor Accountancy en Bedrijfseconomie 78(6): 252–260. https://doi.org/10.5117/mab.78.17509

Bijlage

Lijst van onderzochte ondernemingen

1 Afas Holding B.V.
2 Apg Groep N.V.
3 B & S International B.V.
4 Bankiva B.V.
5 Berghege Heerkens Bouwgroep B.V.
6 Blauwtrust B.V.
7 Boal Holding B.V.
8 Bomelo Topco B.V.
9 Byzantium Acquisition Topco B.V.
10 Cct Beheer B.V.
11 Cfl Holding B.V.
12 Conclusion Malayga B.V.
13 Coop Nederland U.A.
14 Cooperatie Koninklijke Agrifirm U.A.
15 Crv Holding B.V.
16 Da Vinci Group B.V.
17 De Jong & Laan Cooperatie U.A.
18 Delfluent B.V.
19 Delta Wines Holding 2 B.V.
20 Esdec Solar Group B.V.
21 Exploitatiemaatschappij Smit-Vecht B.V.
22 Falkenstein Holdco B.V.
23 Fruity Line International B.V.
24 Gamma (Fiber) Holdings 1 B.V.
25 Gateway Holdings 3 B.V.
26 Greenchoice B.V.
27 Hal Allergy B.V.
28 Hametha B.V.
29 Hollandia Orange B.V.
30 Hoppenbrouwers Techniek B.V.
31 Hotraco Group Beheer B.V.
32 Humantouch Holding B.V.
33 Hunter Investment Holding B.V.
34 Ignition Topco B.V.
35 Intero Integrity Services Holdco B.V.
36 Kmg5 B.V.
37 Knight Acquisition B.V.
38 Koninklijke Ahrend B.V.
39 Koole Terminals Holding B.V.
40 Leydsche-Oranje Nassau Beheer B.V.
41 Main Energie B.V.
42 Makosi B.V.
43 Map Holding B.V.
44 Mediahuis Limburg B.V.
45 Metrixlab Holding B.V.
46 Mitsui E&P Middle East B.V.
47 Mofico B.V.
48 Monceau Deelnemingen I B.V.
49 Motip Dupli Group B.V.
50 Movares Group B.V.
51 N.V. Huco, Handel- En Scheepvaartmaatschappij
52 Neerlands Glorie Groente & Fruit B.V.
53 Nexus Newco B.V.
54 Nrc Media Holding B.V.
55 Nutreco N.V.
56 Nuts Topholding B.V.
57 Olympus Holding B.V.
58 Ortec International B.V.
59 Pharcomp Investco B.V.
60 Pon Holdings B.V.
61 Priamx Investments B.V.
62 Prisma Technologies B.V.
63 Puzzle Holding B.V.
64 Remeha Group B.V.
65 Rn Topco B.V.
66 Sancus Holding B.V.
67 Screen Acquisition B.V.
68 Shipa Holding B.V.
69 Sophia 247 Bidco B.V.
70 Syntegra Holding B.V.
71 Tank Topco B.V.
72 The Learning Network B.V.
73 Topicus.Com B.V.
74 Unica Groep B.V.
75 Visma Raet B.V.
76 Vissers Energy Group B.V.
77 Volpel Invest B.V.
78 Voogd & Voogd Holding B.V.